Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:1354 - Rechtbank Midden-Nederland - 26 maart 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2026:1354•26 maart 2026
Uitspraak inhoud
RECHTBANK
**MIDDEN-NEDERLAND**
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 12031162 \ UE VERZ 25-401
Beschikking van 26 maart 2026
in de zaak van
[verzoekster],
wonend in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in de tegenverzoeken,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: de heer [gemachtigde] ,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in de tegenverzoeken,
hierna te noemen: [verweerster] ,
gemachtigde: mr. A.G.M. Dera-ten Bokum.
1 De procedure
1.1. De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken: - het verzoekschrift met producties 1 tot en met 7; - het verweerschrift met zelfstandige tegenverzoeken met producties 1 tot en met 48.
1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 februari 2026. Daarbij is [verzoekster] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Namens [verweerster] was de heer [A] , business controller finance aanwezig, bijgestaan door de gemachtigde.
Beide partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij namens [verzoekster] gebruik is gemaakt van spreekaantekeningen. Partijen hebben de vragen van de kantonrechter beantwoord en zij hebben op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
1.3. Door [verweerster] is voorafgaand aan de mondelinge behandeling nog een aanvullende productie 49 overgelegd. Namens [verzoekster] is bezwaar gemaakt tegen het late tijdstip van indiening van deze productie. De kantonrechter heeft, gelet op dit bezwaar, deze productie buiten beschouwing gelaten.
1.4. De kantonrechter heeft de uitspraak bepaald op vandaag.
2 De kern van de zaak
[verzoekster] werkt sinds 1 oktober 2022 bij [verweerster] in de functie van [functie] . [verweerster] is een uitzendbureau dat zich richt op het vinden van werk voor werkzoekenden.
[verzoekster] is op 23 oktober 2025 op staande voet ontslagen. Zij is het met dit ontslag op staande voet niet eens en zij verzoekt in deze procedure een verklaring voor recht dat het ontslag op staande voet onterecht is gegeven en zij maakt aanspraak op verschillende vergoedingen. Bij zelfstandig tegenverzoek verzoekt [verweerster] om [verzoekster] te veroordelen tot betaling van € 32.500, - aan terugbetaling van een voorgeschoten bedrag en verbeurde contractuele boetes. De kantonrechter wijst de verzoeken van [verzoekster] af, omdat de kantonrechter van oordeel is dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven. De tegenverzoeken worden door de kantonrechter toegewezen.
3 De beoordeling van de verzoeken
in de verzoeken van [verzoekster]
Het ontslag op staande voet
3.1. [verweerster] heeft [verzoekster] op 23 oktober 2025 op staande voet ontslagen. Een ontslag op staande voet is rechtsgeldig wanneer er een dringende reden is en de werkgever de arbeidsovereenkomst om die dringende reden onverwijld heeft opgezegd onder onverwijlde mededelingvan die dringende reden aan de werknemer.
Dringende reden
3.2. Uit de wet volgt dat als dringende reden beschouwd worden zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
3.3. Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij worden ook de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals de leeftijd, de aard en duur van het dienstverband, de wijze waarop de werknemer tijdens het dienstverband heeft gefunctioneerd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor de werknemer zou hebben, betrokken. Ook als zo'n ontslag grote gevolgen heeft voor de werknemer, kan dat ontslag toch gerechtvaardigd zijn, met name vanwege de aard en de ernst van de dringende reden.
3.4. Uit de ontslagbrief van 23 oktober 2025 blijkt dat de dringende reden gelegen is in het niet nakomen van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst, waardoor het vertrouwen dat noodzakelijk is voor voortzetting van het dienstverband is komen te vervallen. [verweerster] legt verschillende verwijten ten grondslag aan deze dringende reden. Het gaat daarbij, volgens [verweerster] , om: - betrokkenheid bij (voorbereidende) werkzaamheden en/of de bedrijfsvoering van de onderneming van [B] ( [bedrijf 1] ), een onderneming waarvan [verzoekster] weet dat deze onrechtmatig met [verweerster] concurreert; - een in strijd met de waarheid afgelegde verklaring van [verzoekster] dat ze niets van doen heeft met de onderneming van [B] ; - betrokkenheid bij de onderneming van [B] in de periode dat [verzoekster] arbeidsongeschikt was bij [verweerster] en zij had aangegeven geen werkzaamheden voor [verweerster] te kunnen verrichten en ook geen contact met [verweerster] te kunnen onderhouden; - het niet loyaal hebben gehandeld aan [verweerster] ; - het niet integer hebben gehandeld naar [verweerster] .
3.5. De kantonrechter overweegt dat de aan [verzoekster] verweten gedragingen onder de gegeven omstandigheden een dringende reden opleveren voor een ontslag op staande voet. De kantonrechter overweegt daarover als volgt.
3.6. In haar functie als [functie] bij [verweerster] verrichtte [verzoekster] werkzaamheden rond de administratieve verwerking van uitzendovereenkomsten, zoals verzuim, ziekmeldingen, contract - en salarisadministratie en facturen voor klanten. Zij had in die rol toegang tot verschillende systemen en bedrijfsvertrouwelijke informatie.
3.7. In de arbeidsovereenkomst tussen [verweerster] en [verzoekster] is onder meer de volgende bepaling opgenomen:
"9.1. Behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van de werkgever, zal werkneemster naast haar dienstbetrekking geen al dan niet gehonoreerde nevenfuncties uitoefenen. Voorst dient werkneemster zicht te onthouden van het verrichten van werkzaamheden voor eigen rekening, tenzij hij daartoe schriftelijk toestemming van werkgever heeft gekregen."
3.8. [verzoekster] 's partner, [B] , was van 17 januari 2022 tot 1 mei 2025 als [functie] in dienst bij [verweerster] . In maart 2025 hebben [verweerster] en [B] afspraken gemaakt over de beëindiging van het dienstverband per 1 mei 2025 en de voorwaarden waaronder [B] daarna zijn werkzaamheden mocht voortzetten. Deze afspraken zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. Eén van de afspraken was dat [B] tot 1 mei 2026 geen zakelijke contacten mocht hebben met klanten/relaties van [verweerster] en ook niet met medewerkers en uitzendkrachten van [verweerster] . Rond het moment van vertrek van [B] ontvangt [verweerster] concrete signalen dat [B] in de laatste periode van zijn dienstverband bij [verweerster] concurrerende activiteiten ontplooit, waarbij hij de bewuste afspraken uit de vaststellingsovereenkomst zou schenden. [verweerster] is hierover in gesprek gegaan met [B] .
3.9. Ook met [verzoekster] is [verweerster] op 7 mei 2025 in gesprek gegaan. Dit vanwege de affectieve relatie tussen [verzoekster] en [B] en hierbij is het risico besproken van verwevenheid en het (onbedoeld) doorgeven van vertrouwelijke informatie. [verzoekster] heeft in dat gesprek aangegeven niet betrokken te zijn bij [B] ' onderneming en te willen blijven werken voor [verweerster] . Op 9 mei 2025 heeft [verzoekster] zich ziek gemeld.
3.10. [verweerster] heeft op 4 juni 2025 conservatoir bewijsbeslag onder [B] laten leggen. In de procedure van [verweerster] tegen [B] heeft de kantonrechter bij tussenvonnis van 17 september 2025 geoordeeld dat [verweerster] afschrift mocht ontvangen van een deel van de in beslag genomen gegevens. Op 20 oktober 2025 in de avond heeft [verweerster] inzage gekregen in de geselecteerde dataset. Uit de gegevens in deze dataset kwam naar voren dat [verzoekster] betrokken was bij de activiteiten van de met [verweerster] onrechtmatig concurrerende onderneming van [B] , [bedrijf 1] .
3.11. Zo blijkt dat [verzoekster] door een derde partij in een e-mail aan [email-adres] wordt aangesproken als de contactpersoon van [bedrijf 1] :
*"Goedemorgen mevrouw [verzoekster] ".*In de betreffende e-mail wordt ook verwezen naar twee eerdere telefonische contacten met [verzoekster] . Hieruit kan moeilijk anders worden geconcludeerd dan dat [verzoekster] betrokkenheid had bij de onderneming van [B] .
De verklaring van [verzoekster] over deze e-mail maakt dit oordeel niet anders. Integendeel, uit haar verklaring volgt dat [B] aan haar had gevraagd contact op te nemen met het bedrijf, omdat hij zelf geen tijd had. Ook al zou er sprake zijn geweest van het enkel doorverwijzen, is dit een handeling voor het bedrijf van [B] en was haar dit niet toegestaan, gelet op het verbod op nevenwerkzaamheden, zoals dat is opgenomen in artikel 9.1. van de arbeidsovereenkomst tussen [verzoekster] en [verweerster] .
3.12. Ook bevat het dossier een e-mail van 27 mei 2025 aan [bedrijf 1] waarin een derde partij expliciet verwijst naar contact met [verzoekster] over een aangepaste offerte: "zoals besproken zojuist met [verzoekster] ". Ook hieruit blijkt naar het oordeel van de kantonrechter dat [verzoekster] was betrokken de onderneming van [B] . Deze betrokkenheid bevreemdt nog meer, aangezien [verzoekster] vanaf 9 mei 2025 arbeidsongeschikt was bij [verweerster] en zij had aangegeven bij [verweerster] geen werkzaamheden te kunnen verrichten en geen zakelijke contacten/gesprekken te kunnen onderhouden.
3.13. De verklaring van [verzoekster] over dat zij slechts incidenteel handelingen verrichtte voor de onderneming van [B] , lijkt ook niet te stroken met wat er is gebeurd rondom het contact met [bedrijf 2] . Met deze klant was er voor 21 mei 2025 om 13.00 uur een afspraak gemaakt over een backofficepakket. Op 16 mei 2025 is die afspraak per e-mail namens [bedrijf 1] bevestigd met het verzoek om [C] te bellen onder vermelding van haar telefoonnummer. Op de dag van de afspraak vraagt [verzoekster] , kort voor de afspraak, per Whatsapp aan [B] of [C] "toegang heeft tot de backoffice". Nadat [B] heeft geantwoord, schrijft [verzoekster] dat zij denkt van niet. Hierop wordt vervolgens vanuit [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] gemaild dat er gebeld moet worden naar een ander telefoonnummer. Het telefoonnummer wijzigt naar het telefoonnummer van [verzoekster] . Hieruit blijkt duidelijk dat [verzoekster] wel degelijk een actieve rol had binnen het bedrijf van [B] .
3.14. Verder heeft [verzoekster] toegegeven [B] te hebben geholpen met de inrichting van zijn website. Ook dit duidt op ongeoorloofde betrokkenheid van [verzoekster] bij de onderneming van [B] .
3.15. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [verzoekster] zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen die een zo wezenlijke inbreuk maken op de belangen van [verweerster] en op het door [verweerster] in [verzoekster] gestelde en van deze te verlangen vertrouwen, dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst redelijkerwijs niet van [verweerster] kon worden gevergd. Door [verzoekster] zijn geen persoonlijke omstandigheden gesteld die ertoe leiden dat haar gedragingen niet als een dringende reden moet worden aangemerkt.
Onverwijld?
3.16. Voor het antwoord op de vraag of het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven, is beslissend het tijdstip waarop de feiten die aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd bekend zijn geworden bij degene die bevoegd was het ontslag te verlenen.
3.17. Naar aanleiding van het onder [B] gelegde conservatoire bewijsbeslag, heeft [verweerster] op 20 oktober 2025 in de avond inzage gekregen in de geselecteerde dataset. Deze dataset bestond uit een grote hoeveelheid aan bestanden, teksten en audiofragmenten, in het Nederlands, Engels en Pools. [verzoekster] is op 21 oktober 2025 geïnformeerd over de eerste bevindingen en is zij uitgenodigd voor een gesprek op 22 oktober 2025. Na een afwijzende reactie van [verzoekster] doet [verweerster] op 23 oktober 2025 een nieuwe poging tot het plannen van een gesprek met [verzoekster] . Toen [verzoekster] hierop niet meer reageerde, heeft [verweerster] [verzoekster] haar diezelfde dag per e-mail (met de ontslagbrief als bijlage) op staande voet ontslagen.
3.18. De kantonrechter is van oordeel dat [verweerster] voldoende voortvarend heeft gehandeld en dat er met de beschreven gang van zaken aan het onverwijldheidsvereiste is voldaan.
3.19. Namens [verzoekster] is nog aangevoerd dat [verweerster] geen rekening heeft gehouden met de operatie die [verzoekster] moest ondergaan en dat ze onder druk is gezet tot het maken van een afspraak voor een gesprek. Uit de berichten die door [verweerster] naar [verzoekster] zijn verzonden blijkt dat [verweerster] [verzoekster] in de gelegenheid heeft willen stellen haar kant van het verhaal te vertellen, nadat zij [verzoekster] op 21 oktober 2025 al in kennis had gesteld van haar bevindingen. [verzoekster] heeft hierop telkens afwijzend gereageerd en heeft daarbij niet aangevoerd dat zij niet in staat was om een gesprek te voeren vanwege de geplande operatie. Uit de berichten komt naar voren dat [verweerster] wel degelijk rekening wilde houden met de geplande operatie. Zij heeft [verzoekster] verschillende malen gevraagd om de datum van de operatie door te geven, zodat daar rekening mee kon worden gehouden bij het plannen van de afspraak. Ook heeft [verweerster] de nodige moeite gedaan om een tolk te regelen voor bijstand tijdens de afspraak. [verzoekster] heeft pas nadat het ontslag op staande voet al was gegeven de datum van haar operatie doorgegeven, terwijl ze daar ruimschoots de gelegenheid voor heeft gehad. Het feit dat [verzoekster] dus voor het ontslag op staande voet haar kant van het verhaal niet heeft kunnen vertellen, kan daarom niet aan [verweerster] worden tegengeworpen.
Concluderend
3.20. De kantonrechter is van oordeel dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven.
Transitievergoeding
3.21. [verzoekster] heeft verzocht om [verweerster] te veroordelen een transitievergoeding te betalen. Op grond van artikel 7:673 lid 7, onderdeel c BW is de transitievergoeding niet verschuldigd, als het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer.
De kantonrechter heeft hierboven geoordeeld dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven, omdat daarvoor een dringende reden aanwezig was. Hoewel de aanwezigheid van een dringende reden niet zonder meer hoeft te betekenen dat ook sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, leveren de feiten en omstandigheden die in dit geval de dringende reden vormen wel een dergelijke ernstige verwijtbaarheid op. Deze ernstige verwijtbaarheid ligt besloten in de gedraging die tot het ontslag heeft geleid. Dat betekent dat de transitievergoeding niet verschuldigd is en het verzoek van [verzoekster] zal worden afgewezen.
Billijke vergoeding
3.22. Uit artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer een billijke vergoeding kan toekennen, als de werkgever de werknemer ten onrechte op staande voet heeft ontslagen. Het ontslag op staande voet is rechtsgeldig, dus zal ook het verzoek van [verzoekster] om toekenning van die billijke vergoeding worden afgewezen.
Achterstallig loon
3.23. [verzoekster] verzoekt om [verweerster] te veroordelen tot het betalen van het achterstallig loon over de maand oktober 2025. Enige onderbouwing van dit verzoek ontbreekt echter.
Door [verzoekster] is niet gesteld waarom zij na de ontslagdatum van 23 oktober 2025 nog recht zou hebben op loon. [verzoekster] heeft berust in het gegeven ontslag op staande voet en daarmee is er per die datum een einde gekomen aan het dienstverband tussen [verweerster] en [verzoekster] . Het loon dat [verweerster] aan [verzoekster] verschuldigd was tot 23 oktober 2025 heeft zij verrekend met de gefixeerde schadevergoeding die [verzoekster] aan [verweerster] verschuldigd was.[1] Waarom [verweerster] hiertoe niet gerechtigd was is door [verzoekster] niet gesteld of onderbouwd. Het verzoek tot betaling van het loon over oktober 2025 wordt daarom afgewezen, evenals de verzochte wettelijke verhoging.
Vergoeding wegens onregelmatige opzegging
3.24. Hiervoor is geoordeeld dat [verweerster] de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] onverwijld heeft opgezegd en dat zij daartoe gerechtigd was, zodat het toekennen van de schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging niet aan de orde is.
Proceskosten
3.25. [verzoekster] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verweerster] worden begroot op
€ 865,00 aan salaris gemachtigde.
in de tegenverzoeken van [verweerster]
3.26. [verweerster] verzoekt veroordeling van [verzoekster] tot betaling van verschillende bedragen. De kantonrechter komt tot een toewijzing van deze bedragen en legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Terugbetaling van € 7.500, - aan voorgeschoten bedrag
3.27. [verweerster] stelt dat [verzoekster] op 13 april 2023 van [verweerster] een bedrag van € 9.000, - netto heeft ontvangen om een vordering van de Belastingdienst van 7 april 2023 te kunnen betalen. [verweerster] heeft dit verzoek onderbouwd met een rekeningafschrift met daarop de betaling van € 9.000,00 onder vermelding van 'voorschot' en een afschrift van de vordering van de belastingdienst op [verzoekster] . Op 24 september 2024 heeft [verweerster] al een bedrag
€ 1.500,00 verrekend, door dit in mindering te brengen op het loon van [verzoekster] . Volgens [verweerster] resteert er daarom nog een bedrag van € 7.500,-.
3.28. Namens [verzoekster] is aangevoerd dat later is afgesproken dat zij dit bedrag niet hoefde terug te betalen, als compensatie voor gemaakte overuren en omdat zij geen salarisverhoging had gekregen.
3.29. De kantonrechter is van oordeel dat uit de door [verweerster] overgelegde stukken blijkt dat [verweerster] het voorschot enkele dagen na de vordering van de vordering van de Belastingdienst aan [verzoekster] heeft betaald. Dat maakt het aannemelijk dat het voorschot om die reden aan [verzoekster] is verstrekt. Dat er sprake was van een voorschot blijkt ook uit de omschrijving bij de overboeking. Tegen de gedeeltelijke verrekening in september 2024 heeft [verzoekster] niet geprotesteerd, zodat ook [verzoekster] zich ervan bewust was dat zij dit bedrag moest terugbetalen aan [verweerster] . Dat zou zijn afgesproken dat [verzoekster] de rest van het voorschot niet terug hoefde te betalen, heeft [verweerster] betwist en daarvoor is geen enkele onderbouwing te vinden in het dossier.
3.30. Het verzoek tot terugbetaling wordt daarom toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2025 tot het moment van volledige betaling.
€ 25.000, - aan verbeurde contractuele boetes
3.31. In artikel 11.1 van de arbeidsovereenkomst zijn partijen een geheimhoudingsbeding en een boetebeding overeengekomen. In dit artikel is het volgende opgenomen:
"11.1 De werkneemster erkent, dat aan hem door de werkgever geheimhouding is opgelegd van alle bijzonderheden het bedrijf van de werkgever betreffende, of daarmee verband houdende. Het is aan de werkneemster verboden om hetzij gedurende de dienstbetrekking, hetzij erna op enigerlei wijze, direct of indirect in welke vorm ook, mededelingen te doen van of aangaande het bedrijf van de werkgever. Bij overtreding van dit verbod verbeurt de werkneemster aan de werkgever een dadelijk en ineens zonder sommatie of ingebrekestelling opeisbare boete ad € 5.000, - (zegge vijfduizend euro) voor elke overtreding, zonder dat de werkgever gehouden zal zijn schade te bewijzen en onverminderd het recht van de werkgever om schadevergoeding indien en voor zover de schade het bedrag der boeten overtreft."
3.32. [verweerster] stelt dat [verzoekster] dit beding meerdere malen heeft overtreden door bedrijfsvertrouwelijke informatie van [verweerster] buiten de organisatie van [verweerster] heeft gebracht door die informatie via Whatsapp te delen met [B] . Dit betreft informatie uit [verweerster] - systemen en over [verweerster] - klanten. In dit verband verwijst [verweerster] naar: - een Whatsapp op 27 maart 2025 van [verzoekster] aan [B] met het totaal aantal gewerkte uren van [verweerster] (inclusief gelieerde partij); - op verzoek van [B] stuurt [verzoekster] op 3 april 2025 een foto van een factuur van [verweerster] aan klant [bedrijf 3] en een foto van haar beeldscherm waarop het administratiemailadres van [bedrijf 3] te zien is (in het [verweerster] )-systeem); [verzoekster] bevestigt hierbij aan [B] dat de betalingstermijn 14 dagen is; - het sturen van een foto naar [B] op 28 april 2025 van haar beeldscherm met gegevens uit Easyflex ( [verweerster] - systeem) in reactie op de vraag van [B] naar welk mailadres facturen van klant [bedrijf 4] kunnen worden verstuurd; - het op 7 mei 2025 sturen van een foto van haar beeldscherm met betrekking tot klant [bedrijf 5] aan [B] ; - het op 7 mei 2025 delen van informatie over een lopende [verweerster] - meeting over software (Tigris).
3.33. [verweerster] stelt hierbij dat het telkens gaat om een afzonderlijke concrete mededeling naar buiten toe, in dit geval [B] , die telkens een nieuwe overtreding van de geheimhoudingsverplichting door [verzoekster] oplevert. Voor deze vijf overtredingen verzoekt [verweerster] daarom om [verzoekster] te veroordelen tot betaling van een boete van € 25.000, - (5 x € 5.000,-), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2026 (de datum van de indiening van de tegenverzoeken).
3.34. Namens [verzoekster] is hiertegen aangevoerd dat [verzoekster] handelde conform instructies van [verweerster] . Zij stelt dat zij niet de beschikking had over een zakelijke telefoon waardoor communicatie via privételefoons plaatsvond en dat [verweerster] er daarom voor verantwoordelijk is dat zakelijke en privécommunicatie door elkaar heen liepen.
3.35. De kantonrechter verwerpt dit verweer van [verzoekster] . Dat [verzoekster] in opdracht van [verweerster] informatie uit de bedrijfssystemen van [verweerster] naar buiten heeft gebracht, blijkt nergens uit en [verzoekster] heeft dit niet onderbouwd. Het is ook volstrekt onaannemelijk, nu niet duidelijk is welk belang [verweerster] er bij zou hebben dat haar vertrouwelijke bedrijfsinformatie buiten de beschermde omgeving van haar onderneming wordt gebracht.
Over de vermenging van zakelijke en privécommunicatie kan de kantonrechter kort zijn. Het was [verzoekster] niet toegestaan informatie te delen met [B] , of dat nou via een zakelijke telefoon of een privételefoon gebeurde. [B] en [verweerster] waren het al eens over de beëindiging van zijn dienstverband en [B] was al vrijgesteld van werk. Waarom [B] dan nog een rechtmatig belang zou hebben bij informatie van [verweerster] en [verweerster] met de verstrekking akkoord zou zijn, is door [verzoekster] niet gesteld of onderbouwd.
3.36. De kantonrechter komt daarom tot toewijzing van het bedrag van € 25.000,00 en ook de verzochte wettelijke rente zal worden toegewezen.
Proceskosten
3.37. [verzoekster] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verweerster] worden begroot op € 1.009,00, bestaande uit
€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten, plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
4 De beslissing
De kantonrechter;
in de verzoeken van [verzoekster]
4.1. wijst de verzoeken af;
4.2. veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van € 865,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
4.3. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in de tegenverzoeken van [verweerster]
4.4. veroordeelt [verzoekster] tot betaling aan [verweerster] van: - € 7.500, - netto voor de terugbetaling van het voorschot, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2025 tot het moment van volledige betaling; - € 25.000, - netto aan verbeurde contractuele boetes, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 18 februari 2026 tot het moment van volledige betaling;
4.5. veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [verzoekster] niet tijdig aan die veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet [verzoekster] ook de kosten van betekening betalen;
4.6. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.
Artikel 7:677 leden 2 en 3 BW. - - - ## Voetnoten