Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:1355 - Rechtbank Midden-Nederland - 26 maart 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2026:1355•26 maart 2026
Uitspraak inhoud
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/607035 / KG ZA 26-75
Vonnis in kort geding van 26 maart 2026
in de zaak van
1 [eiser sub 1] B.V.,
te [plaats 1] ,2. [eiser sub 2] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in voorwaardelijke reconventie,
hierna samen te noemen: [eisers c.s] ,
advocaten: mr. E. Meering en mr. M. Dekkers,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaten: mr. L.H.K. Peereboom-Bogers en mr. D. L. Vissers.
1 De procedure
1.1. De voorzieningenrechter beschikt over de volgende stukken: - de dagvaarding en 13 producties, - de conclusie van antwoord, tevens voorwaardelijke eis in reconventie, en 6 producties, - de pleitnota van [eiser sub 1] , - de pleitnota van [gedaagde] .
1.2. De mondelinge behandeling heeft op 5 maart 2026 plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en op vragen van de voorzieningenrechter en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. De voorzieningenrechter heeft meegedeeld dat uiterlijk op 19 maart 2026 uitspraak wordt gedaan. Die datum is helaas niet gehaald.
2 De kern van de zaak
[eiser sub 1] heeft in Frankrijk een procedure aangespannen tegen de vennootschap [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ). Voor de bewijslevering in die procedure heeft zij stukken nodig die [gedaagde] heeft. [gedaagde] is van mening dat zij de gevraagde informatie niet hoeft te geven. [gedaagde] krijgt in deze procedure gelijk.
3 Achtergrond
3.1. [eiser sub 1] is een handelsagent in bloemen en andere tuinartikelen. Zij was van september 2015 tot december 2019 exclusief handelsagent in Frankrijk voor [gedaagde] . In 2016 is [eiser sub 1] gaan samenwerken met tussenagent [bedrijf 3] . Voor die samenwerking hebben zij de vennootschap [bedrijf 2] opgericht. In 2019 heeft [gedaagde] de agentuurovereenkomst met [eiser sub 1] opgezegd en is [bedrijf 3] via zijn eigen bedrijf [bedrijf 1] exclusief handelsagent geworden voor [gedaagde] in Frankrijk. [eiser sub 1] is daarop een procedure begonnen tegen [gedaagde] . Die procedure is beëindigd met een vaststellingsovereenkomst waarin partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] [eiser sub 1] tegen finale kwijting financieel heeft gecompenseerd voor het beëindigen van de agentuurovereenkomst.
3.2. [eiser sub 1] heeft vervolgens in Frankrijk een procedure aangespannen tegen [bedrijf 1] , waarin zij [bedrijf 1] aansprakelijk heeft gesteld voor de schade die zij lijdt / heeft geleden door het verlies van haar positie als exclusief handelsagent voor [gedaagde] . In die procedure heeft [eiser sub 1] in eerste aanleg gelijk gekregen en is [bedrijf 1] veroordeeld tot betaling van schadevergoeding. In hoger beroep is die uitspraak echter vernietigd en is [eiser sub 1] opgedragen om haar schade nader te onderbouwen. Daarvoor stelt [eiser sub 1] stukken nodig te hebben, waar behalve [bedrijf 1] ook [gedaagde] over beschikt.
4 De beoordeling
In conventie
De procedure is niet onjuist ingeleid
4.1. [gedaagde] stelt dat [eiser sub 1] heeft gekozen voor een onjuiste procesinleiding en dat de dagvaardingsprocedure moet worden omgezet naar een verzoekschriftprocedure. Volgens [gedaagde] moet een verzoek tot inzage/afgifte van gegevens op grond van artikel 195a Rv (een verzoek aan een derde) ingeleid worden met een verzoekschrift. De voorzieningenrechter volgt [gedaagde] niet in deze stelling.
4.2. In de Memorie van Toelichting (MvT) staat het volgende:
"In de nieuwe inzageregeling staat voorop dat een partij zonder tussenkomst van de rechter aanspraak kan maken op inzage zowel tegenover de wederpartij bij een rechtsbetrekking als tegenover een derde. Als de wederpartij of de derde niet aan het informatieverzoek wil meewerken of tussen partijen discussie ontstaat over de aanspraak op inzage, kan een partij het recht op inzage bij de rechter afdwingen via een verzoek om een voorlopige bewijsverrichting of in spoedeisende gevallen bij de voorzieningenrechter." [1]
Hieruit blijkt dat de wetgever ook onder het nieuwe inzagerecht de mogelijkheid open heeft willen houden om in spoedeisende gevallen inzage/afgifte via een kortgedingprocedure af te dwingen. Van deze mogelijkheid heeft [eiser sub 1] gebruik gemaakt. Dat de wetgever voor het instellen van een kortgeding onderscheid heeft willen maken tussen een verzoek aan de wederpartij of een verzoek aan een derde blijkt hier niet uit. In het deel van de MvT dat specifiek gaat over verzoeken tot inzage via de rechter (op grond van artikel 195 of 195a jo. artikel 194 Rv) ziet de voorzieningenrechter bevestigd dat de wetgever voor een verzoek aan een derde niet van dit algemene uitgangspunt heeft willen afwijken. Daarin staat namelijk: "Het verzoek om inzage kan in de dagvaarding of het verzoekschrift worden gedaan of later bij afzonderlijke conclusie."[2] Zie ook de overwegingen onder 5.8 en 5.9 in de conclusie bij het arrest van de Hoge Raad van 6 februari 2026.[3]
4.3. Verder blijkt uit de hiervoor aangehaalde bronnen dat de artikelen 195 en 195a Rv zijn bedoeld voor het opvragen van informatie tijdens een lopende procedure.[4] Hoewel deze artikelen in de MvT worden besproken in de context van een Nederlandse gerechtelijke procedure, lijkt de wetgever de toepasselijkheid van deze artikelen bij een lopende procedure in het buitenland niet te hebben willen uitsluiten. Dat maakt de voorzieningenrechter op uit pagina 44 van de MvT waarin het volgende staat:
"Op de vraag in de consultatie of om een voorlopige bewijsverrichting kan worden verzocht als een procedure in het buitenland loopt of een arbitragegeding aanhangig is gemaakt, wordt opgemerkt dat de toegang tot de Nederlandse overheidsrechter openstaat voor partijen die de burgerlijke rechter om een voorlopige bewijsverrichting willen verzoeken, op voorwaarde dat de Nederlandse overheidsrechter rechtsmacht toekomt (en geen procedure over het geschil bij de overheidsrechter in behandeling is)."[5]
4.4. Dat dit ook geldt voor het inzagerecht volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter uit de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever om het nieuwe inzagerecht te laten aansluiten bij de andere bewijsverrichtingen.[6] De voorzieningenrechter is dus vooralsnog van oordeel dat de artikelen 195 en 195a Rv ook van toepassing zijn als het gaat om inzage in gegevens die van belang zijn voor bewijslevering in een buitenlandse procedure, mits aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt en er niet al een procedure over het geschil loopt bij de Nederlandse rechter. Aan die voorwaarden is in dit geval voldaan.
4.5. Al met al komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat er geen sprake is van een onjuiste procesinleiding.
De wederpartij van [eiser sub 1] in de Franse procedure hoeft niet opgeroepen te worden
4.6. [gedaagde] stelt verder dat de wederpartij van [eiser sub 1] in de Franse procedure als belanghebbende had moeten worden opgeroepen. Dat zou inderdaad het geval zijn als er sprake zou zijn geweest van een verzoekschriftprocedure. Dat is echter niet het geval. Voor zover [gedaagde] betoogt dat een dergelijke oproep ook in een kortgedingprocedure moet plaatsvinden, ziet de voorzieningenrechter in wat [gedaagde] heeft aangevoerd geen aanknopingspunten die dat standpunt onderbouwen. Een dergelijke oproep is naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook moeilijk te verenigen met het spoedeisende karakter van een kortgedingprocedure.
Spoedeisend belang
4.7. Voor een kort geding is een spoedeisend belang vereist. [eiser sub 1] stelt dat zij de opgevraagde stukken nodig heeft voor 2 april 2026, omdat zij uiterlijk op die datum proceshandelingen moet verrichten in de procedure die zij in Frankrijk heeft lopen. [gedaagde] betwist dat er sprake is van spoedeisendheid, omdat dat niet blijkt uit het door [eiser sub 1] overgelegde bericht van het Franse Cour d'appel de Versailles (productie 11). Tijdens de zitting heeft [eiser sub 1] daar op gereageerd en zij heeft toegelicht dat uit de voetnoot bij dat bericht blijkt dat de deadline van 2 april 2026 ook voor andere proceshandelingen geldt dan het in het bericht genoemde KBIS-uittreksel en kopie van een identiteitsbewijs. Hoewel [eiser sub 1] met deze toelichting de bij de voorzieningenrechter bestaande twijfel hierover en over eventuele uitstelmogelijkheden voor het verrichten van proceshandelingen niet geheel weg heeft kunnen nemen, acht de voorzieningenrechter wat [eiser sub 1] heeft aangevoerd voldoende om in kort geding te worden ontvangen. De voorzieningenrechter gaat er echter op basis van de door [eiser sub 1] aangehaalde voetnoot wel van uit dat de deadline voor het aanleveren van andere processtukken 15 dagen voor 5 mei 2026 ligt, dus op 20 april 2026.
De vordering tot afgifte van afschriften van de opgevraagde stukken wordt afgewezen
4.8. Voor het opvragen van gegevens bij een wederpartij en bij een derde gelden de vereisten van artikel 194, eerste lid Rv. Daarin staat dat een partij bij een rechtsbetrekking recht heeft op inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking tegenover degene die over deze gegevens beschikt. Voor het recht op inzage, afschrift of uittreksel moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Ten eerste moet degene die informatie van een ander verlangt, partij zijn bij een rechtsbetrekking. Daarnaast moet de verlangde informatie voldoende bepaald zijn en voorts moet een partij een voldoende belang hebben bij haar informatieverzoek.
[eiser sub 1] is partij bij een rechtsbetrekking
4.9. Deze voorwaarde moet ruim worden opgevat. Daarvoor is niet nodig dat degene die inzage vraagt eerst voldoende aannemelijk moet maken dat zij een vorderingsrecht heeft. Tussen [eiser sub 1] en [bedrijf 1] is een procedure in hoger beroep aanhangig over de aansprakelijkheid van [bedrijf 1] voor schade die [eiser sub 1] lijdt of heeft geleden als gevolg van het feit dat door toedoen van [bedrijf 1] de exclusieve handelsovereenkomst van [eiser sub 1] met [gedaagde] is geëindigd. Hiermee staat voor de voorzieningenrechter voldoende vast dat er sprake is van een rechtsbetrekking tussen [eiser sub 1] en [bedrijf 1] . Zeker nu de rechter in eerste aanleg de vordering van [eiser sub 1] tot betaling van schadevergoeding heeft toegewezen.
Het merendeel van de gevraagde gegevens is voldoende bepaald
4.10. Hierbij moet het gaan om bepaalde gegevens die relevant zijn voor de rechtsbetrekking waarbij de informatieverzoeker partij is. Het informatieverzoek moet dus voldoende nauwkeurig worden afgebakend onder aanduiding van het geschil of het feitencomplex met het oog waarop de informatie wordt opgevraagd. [eiser sub 1] vordert afgifte van:
4.11. Met uitzondering van de onder iii. en v. gevraagde informatie (die is te ruim geformuleerd), acht de voorzieningenrechter de informatie waarom [eiser sub 1] vraagt relevant voor het leveren van bewijs in de Franse procedure over de schade die [eiser sub 1] stelt te hebben geleden door het handelen van [bedrijf 1] .
[eiser sub 1] heeft onvoldoende belang bij haar verzoek
4.12. Bij het inzageverzoek dat is gericht tot een derde die geen partij is bij de rechtsbetrekking, kan voldoende belang bij het inzageverzoek ontbreken als de gegevens waarvan inzage wordt verzocht ook bij de wederpartij kunnen worden opgevraagd. Voor de beoordeling door die derde of zij moet voldoen aan het informatieverzoek, mag van de informatieverzoeker een heldere en conrete omschrijving van haar belang worden verlangd.[7]
4.13. De gegevens die [eiser sub 1] bij [gedaagde] opvraagt gaan over de exclusieve handelsovereenkomst met [bedrijf 1] , die in de plaats is gekomen van de exclusieve handelsovereenkomst die [gedaagde] had met [eiser sub 1] . Aangenomen mag dus worden dat [bedrijf 1] wat dat betreft over precies dezelfde gegevens beschikt als [gedaagde] . Dat wordt door [eiser sub 1] ook niet betwist. Voor de beantwoording van de vraag of [eiser sub 1] voldoende belang heeft bij het inzageverzoek aan [gedaagde] is daarom van belang of zij de verlangde informatie heeft opgevraagd bij haar wederpartij [bedrijf 1] en wat zij heeft ondernomen om [bedrijf 1] te bewegen die gegevens te verstrekken.
4.14. [eiser sub 1] stelt dat ze de informatie eerst bij [bedrijf 1] heeft opgevraagd, maar dat zij geen reactie heeft ontvangen. Ter onderbouwing van die stelling heeft [eiser sub 1] productie 13 overgelegd. Dat is een brief aan [bedrijf 1] van 9 januari 2026, waarin [eiser sub 1] grotendeels dezelfde informatie opvraagt die zij nu van [gedaagde] vraagt. Het gaat om één enkele brief, met een reactietermijn van slechts 8 dagen. Op 21 januari 2026, dus vrijwel direct na afloop van die termijn, heeft [eiser sub 1] een inzageverzoek gericht aan [gedaagde] . Op de vraag van de voorzieningenrechter waarom er slechts één brief aan [bedrijf 1] is gestuurd en of [eiser sub 1] verder nog actie heeft ondernomen richting [bedrijf 1] , heeft [eiser sub 1] geantwoord dat de advocaat die haar in de Franse procedure bijstaat heeft gezegd dat zij de informatie bij [gedaagde] moest opvragen. Waarom er niet voor is gekozen om eerst een sommatie te sturen aan [bedrijf 1] , terwijl dat wel voor de hand had gelegen, heeft [eiser sub 1] niet duidelijk weten te maken. Verder heeft zij met geen enkel woord gerept over de mogelijkheid (of wellicht onmogelijkheid) om [bedrijf 1] in Frankrijk via de rechter tot afgifte te dwingen. Omdat [eiser sub 1] ervoor heeft gekozen om een derde met haar inzageverzoek te belasten, had zij beter moeten uitleggen waarom van haar niet verlangd kan worden dat zij eerst de haar ter beschikking staande mogelijkheden ten opzichte van [bedrijf 1] benut. Voor zover [eiser sub 1] meent dat de deadline van 2 april 2026 (of eigenlijk 20 april 2026) dat niet toeliet, merkt de voorzieningenrechter op dat al in 2 december 2025 duidelijk was dat van [eiser sub 1] nadere bewijslevering werd verwacht. Zij had de informatie dus al een maand eerder bij [bedrijf 1] kunnen opvragen. Bovendien was op 9 januari 2026 de deadline van 2 april dan wel 20 april 2026 nog niet aan de orde en was er dus (nog) geen enkele reden om niet eerst [bedrijf 1] via een sommatie of anderszins tot afgifte te bewegen. Zoals gezegd, heeft [eiser sub 1] niet uitgelegd waarom ze dat niet heeft gedaan.
4.15. Verder is gebleken dat [eiser sub 1] wel kans heeft gezien om een conclusie in te dienen met meer dan 100 producties ter onderbouwing van haar schade in de Franse procedure. Gelet op deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiser sub 1] haar belang bij het inzageverzoek onvoldoende heeft onderbouwd. Het argument van [gedaagde] dat partijen in deze procedure eerder - in 2021 - tegen finale kwijting afscheid van elkaar hebben genomen en dat alleen daarom al de vordering niet kan worden toegewezen kan bij deze stand van zaken onbesproken blijven.
Conclusie
4.16. [eiser sub 1] voldoet niet aan alle voorwaarden die artikel 194 Rv stelt aan het recht op inzage dan wel afgifte. De vorderingen van [eiser sub 1] worden daarom afgewezen.
De proceskosten
4.17. [eiser sub 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [gedaagde] betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
In reconventie
4.18. Omdat de voorwaarde voor de vorderingen in voorwaardelijke reconventie niet is vervuld, worden die onbesproken gelaten. De voorzieningenrechter ziet ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in reconventie.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie
5.1. wijst de vorderingen af;
5.2. veroordeelt [eiser sub 1] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten van € 2.101,-, te betalen binnen veertien dagen na betekening. Als [eiser sub 1] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 98, - extra betalen, plus de kosten van betekening,
5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Wachter als voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. G. Delissen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026 door mr. N.A.J. Purcell.
Kamerstukken II 2019-2020, 35 498, nr. 3 (MvT), p. 13.
Kamerstukken II 2019-2020, 35 498, nr. 3 (MvT), p. 53.
ECLI:NL:PHR:2025:996, Parket bij de Hoge Raad, 25/02135 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:PHR:2025:996), ro 5.8 en 5.9 laatste zin.
"5.8 Voortbouwend op art. 194 Rv bepaalt art. 195 lid 1 Rv dat de rechter op verzoek van een partij de wederpartij kan bevelen tot het verstrekken van gegevens, waarbij de voorwaarden en uitzonderingen van art. 194 Rv gelden. De rechter bepaalt de voorwaarden waaronder een verzoek wordt toegewezen (art. 195 lid 2 Rv). Een regeling voor de situatie dat gegevens zich bevinden bij een derde is te vinden in art. 195a Rv."
"5.9 Een verzoek tot inzage op grond van art. 195 jo. art. 194 Rv of, als het gaat om gegevens bij een derde, op grond van art. 195a jo. art. 194 Rv, is bedoeld voor informatieverzoeken tijdens een lopende procedure. Het verzoek om inzage kan in de dagvaarding of het verzoekschrift worden gedaan of later bij afzonderlijke conclusie. Dezelfde mogelijkheid heeft de verweerder in zijn conclusie van antwoord of verweerschrift of later bij incidentele conclusie."
ECLI:NL:PHR:2025:996, Parket bij de Hoge Raad, 25/02135 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:PHR:2025:996) ro 5.9 eerste zin.
Kamerstukken II 2019-2020, 35 498, nr. 3 (MvT), p. 44.
Kamerstukken II 2019-2020, 35 498, nr. 3 (MvT), p. 43
Kamerstukken II 2019-2020, 35 498, nr. 3 (MvT), p. 49. Daar wordt het volgende opgemerkt: "Bij het inzageverzoek dat is gericht tot een derde die geen partij is bij de rechtsbetrekking, kan voldoende belang bij het inzageverzoek ontbreken als de gegevens waarvan inzage wordt verzocht ook bij de wederpartij kunnen worden opgevraagd. Voor de beoordeling door die derde of zij moet voldoen aan het informatieverzoek, mag van de informatieverzoeker worden verlangd dat hoe verder die derde buiten de rechtsbetrekking van partijen staat, hoe helderder en concreter zij haar belang bij het verzoek en het (potentiële of ontstane) geschil omschrijft." - - - ## Voetnoten