Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:341 - Rechtbank Midden-Nederland - 23 januari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:34123 januari 2026

Uitspraak inhoud

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5638

FNV Veiligheid, uit Amersfoort, verzoekster

(gemachtigde: mr. T.A. van Helvoort),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder.

Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het Uwv in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het besluit van het Uwv van 21 augustus 2025. Verzoekster heeft het beroep ingetrokken omdat het Uwv met het besluit van 10 december 2025 het besluit van 21 augustus 2025 heeft gewijzigd en het bezwaar gegrond heeft verklaard. Daarmee komt het Uwv tegemoet aan het bezwaar van verzoekster.
1.1. De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het Uwv heeft de rechtbank meegedeeld dat hij akkoord gaat met een forfaitaire proceskostenvergoeding.
1.2. De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.[1]

Beoordeling door de rechtbank

  1. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
  1. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.[2]
Is het Uwv aan verzoekster tegemoetgekomen?
  1. De rechtbank moet dus beoordelen of het Uwv geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen.
4.1. Zoals hiervoor overwogen, is het Uwv tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster. Verzoekster heeft vervolgens het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Welk bedrag aan proceskosten moet het Uwv aan verzoekster vergoeden?
  1. Verzoekster heeft gevraagd om vergoeding van proceskosten in de zin van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van die proceskosten. Het Uwv moet die vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934, - , omdat de gemachtigde van verzoekster een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Krijgt verzoekster een vergoeding van het griffierecht?
  1. De rechtbank wijst erop dat het Uwv verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 385, - te vergoeden.[3]Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot het Uwv wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het Uwv tot betaling van € 934, - aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. Jim Willemse, rechter, in aanwezigheid van mr. R. van Manen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb. - - - ## Voetnoten
Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.