Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:1358 - Rechtbank Midden-Nederland - 25 maart 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2026:1358•25 maart 2026
Uitspraak inhoud
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11841703 \ MC EXPL 25-4553
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
[eiser] N.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. D.M. van Ralen, werkzaam bij DKV Deurwaarderskantoor Visser,
tegen
[gedaagde] , H.O.D.N. [handelsnaam],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. H.A. van Beilen, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand.
1 De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 11 augustus 2025 met producties 1 tot en met 8; - de conclusie van antwoord, met een eis in reconventie, met producties 1 tot en met 7; - de conclusie van antwoord in reconventie; - de akte van [gedaagde] met producties 8 en 9; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; - de mondelinge behandeling van 25 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2. Ten slotte is bepaald dat er een vonnis wordt gewezen.
2 De kern van de zaak
2.1. [eiser] heeft met [gedaagde] een leaseovereenkomst gesloten ter zake twee aircomachines. [eiser] stelt dat [gedaagde] een betalingsachterstand in de leasetermijnen heeft laten ontstaan. Zij heeft de leaseovereenkomst daarom ontbonden en vordert in deze procedure afgifte van de aircomachines en als schadevergoeding alle toekomstige leasetermijnen. [gedaagde] is het daar niet mee eens. Het is volgens hem aan [eiser] te wijten dat de leasetermijnen niet zijn geïncasseerd. De termijnen heeft hij later alsnog betaald. Omdat de aircomachines volgens [gedaagde] allerlei gebreken vertonen, vordert hij in reconventie ontbinding van de leaseovereenkomst. De kantonrechter geeft [gedaagde] gelijk.
3 De beoordeling
In conventie
Inleiding
3.1. Op 13 oktober 2023 heeft [eiser] met [gedaagde] een operational leaseovereenkomst gesloten ter zake twee aircomachines. De leaseprijs moet per maand vooruit worden betaald.
3.2. Vast staat dat de leasetermijnen van de maanden februari en maart 2025 niet op tijd zijn betaald, waardoor een betalingsachterstand van € 376,84 is ontstaan.
3.3. [eiser] stelt dat zij [gedaagde] in februari en maart 2025 drie sommatiebrieven heeft gestuurd, maar dat betaling desondanks uitbleef. Daarop heeft zij bij brief van 16 april 2025 de leaseovereenkomst ontbonden.
3.4. In deze procedure vordert [eiser] betaling van alle toekomstige leasetermijnen van totaal € 9.238,19, afgifte van de twee aircomachines en een contractuele boete van € 912,00. Daarvoor beroept zij zich op artikel 11 van de op de leaseovereenkomst toepasselijke algemene voorwaarden. In dat artikel staat dat als de lessee ( [gedaagde] ) zijn verplichtingen niet volledig en/of niet tijdig nakomt hij direct in verzuim is en de lessor ( [eiser] ) het recht heeft de overeenkomst te ontbinden. Bij ontbinding heeft de lessor recht op een schadevergoeding bestaande uit de achterstallige en alle toekomstige leasetermijnen. Bovendien moet de lessee in dat geval het leaseobject teruggeven en als hij dat niet (tijdig) doet een boete betalen.
Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [eiser] een beroep doet op artikel 11 van de algemene voorwaarden
3.5. [gedaagde] is het met de vorderingen niet eens. Hij betwist ten eerste in verzuim te zijn geraakt. Hij stelt dat is afgesproken dat de leasetermijnen met een automatische incasso door [eiser] van zijn rekening zouden worden afgeschreven. Dit maakt dat volgens [gedaagde] geen sprake is van een fatale termijn. Bovendien heeft [eiser] in de maanden februari en maart 2025 nagelaten de leasetermijnen van zijn rekening af te schrijven, terwijl er wel voldoende saldo op de rekening stond. [gedaagde] betwist verder dat hij de sommatiebrieven heeft ontvangen.
3.6. Partijen twisten over de vraag wat de oorzaak is van het mislukken van de automatische incasso's. Voorop moet gesteld worden dat het de verantwoordelijkheid van [gedaagde] is om zorg te dragen voor voldoende saldo op de bankrekening. [eiser] stelt dat er onvoldoende saldo was. [gedaagde] betwist dit, en stelt feitelijk dat [eiser] de automatische incasso niet of niet deugdelijk heeft uitgevoerd.
3.7. Nu partijen verschillende lezingen hebben over de oorzaak van het mislukken van de automatische incasso's, staat dit niet vast. De kantonrechter laat dit verder in het midden. Ongeacht de oorzaak van de mislukte automatische incasso's is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] in de gegeven omstandigheden niet tot ontbinding van de leaseovereenkomst kon overgaan. Daarvoor is het volgende redengevend.
3.8. [gedaagde] stelt dat de tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt. Hij wijst erop dat er slechts twee leasetermijnen niet op tijd zijn betaald, dat dit het gevolg was van een mislukte automatische incasso, dat hij de sommatiebrieven niet heeft ontvangen en dat hij – nadat hij bekend werd met de achterstand – direct tot betaling is overgegaan.
3.9. De kantonrechter overweegt als volgt. In artikel 6:265 lid 1 BW is bepaald dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Deze bepaling is van regelend recht. Partijen kunnen daarvan dus afwijken en dat hebben zij gedaan in artikel 11 van de algemene voorwaarden. Daarin staat namelijk dat [eiser] de bevoegdheid heeft om de leaseovereenkomst te ontbinden bij elke tekortkoming van [gedaagde] . Dat de tekortkoming de ontbinding ook moet rechtvaardigen – de tenzij-bepaling uit artikel 6:265 lid 1 BW – hebben partijen niet overgenomen. Dit betekent dat het verweer van [gedaagde] in zoverre niet slaagt.
3.10. De rechter moet op grond van artikel 25 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de rechtsgronden aanvullen. Naar het oordeel van de kantonrechter kunnen de door [gedaagde] aangevoerde feiten het door hem ingeroepen rechtsgevolg – te weten dat [eiser] de leaseovereenkomst niet kan ontbinden – wel op een andere juridische grondslag rechtvaardigen.
3.11. Uit artikel 6:248 lid 2 BW volgt dat een tussen partijen overeengekomen regel niet van toepassing is, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Deze maatstaf moet terughoudend worden toegepast. Alle omstandigheden van het geval zijn van belang. Deze beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid maakt naar het oordeel van de kantonrechter dat [eiser] in de gegeven omstandigheden geen beroep kan doen op de ontbindingsbevoegdheid uit artikel 11 van de algemene voorwaarden.
3.12. Vast staat dat de automatische incasso's van de maanden februari en maart 2025 met een relatief laag totaalbedrag van € 376,84 niet zijn gelukt. De oorzaak daarvan staat niet vast. Ook staat niet vast dat [gedaagde] de door [eiser] overgelegde sommatiebrieven uit februari en maart 2025 heeft ontvangen. [gedaagde] heeft namelijk betwist die te hebben ontvangen. In zo'n geval ligt het gelet op de ontvangsttheorie uit artikel 3:37 lid 3 BW op de weg van de afzender om feiten of omstandigheden te stellen en te bewijzen waaruit volgt dat de sommaties door haar zijn verzonden en door de geadresseerde zijn ontvangen. Omdat de sommaties niet aangetekend zijn verzonden, valt niet met zekerheid vast te stellen dat [gedaagde] deze heeft ontvangen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] gesteld dat de sommaties ook naar het e-mailadres [e-mailadres] zijn gestuurd. Afschriften van deze e-mails zijn echter niet overgelegd en bovendien heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij geen toegang meer heeft tot dit e-mailadres. [gedaagde] heeft wel erkend dat hij het exploot van 22 april 2025 heeft ontvangen, waarin de ontbindingsbrief van 16 april 2025 door de deurwaarder aan hem is bezorgd. Gelet op het voorgaande moet ervan worden uitgegaan dat dit de eerste brief is die [gedaagde] heeft bereikt. Hij heeft kort daarna telefonisch contact opgenomen met [eiser] en heeft op 26 april 2025 € 550,00 betaald. Daarmee was de achterstand volledig ingelost en is ook betaald voor rente en kosten.
3.13. Relevant is ook dat in deze zaak weliswaar sprake van een overeenkomst tussen twee partijen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf, maar er een duidelijk verschil tussen partijen bestaat. [eiser] is aan te merken als een grotere professionele organisatie die deskundig is op het gebied van (operational) lease en als hoofdactiviteit het afsluiten van leasecontracten heeft. [gedaagde] daarentegen exploiteert een onderneming die zich bezighoudt met de verkoop en het onderhoud van tweedehands auto's. Niet gebleken is dat [gedaagde] vaker leaseovereenkomsten als de onderhavige afsluit. Onder deze omstandigheden kan niet worden gesproken van een gelijkwaardige positie tussen partijen. [gedaagde] heeft dan ook geen (sterke) onderhandelingspositie gehad tegenover [eiser] ten aanzien van de algemene voorwaarden, meer in het bijzonder artikel 11.
3.14. Onder deze omstandigheden vindt de kantonrechter het – ook met inachtneming van de vereiste terughoudendheid – naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [eiser] een beroep doet op artikel 11 van de algemene voorwaarden, dat wil zeggen dat zij de leaseovereenkomst ontbindt met het zeer ingrijpende gevolg dat [gedaagde] alle toekomstige leasetermijnen moet betalen (ruim negenduizend euro) terwijl [gedaagde] ook de geleasede machines onmiddellijk moet teruggeven en daar dus geen profijt meer van heeft. Van betalingsonwil van [gedaagde] is niet gebleken. Vast staat slechts dat de automatische incasso van twee leasetermijnen niet is gelukt. De reden daarvan staat in deze zaak niet vast. De twee leasetermijnen zijn later, zodra [gedaagde] daarvan op de hoogte raakte, alsnog vrijwel direct door hem betaald en er is ook betaald voor rente en kosten. De gevolgen die [eiser] onder deze specifieke omstandigheden aan het missen van twee leasetermijnen verbindt, gaan naar het oordeel van de kantonrechter veel te ver.
De vorderingen van [eiser] worden afgewezen
3.15. De conclusie is dat [eiser] de leaseovereenkomst niet rechtsgeldig heeft ontbonden. Dat betekent dat de leaseovereenkomst op dit moment nog bestaat. De door [eiser] gevorderde 1) verklaring voor recht dat de leaseovereenkomst is ontbonden, 2) betaling van alle toekomstige leasetermijnen, 3) afgifte van de aircomachines met een dwangsom en 4) betaling van een contractuele boete wegens het niet tijdig inleveren van de aircomachines worden daarom afgewezen. De 5) gevorderde rente en de 6) buitengerechtelijke kosten komen als nevenvorderingen ook niet voor toewijzing in aanmerking.
[eiser] moet de proceskosten betalen
3.16. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
In reconventie
De kantonrechter ontbindt de leaseovereenkomst
3.17. [gedaagde] heeft een tegenvordering ingesteld. Hij vordert ontbinding van de leaseovereenkomst. Daaraan legt hij het volgende ten grondslag. Kort na de levering vertoonden de aircomachines allerlei gebreken. Lekkages werden bijvoorbeeld niet opgespoord, er zat vaak te weinig of geen aircomiddel in het systeem en er lekt gas. [gedaagde] heeft de aircomachines hierdoor al minstens een half jaar niet gebruikt. Hij heeft daarover meermaals geklaagd bij de leverancier van de aircomachines, [leverancier] , maar dit heeft niet tot een oplossing geleid. Ook een ingebrekestelling heeft geen effect gehad, waardoor [eiser] in verzuim is geraakt.
3.18. [eiser] heeft de door [gedaagde] aangevoerde gebreken aan de aircomachines niet betwist. Dit betekent dat zij is tekortgeschoten in de nakoming van de leaseovereenkomst. Ook heeft zij niet betwist in verzuim te zijn geraakt. [eiser] heeft enkel gesteld dat zij de overeenkomst eerder zelf al had ontbonden, maar dat is – gelet op de beoordeling in conventie – niet juist. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] nog aangevoerd dat [gedaagde] zich ter zake de gebreken aan de aircomachines niet tot haar heeft gewend. Dit betekent echter niet [eiser] niet in verzuim is geraakt. Uit artikel 7 van de algemene voorwaarden volgt immers dat [gedaagde] zich ter zake gebreken aan en non-conformiteit van het leaseobject tot de leverancier ( [leverancier] ) moet wenden, en dus niet tot [eiser] . Dat heeft [gedaagde] gedaan.
3.19. Het voorgaande betekent dat [gedaagde] op grond van artikel 6:265 BW de bevoegdheid heeft de leaseovereenkomst te ontbinden. Hij vordert dat de kantonrechter de ontbinding uitspreekt. Dat zal de kantonrechter op grond van artikel 6:267 lid 2 BW doen en wel per de datum van dit vonnis.
[eiser] moet de proceskosten betalen
3.20. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
4 De beslissing
De kantonrechter
in conventie
4.1. wijst de vorderingen af;
4.2. veroordeelt [eiser] N.V. in de proceskosten van € 1.008,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
4.3. verklaart de proceskostenveroordeling onder 4.2 uitvoerbaar bij voorraad;
in reconventie
4.4. ontbindt de tussen partijen bestaande leaseovereenkomst ter zake de twee aircomachines per de datum van dit vonnis;
4.5. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 288,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
4.6. verklaart de proceskostenveroordeling onder 4.5 uitvoerbaar bij voorraad;
in conventie en reconventie
4.7. veroordeelt [eiser] tot betaling van de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.
45353