Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:322 - Rechtbank Midden-Nederland - 27 januari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:32227 januari 2026

Uitspraak inhoud

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6549
(gemachtigde: mr. L. Boon),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 14 augustus 2024.
Bij uitspraak van 15 april 2025 heeft deze rechtbank een eerder beroep tegen het niet tijdig beslissen van eiser gegrond verklaard en verweerder opgedragen uiterlijk binnen twee maanden een besluit op bezwaar te nemen.

Overwegingen

  1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig
is. [1]
  1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.[2] De
rechtbank heeft in de uitspraak van 15 april 2025 [UTR 25/1955] een termijn gesteld met daaraan gekoppeld een rechterlijke dwangsom.
  1. De rechtbank stelt vast dat deze termijn al is verstreken. Tot op heden heeft
verweerder niet beslist op het bezwaar van eiseres.
  1. Het beroep is gegrond.
  1. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat
verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
  1. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat hij door een tekort aan
verzekeringsartsen tot op heden nog niet in staat is geweest om het bezwaar binnen de gestelde termijn af te handelen. De rechtbank ziet hier aanleiding om, gezien de omstandigheden die door verweerder zijn genoemd, de beslistermijn vast te stellen op twee maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025[3]. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van deze termijn. Dit betekent dat verweerder binnen twee maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.
  1. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100, - moet betalen voor elke
dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, - . Bij verweerder is geen sprake van weigerachtigheid, maar – onder meer – een ernstig tekort aan menskracht. Ook het belang van eiseres rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een hogere dwangsom niet. Een sterkere prikkel is daarom niet nodig.

Conclusie

  1. Het beroep is gegrond. Het UWV moet binnen een termijn van twee maanden na
verzending van deze uitspraak een beslissing nemen op het bezwaar van eiseres.
  1. Dat betekent ook dat eiser een vergoeding krijgt voor de proceskosten die hij heeft
gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,-.
  1. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 53, - aan eiseres
betalen.

Beslissing

De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond;
**-**vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; - draagt verweerder op binnen twee maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken; - bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100, - moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53, - dat eiseres heeft betaald moet betalen; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 467, - aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van L. El Kabch, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
ECLI:NL:RBMNE:2025:41. - - - ## Voetnoten
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
ECLI:NL:RBMNE:2025:41.