Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:1340 - Rechtbank Midden-Nederland - 25 maart 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2026:1340•25 maart 2026
Uitspraak inhoud
RECHTBANK
**MIDDEN-NEDERLAND**
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11907964 \ UC EXPL 25-7716 RvdH/1037
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
STICHTING STUDENTEN HUISVESTING,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: SSH,
gemachtigde: W.J. Uyterlinde,
tegen
[gedaagde],
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. K.D.C. Schemkes.
1 De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 tot en met 14, - de conclusie van antwoord, - de conclusie van repliek met producties 15 en 16, - de conclusie van dupliek.
1.2. De kantonrechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is.
2 De kern van de zaak
2.1. [gedaagde] huurde van 13 augustus 2017 tot en met 28 februari 2023 een woning van SSH. [gedaagde] heeft de huur van oktober 2022 tot en met februari 2023 niet betaald. SSH vordert in deze procedure betaling van de huurachterstand. [gedaagde] wil die niet betalen, omdat SSH volgens hem niet eerder aanspraak heeft gemaakt op betaling.
3 De beoordeling
3.1. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] de huurachterstand, de wettelijke rente en de proceskosten moet betalen. De buitengerechtelijke incassokosten hoeft [gedaagde] niet te betalen. Hierna wordt deze beslissing uitgelegd.
[gedaagde] moest op grond van de huurovereenkomst elke maand de huur betalen
3.2. Dat SSH de huurachterstand in de eindafrekening (die in deze procedure ontbreekt) niet zou hebben genoemd, doet aan de verschuldigdheid van de huur over de maanden oktober 2022 tot en met februari 2023 niet af. [gedaagde] moet de huur betalen, ook als er geen factuur is gestuurd. Die betalingsverplichting vloeit namelijk voort uit de huurovereenkomst waarin is bepaald dat de huur voor de eerste van elke maand moet worden betaald, door overboeking of door het verstrekken van een machtiging voor automatische afschrijving.
SSH heeft meerdere pogingen gedaan om [gedaagde] te bereiken
3.3. [gedaagde] voert daarnaast aan dat SSH direct na het constateren van de huurachterstand actie had moeten ondernemen en SSH zo lang heeft gewacht, dat zij geen aanspraak meer kan maken op betaling. SSH heeft echter aangetoond dat zij direct na het ontstaan van de achterstand actie heeft ondernomen: de eerste betalingsherinnering is van 31 oktober 2022. Op 7 en 8 december 2022 is er een medewerker op het adres van [gedaagde] langs geweest. Omdat [gedaagde] niet thuis was, is er een briefje in de brievenbus achtergelaten met het verzoek contact op te nemen. Daarna is opnieuw een e-mail aan [gedaagde] verstuurd met de mededeling dat hij te weinig huur betaalt en dat hij contact moet opnemen. SSH heeft [gedaagde] vervolgens aangemeld bij de schuldhulpverlening van de gemeente Utrecht. SSH heeft op 10 februari en 10 maart 2023 opnieuw aanmaningen gestuurd voor de huurachterstand.
3.4. Volgens [gedaagde] zijn de genoemde betalingsherinneringen naar een onjuist e-mailadres verstuurd. De kantonrechter overweegt daarover als volgt. In de eerste plaats ligt het op de weg van [gedaagde] om SSH te voorzien van de juiste contactgegevens. Dat hij het door hem gestelde juiste e-mailadres aan SSH heeft doorgegeven, is niet gebleken. In de tweede plaats is in ieder geval één van de e-mails van SSH kennelijk wel door [gedaagde] ontvangen, want zijn schuldhulpverlener verwijst naar een e-mail die SSH aan [gedaagde] heeft verstuurd en heeft die e-mail als bijlage toegevoegd. Dat SSH alle genoemde betalingsherinneringen naar een onjuist e-mailadres heeft gestuurd staat – voor zover relevant – dus niet vast.
3.5. [gedaagde] heeft bovendien niet betwist dat hij een huurachterstand heeft laten ontstaan. Er is ook een betalingsregeling getroffen. In het licht van alles wat hiervoor is genoemd, zijn er daarom geen bijzondere omstandigheden die het beroep van [gedaagde] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid rechtvaardigen.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
3.6. De overeenkomst is gesloten tussen een professionele partij, handelend in de uitoefening van haar beroep of bedrijf (SSH) en een consument ( [gedaagde] ). Een huurder wordt hiervoor gelijk gesteld aan een consument. Op zo'n overeenkomst zijn consument-beschermende bepalingen van toepassing. Sommige belangrijke consument-beschermende bepalingen worden zo belangrijk gevonden dat de kantonrechter ambtshalve (dat wil zeggen uit zichzelf, ook als de consument daar niet om vraagt) moet beoordelen of die zijn nageleefd.
3.7. Zo moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of in de huurovereenkomst en/of de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden bepalingen ('bedingen') staan die relevant zijn voor de beoordeling van de (verschillende onderdelen van de) vordering. Als dergelijke bedingen op zichzelf, of in combinatie met andere relevante bedingen voor consumenten onredelijk bezwarend zijn als bedoeld in artikel 6:233 sub a van het Burgerlijk Wetboek, moet de kantonrechter de betreffende bedingen ambtshalve vernietigen en de daarmee verband houdende onderdelen van de vordering afwijzen.
3.8. In deze procedure gaat het met name om bedingen over rente en een vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten.
Het rentebeding
3.9. Het rentebeding in artikel 21 van de toepasselijke algemene voorwaarden is in overeenstemming met de wettelijke regeling in artikel 6:119 BW. Dit beding is daarom op zichzelf niet onredelijk bezwarend.
Het incassokostenbeding
3.10. In artikel 21 is een beding opgenomen over de vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. Dit beding wijkt in het nadeel van consumenten af van artikel 6:96 lid 5 en 6 BW en het daarop gebaseerde Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het besluit) en dat mag niet. Consumenten, zoals [gedaagde] , zijn namelijk slechts de (gemaximeerde) kosten als bedoeld in het besluit verschuldigd, voor zover is voldaan aan een aantal wettelijke eisen. Eén van die eisen is dat de consument eerst door middel van een aanmaningsbrief de mogelijkheid heeft gekregen om binnen een termijn van veertien dagen de vordering alsnog te voldoen zonder bijkomende kosten.
3.11. Op grond van het beding zou SSH direct, zonder voorafgaande kosteloze aanmaningsbrief, aanspraak kunnen maken op de vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten. Weliswaar wordt in het beding naar de wettelijke richtlijnen verwezen, maar alleen voor zover het gaat om de berekening van de kosten. Als dat anders is bedoeld, is dat – gelet op de woordkeuze 'berekenen' – onvoldoende duidelijk. Het buitengerechtelijke incassokostenbeding is daarmee onredelijk bezwarend en wordt daarom vernietigd.
De gevolgen van de ambtshalve toetsing voor de vordering
3.12. Omdat sprake is van een onredelijk bezwarend beding, is volgens Europese rechtspraak terugvallen op de wettelijke regeling niet toegestaan. Dit betekent dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten volledig moeten worden afgewezen.
Conclusie
3.13. [gedaagde] moet de huurachterstand van oktober 2022 tot en met februari 2023 betalen. Omdat [gedaagde] de huur niet op tijd heeft betaald, is hij ook de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd. De tot de dagvaarding verschenen rente bedraagt € 377,35 en dat bedrag wordt toegewezen. Daarnaast moet [gedaagde] de wettelijke rente betalen vanaf de dagvaarding tot de voldoening. [gedaagde] heeft een aantal deelbetalingen gedaan en SSH heeft de afrekening servicekosten 2023 verrekend. [gedaagde] moet in totaal nog € 2.992,93 aan SSH betalen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.14. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van SSH worden begroot op:
4 De beslissing
De kantonrechter
4.1. veroordeelt [gedaagde] om aan SSH te betalen een bedrag van € 2.992,93, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 24 september 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.290,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.