Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:312 - Rechtbank Midden-Nederland - 29 januari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:31229 januari 2026

Uitspraak inhoud

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2578
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel),
en

Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de beslissing op bezwaar van 7 maart 2025 (het bestreden besluit) van de Dienst Toeslagen. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit omdat eiseres kort gezegd vindt dat zij als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire onterecht geen compensatie heeft gekregen vanaf maart 2014 en de daaropvolgende jaren. Eiseres is voor de toeslagenjaren 2013 en januari en februari 2014 wel gecompenseerd.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

  1. De rechtbank oordeelt dat eiseres terecht geen compensatie heeft gekregen vanaf maart 2014 en de daaropvolgende jaren via het hier aan de orde zijnde compensatietraject.
  1. Het staat vast dat de Dienst Toeslagen in 2014 ten aanzien van eiseres vooringenomen heeft gehandeld. Het is verder ook niet in geschil dat eiseres haar kinderopvangtoeslag per maart 2014 heeft stopgezet en vanaf toen haar kinderen ook niet meer naar een geregistreerde kinderopvang heeft gebracht.
  1. Eiseres vindt dat zij moet worden gecompenseerd omdat zij begin 2014 een terugvorderingsbesluit heeft ontvangen van de Dienst Toeslagen en als gevolg daarvan heeft besloten om haar kinderopvangtoeslag en kinderopvang stop te zetten.
  1. De rechtbank stelt vast dat artikel 2.3, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 2.2, onder a, en artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet hersteloperatie toeslagen bepaalt dat er, om aanspraak te kunnen maken op compensatie als gevolg van vooringenomenheid, wel sprake moet zijn van een aanvraag voor kinderopvangtoeslag en er ook daadwerkelijk opvang moet zijn genoten bij een geregistreerde kinderopvang. Het gaat immers om compensatie als gevolg van een beschikking die een direct gevolg is van institutionele vooringenomenheid of de hardheid van de wetsuitvoering, waarbij de compensatie bestaat uit het bedrag dat als gevolg van die beschikking niet is toegekend. Omdat eiseres vanaf maart 2014 geen kinderopvangtoeslag meer heeft aangevraagd en haar kinderen vanaf toen ook niet meer naar een geregistreerde kinderopvang heeft gebracht, is daarvan geen sprake en heeft eiseres geen recht op compensatie via dit compensatietraject.
  1. Voor zover eiseres meent schade te hebben geleden door het terugvorderingsbesluit van de Dienst Toeslagen omdat zij als gevolg daarvan haar kinderopvangtoeslag en kinderopvang heeft stopgezet, terwijl zij dat anders nooit had gedaan, zal eiseres zich tot een ander compensatietraject moeten wenden. Als eiseres aanvullend wil worden gecompenseerd voor deze gevolgschade zal zij zich moeten melden bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS).[1]

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
  1. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2026 door mr. J.A.J. Woutersen, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier.
De griffier is verhinderd dit
proces-verbaal te ondertekenen
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen. - - - ## Voetnoten
Op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen.