Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:1320 - Rechtbank Midden-Nederland - 12 maart 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:132012 maart 2026

Uitspraak inhoud

Familierecht
locatie Lelystad
zaaknummer: C/16/595704 / FL RK 25-722
Beschikking van 12 maart 2026
in de zaak van:
[de man],
wonende in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. A.C. Mens,
tegen
[de vrouw],
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. A.F. Kevenaar.

1 De procedure

1.1. De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
1.2. De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van
22 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
1.3. Mr. Kevenaar heeft tijdens de zitting een pleitnotitie overgelegd, welke zij van punt 10 tot 35 heeft voorgedragen.
1.4. De rechtbank heeft de kinderen van partijen niet gevraagd wat zij van de verzoeken vinden. De rechtbank vraagt dat alleen aan kinderen van acht jaar of ouder. Kinderen onder de acht jaar vindt de rechtbank daar nog te jong voor.

2 Waar de procedure over gaat

2.1. Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest.
2.2. Zij hebben samen twee kinderen:
2.3. Partijen zijn in het ouderschapsplan, dat in de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Zwolle van 12 juli 2024 is opgenomen (hierna: het ouderschapsplan), overeengekomen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de vrouw is en die van [minderjarige 2] bij de man.
2.4. Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over de kinderen nemen.
2.5. Partijen hebben in het ouderschapsplan – voor zover van belang in deze procedure en samengevat – de volgende afspraken gemaakt: - de kinderen verblijven:
o in de oneven weken van vrijdag 17.30 uur (voor het eten) tot zondag 18.30 uur (na het eten) bij de man, waarbij de man de kinderen haalt en brengt;
o in de even jaren week 1, 4 en 5 van de zomervakantie bij de vrouw en week 2, 3 en 6 bij de man en in de oneven jaren is dit andersom;
o in de herfstvakantie vier dagen bij de vrouw en drie dagen bij de man, waarbij partijen uiterlijk vier weken van te voren onderling afspraken maken over het wisselmoment;
o in de even jaren de eerste week van de kerstvakantie bij de man en de tweede week bij de vrouw en in de oneven jaren is dit andersom;
o in de voorjaarsvakantie vier dagen bij de vrouw en drie dagen bij de man, waarbij partijen uiterlijk vier weken van te voren onderling afspraken maken over het wisselmoment;
o in de even jaren de eerste week van de meivakantie bij de man en de tweede week bij de vrouw en in de oneven jaren is dit andersom;
o als Pasen en/of Pinksteren vallen in het weekend dat de kinderen bij de man verblijven tot Tweede Paasdag en/of Tweede Pinksterdag bij de man tot 18.00 uur (na het eten);
o op Vaderdag bij de man en op Moederdag bij de vrouw;
o tijdens het Suikerfeest de helft van de dag bij de man en de andere helft van de dag bij de vrouw; - de man betaalt € 588, - per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw.
2.6. De man is op [datum] 2025 een geregistreerd partnerschap aangegaan met mevrouw [partner 1] (hierna: [partner 1] ).
2.7. De man en [partner 1] hebben samen een kind gekregen:
[minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2025 in [geboorteplaats 2] .
2.8. Mevrouw [partner 1] heeft met haar ex-partner de heer [ex-partner] (hierna: [ex-partner] ) een kind: [minderjarige 4], geboren op [geboortedatum 4] 2020.
2.9. De vrouw heeft met haar huidige partner, de heer [partner 2] (hierna: [partner 2] ), een kind gekregen: [minderjarige 5], geboren op [geboortedatum 5] 2025 in [geboorteplaats 3] . Tussen de vrouw en [partner 2] is geen sprake van een huwelijk of geregistreerd partnerschap.
2.10. [partner 2] heeft met zijn ex-partner, van wie geen gegevens bekend zijn, twee kinderen, van wie ook geen gegevens bekend zijn.

3 De verzoeken

3.1. De man verzoekt bij wijze van een provisionele voorziening om:
3.2. De man verzoekt in de bodemprocedure, na wijziging en aanvulling, om: - de zorgregeling in die zin te wijzigen dat:
o de man de kinderen in de oneven weken voor het eten bij de vrouw ophaalt rond 17.30 uur en de vrouw de kinderen in de oneven weken op zondag om 15.00 uur bij de man ophaalt;
o in geval één van partijen ziek is, de partner van de zieke ouder de kinderen zal opvangen;
o in geval de man door werkverplichtingen de kinderen niet op vrijdag om 17.30 uur bij de vrouw kan ophalen, opa (vz) de kinderen mag ophalen;
o in geval de man de kinderen op vrijdag de kinderen bij de vrouw ophaalt en blijkt dat één van de kinderen ziek is en niet mee kan, beide kinderen bij de vrouw verblijven;
o de kinderen tijdens de vrije studiedagen bij de vrouw zullen verblijven;
o de kinderen de eerste drie weken van de zomervakantie bij de man verblijven en de laatste drie weken van de zomervakantie bij de vrouw verblijven. - het bedrag aan kinderalimentatie, zoals dit is opgenomen in het ouderschapsplan te wijzigen naar € 100, - per kind per maand, vanaf 4 maart 2025, dan wel op een zodanig lagere bijdrage en met ingang van een zodanig tijdstip dat de rechtbank juist vindt.
3.3. De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man en vindt dat hij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel dat zijn verzoeken moeten worden afgewezen. Bij wijze van een zelfstandig verzoek, verzoekt de vrouw – na wijziging – om: - de zorgregeling in die zin te wijzigen dat de zorgregeling eerst wordt opgebouwd volgens het volgende stappenplan:
o in week 1 en 2: op maandag en donderdag om 18.30 uur een videobelmoment plaatsvindt, waarbij de man de kinderen belt op het telefoonnummer van de vrouw;
o in week 3 en 4: de kinderen op zaterdag van 12.00 uur tot en met 14.00 uur bij de man verblijven, waarbij de man zorg draagt voor het halen en brengen van de kinderen. Op maandag en donderdag om 18.30 uur vindt een videobelmoment plaats, waarbij de man de kinderen belt op het telefoonnummer van de vrouw;
o in week 5 en 6: de kinderen op zaterdag van 09.00 uur tot en met 17.00 uur bij man verblijven, waarbij de man zorg draagt voor het halen en brengen van de kinderen. Op donderdag om 18.30 uur vindt een videobelmoment plaats, waarbij de man de kinderen belt op het telefoonnummer van de vrouw;
o vanaf week 7: de kinderen in de oneven weekenden bij de man verblijven van vrijdag 18.00 uur tot en met maandag 08.20 uur, waarbij de man de kinderen ophaalt bij de kinderdagopvang en de BSO en hen op maandag naar de kinderdagopvang en school brengt. ledere donderdag om 18.30 uur vindt er tussen man en de kinderen een videobelmoment plaats, waarbij de man de kinderen belt op het telefoonnummer van de vrouw;
o dan wel dat de rechtbank een zorgregeling vaststelt die zij juist vindt; - een verdeling van de vakantie-, bijzondere - en feestdagen vast te stellen volgens de volgende verdeling:
o zomervakantie 2026: in de eerste week van de vakantie verblijven de kinderen bij de man, de tweede week bij de vrouw, de derde week bij de man, de vierde week bij de vrouw, de vijfde week bij de man en de zesde week bij de vrouw;
o zomervakantie 2027: in de eerste week van de vakantie verblijven de kinderen bij de man, de tweede en derde week bij de vrouw, de vierde en vijfde week bij de man en de zesde week bij de vrouw;
o vanaf de zomervakantie van 2028: de eerste 3 weken bij de man en de laatste
3 weken bij de vrouw;
o Pinksteren: indien het pinksterweekend valt in het weekend waarop de kinderen bij de man verblijven, verblijven zij op Tweede Pinksterdag bij de man (vóór het avondeten). De man draagt er zorg voor dat hij – in persoon –de kinderen om 17.00 uur heeft teruggebracht naar de vrouw;
o Pasen: indien het Paasweekend bij de man valt, verblijven de kinderen op Tweede Paasdag bij de man (vóór het avondeten). De man draagt er zorg voor dat hij – in persoon – de kinderen om 17.00 uur heeft teruggebracht naar de vrouw;
o Vaderdag: de kinderen verblijven bij de ouder waar zij op dat moment volgens de reguliere zorgregeling verblijven; - indien de rechtbank van oordeel is dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden te bepalen dat de man € 347, - per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen met ingang van de datum van de indiening van het verweerschrift van de vrouw, dan wel dat de rechtbank een ingangsdatum en bedrag aan kinderalimentatie bepaalt die zij juist vindt.

4 De beoordeling

De provisionele voorzieningenprocedure
4.1. Een provisionele voorziening is een maatregel die geldt voor de duur van de procedure tussen partijen. De procedure waar het om gaat, wordt de bodemprocedure genoemd. De rechter kan alleen een provisionele voorziening treffen, als is voldaan aan een aantal wettelijke vereisten. [1] Zo moet er een bodemprocedure tussen partijen lopen en moet de provisionele voorziening voldoende met deze bodemprocedure samenhangen. Toewijzing van het verzoek van de man is alleen mogelijk als de man daarbij een voldoende spoedeisend belang heeft. Daarvan is sprake wanneer van de man niet kan worden gevraagd om de afloop van de bodemprocedure af te wachten.
4.2. De verzoeken in de bodemprocedure zijn tegelijk behandeld met de verzoeken om een provisionele voorziening. De beslissing in de bodemprocedure wordt hierna beschreven. Dit betekent dat de man geen belang meer heeft bij het treffen van een provisionele voorziening. Verder ziet de rechtbank geen aanleiding om een dwangsom aan de vrouw op te leggen. Dit is namelijk niet helpend in dit stadium omdat partijen hebben afgesproken zich te zullen aanmelden voor een ouderschapsbemiddelingstraject. Gelet hierop zal de rechtbank de verzoeken van de man in de provisionele voorzieningenprocedure afwijzen.
De bodemprocedure
De zorgregeling (inclusief de verdeling van de vakantie - en feestdagen)
4.3. De rechtbank wijzigt de zorgregeling (inclusief de verdeling van de vakantie - en feestdagen) tussen de man en de kinderen zoals deze door partijen is overeengekomen in het ouderschapsplan dat is aangehecht aan de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Zwolle van 12 juli 2024 in die zin dat de kinderen:
De rechtbank legt haar beslissing hierna uit.
4.4. Er wordt al een langere tijd, in ieder geval sinds afgelopen zomer, geen uitvoer meer gegeven aan de zorgregeling. Partijen hebben allebei hun eigen visie over hoe dit zo is gelopen, maar feit is dat de kinderen nu geen contact hebben met de man. Dat vindt de rechtbank, net als de Raad, niet goed voor ze. Het is in het belang van kinderen om een fijn contact met allebei hun ouders te hebben. Er moet dus zo snel mogelijk weer structureel contact komen tussen de man en de kinderen. Omdat er al een lange periode weinig contact is geweest, volgt de rechtbank de Raad in zijn advies om eerst een contactmoment op een zaterdag te laten plaatsvinden voordat de reguliere zorgregeling verder loopt.
4.5. De reguliere zorgregeling blijft verder hetzelfde, behalve voor wat betreft het tijdstip waarop de kinderen op zondag worden teruggebracht. Partijen zijn het tijdens de zitting eens geworden dat dit voortaan om 17.00 uur zal zijn. Ook voor de andere wisselmomenten zal dit tijdstip worden aangehouden (met uitzondering van het Suikerfeest, zoals nu ook in het ouderschapsplan staat). Er zal geen wijziging komen in de haal - en brengregeling. Partijen hebben hier samen afspraken over gemaakt in het ouderschapsplan en er is onvoldoende reden voor de rechtbank om deze te wijzigen. De man zal dus verantwoordelijk blijven voor het halen en brengen van de kinderen. Over de verdeling van de zomervakanties heeft de Raad geadviseerd het verzoek van de moeder af te wijzen omdat de kinderen volgens dat verzoek steeds per week wisselen van ouder. Ook het verzoek van de vader vindt de Raad niet in het belang van de kinderen omdat de Raad heeft aangegeven dat drie weken achter elkaar zonder de andere ouder in ieder geval nu nog te lang is. De moeder heeft tijdens de zitting gezegd dat ze de afspraak over Vader - en Moederdag (toch) graag houdt zoals in het ouderschapsplan is afgesproken en de vader was het daarmee eens. Daarover wijzigt de rechtbank dus ook niets.
4.6. De verzoeken van partijen om verdere wijzigingen in de zorgregeling aan te brengen, zal de rechtbank afwijzen. De punten, zoals afspraken over waar de kinderen verblijven wanneer zij of ouders ziek zijn, kunnen de ouders meenemen in het ouderschapsbemiddelingstraject. Partijen hebben tijdens de zitting afgesproken zich te zullen aanmelden voor deze vorm van hulpverlening, omdat zij het vertrouwen in elkaar als ouder zijn verloren en willen werken aan hun communicatie. Dit is verstandig, omdat partijen nog jarenlang moeten gaan samenwerken in het belang van de kinderen en dat lukt hen nu onvoldoende.
De kinderalimentatie
4.7. De rechtbank wijzigt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie, zoals die was vastgelegd in het ouderschapsplan dat in de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Zwolle van 12 juli 2024 is opgenomen, en bepaalt dat deze kinderalimentatie
vanaf 1 augustus 2025 € 100, - per kind per maand voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt en vanaf
1 januari 2026 € 104,60 per kind per maand voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dit betekent dat zij een deel van de verzoeken afwijst. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro's.
De reden voor de wijziging
4.8. De rechtbank kan de kinderalimentatie opnieuw berekenen als de omstandigheden zijn gewijzigd.[2] Daarvan is hier sprake. Nadat partijen afspraken over de kinderalimentatie hebben gemaakt in het ouderschapsplan is niet alleen het inkomen van de man veranderd, maar zijn partijen ook allebei onderhoudsplichtig geworden voor een ander kind/kinderen. Hierdoor zal de draagkracht van partijen over meerdere kinderen moeten worden verdeeld.
De ingangsdatum
4.9. Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de nieuwe kinderalimentatie gaat gelden.
4.10. De wet geeft de rechtbank grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting.[3]
4.11. De rechtbank hanteert om doelmatigheidsredenen als ingangsdatum van het nieuwe alimentatiebedrag 1 augustus 2025. De rechtbank volgt de man dus niet in zijn stelling dat de vrouw al vanaf 4 maart 2025 – de dag waarop hij de vrouw verzocht haar financiële gegevens te overleggen – rekening kon houden met een wijziging omdat hij toen nog geen concreet alimentatiebedrag heeft genoemd. Op dat moment was bij zowel de man als de vrouw ook nog geen sprake van een onderhoudsverplichting voor andere kinderen dan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ook was de man nog geen geregistreerd partnerschap met [partner 1] aangegaan. Op 1 augustus 2025 was de onderhoudsverplichting van partijen wel gewijzigd omdat toen [minderjarige 5] en [minderjarige 3] waren geboren en er inmiddels sprake was van een geregistreerd partnerschap tussen de man en [partner 1] .
Wie is onderhoudsplichtig voor wie?
4.12. Doordat partijen na hun scheiding allebei een nieuwe relatie hebben gekregen met een partner die kinderen heeft en zij met die nieuwe partner ook een kind hebben gekregen, is sprake van een zogenaamd 'samengesteld gezin'. Omdat de draagkracht van partijen moet worden verdeeld over de kinderen waarvoor zij onderhoudsplichtig zijn, zal de rechtbank eerst in kaart brengen wie onderhoudsplichtig is voor welk kind.
4.13. De man is onderhoudsplichtig voor vier kinderen: [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . De man is onderhoudsplichtig voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] omdat hij hun vader is. Doordat de man een geregistreerd partnerschap is aangegaan met [partner 1] en [minderjarige 4] het grootste deel van de tijd deel uitmaakt van hun gezin is de man ook onderhoudsplichtig geworden voor [minderjarige 4] .
4.14. De vrouw is onderhoudsplichtig voor haar drie kinderen: [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 5] . De vrouw is niet onderhoudsplichtig voor de twee kinderen van [partner 2] uit zijn eerdere relatie. Tussen de vrouw en [partner 2] is geen sprake van een huwelijk of geregistreerd partnerschap. Bovendien maken de twee kinderen van [partner 2] geen onderdeel uit van hun gezin.
4.15. [partner 1] is onderhoudsplichtig voor haar twee kinderen: [minderjarige 4] en [minderjarige 3] . [partner 1] is niet onderhoudsplichtig voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hoewel wel sprake is van een geregistreerd partnerschap tussen de man en [partner 1] maken [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet voor in ieder geval de helft van de tijd onderdeel uit van hun gezin, waardoor geen sprake is van een onderhoudsverplichting.
4.16. [partner 2] is onderhoudsplichtig voor zijn drie kinderen: zijn twee kinderen uit een eerdere relatie en [minderjarige 5] . Tussen [partner 2] en de vrouw is geen sprake van een huwelijk of geregistreerd partnerschap, zodat [partner 2] niet onderhoudsplichtig is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
4.17. [ex-partner] is – voor zover bekend – alleen onderhoudsplichtig voor [minderjarige 4] .
De ongeboren kinderen
4.18. Tijdens de zitting hebben zowel de man als de vrouw medegedeeld dat zij allebei met hun nieuwe partner een kind verwachten. De rechtbank zal geen rekening houden met deze ongeboren kinderen van de man en de vrouw. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om deze procedure aan te houden totdat deze kinderen zijn geboren, zoals namens de man tijdens de zitting is verzocht. De man betaalt al maandenlang geen kinderalimentatie aan de vrouw en dat vindt de rechtbank niet in het belang van de kinderen. Die periode zijn er namelijk wel kosten voor de kinderen gemaakt die de vrouw moeten voldoen.
De behoefte
4.19. Als iemand onderhoudsplichtig is voor meerdere kinderen, dan moet de rechtbank beoordelen of diegene in staat is om al zijn onderhoudsverplichtingen te voldoen. De Hoge Raad heeft daarbij bepaald dat het beschikbare geld gelijk over de kinderen moet worden verdeeld, tenzij er bijzondere redenen zijn waarom dit op andere wijze moet worden verdeeld. Een reden om dit anders te verdelen kan zij dan het ene kind meer geld kost dan het andere kind.[4] Hoeveel een kind kost, hangt namelijk samen met hoeveel de ouders van dat kind samen te besteden hadden/hebben. De rechtbank onderzoekt dus eerst wat de kosten per kind zijn. Dat wordt ook wel de 'behoefte' van het kind genoemd.
De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
4.20. De rechtbank stelt de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vast op een bedrag van € 668, - per kind per maand in 2025. Zij heeft dat als volgt berekend.
4.21. Partijen hebben in het ouderschapsplan afspraken gemaakt over de kinderalimentatie. Daarbij zijn zij uitgegaan van een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 5.201, - per maand in 2024 en een behoefte van € 627, - per kind per maand (totaal € 1.254,-). Verder hebben partijen rekening gehouden met € 310, - aan extra oppaskosten na scheiding. Partijen zijn uitgegaan van een totale behoefte van € 1.564, - voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] samen.
4.22. De rechtbank zal de man volgen en geen rekening houden met extra opvangkosten voor de behoeftebepaling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt dat de opvangkosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in 2025 totaal ongeveer € 42.636, - bedroegen en dat de vrouw een kinderopvangtoeslag van € 40.590, - ontving in dat jaar. Dit betekent dat het bedrag dat de vrouw daadwerkelijk kwijt is aan opvangkosten neerkomt op € 171, - per maand. Op grond van het Rapport Alimentatienormen kan de rechtbank rekening houden met extra opvangkosten als die kosten zó uitzonderlijk zijn, dat partijen deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de behoeftetabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins)inkomen drukken van partijen. Niet is gebleken – en bovendien ook onvoldoende gesteld – dat dat hier het geval was. Een bedrag van € 171, - aan opvangkosten is naar het oordeel van de rechtbank niet uitzonderlijk.
4.23. De rechtbank zal de behoefteberekening van partijen uit het ouderschapsplan verder volgen. Dit betekent dat wordt uitgegaan van een netto besteedbaar gezinsinkomen van
€ 5.201, - in 2024. De totale behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] was dan € 1.254, - per maand in 2024. Gecorrigeerd in verband met de inflatie (geïndexeerd) is dat in 2025 afgerond € 1.336,-, dus € 668, - per kind per maand.
De behoefte van de andere kinderen
4.24. De rechtbank ziet aanleiding om de behoefte van de andere kinderen – [minderjarige 3] , [minderjarige 4] , [minderjarige 5] en de andere twee kinderen van [partner 2] – gelijk te stellen aan de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De rechtbank schat – op basis van wat partijen naar voren hebben gebracht –
dat de behoefte van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] dichtbij de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ligt, zodat het redelijk is om voor deze kinderen van dezelfde behoefte uit te gaan. De rechtbank heeft geen gegevens over de behoefte van de andere twee kinderen van [partner 2] , maar zal ook voor hen van dezelfde behoefte uitgaan als voor de andere kinderen. Dit betekent dat voor alle kinderen wordt uitgegaan van een behoefte van € 668, - per kind per maand in 2025.
De draagkracht
4.25. Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wie wat kan betalen. Dit wordt de 'draagkracht' genoemd. Volgens de wet moeten de onderhoudsplichtigen naar draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien.[5]
4.26. Voor het bepalen van de draagkracht van de onderhoudsplichtigen past de rechtbank de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld toe. Het netto besteedbaar inkomen van een onderhoudsplichtige is daarbij het uitgangspunt. Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van de kinderen.
4.27. Bij een netto besteedbaar inkomen dat hoger is dan € 2.125, - per maand in 2025 maakt de rechtbank daarvoor gebruik van de zogenoemde 'draagkrachtformule'. In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. Partijen worden geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij hun inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een forfaitair (vaststaand) bedrag voor redelijke kosten van levensonderhoud, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2025 is dat een bedrag van € 1.310, - per maand. Deze twee posten vormen samen het 'draagkrachtloos inkomen'. Na aftrek van die posten van het netto besteedbaar inkomen blijft dan de 'draagkrachtruimte' over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit, waarbij NBI staat voor netto besteedbaar inkomen: 70% [NBI – (0,3 x NBI + 1.310).
De draagkracht van de man
4.28. De draagkracht van de man berekent de rechtbank op € 718, - per maand in 2025.[6] De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
4.29. De man vindt dat voor de berekening van zijn draagkracht moet worden uitgegaan van een jaarinkomen van € 44.196, - over 2025. Hij verdiende in 2024 meer, maar dat kwam omdat hij toen teamleider was en daarvoor een hoger salaris en een bonus ontving. De functie van teamleider viel de man echter te zwaar, waardoor hij een stap terug heeft moeten doen en daardoor in 2025 een lager inkomen had. Verder heeft de man zich op het standpunt gesteld dat hij noodgedwongen minder is gaan werken, 32 uur in plaats van 40 uur per week. De reden daarvoor is dat [partner 1] een zware zwangerschap en bevalling heeft gehad, waardoor de man haar moet bijstaan in de huishouding en de verzorging van de kinderen. Daarnaast heeft de man in augustus 2025 een TIA gehad, waarna hij ouderschapsverlof heeft opgenomen en 32 uur is gaan werken. Ook heeft de man naar voren gebracht dat hij last heeft van hartklachten. Dit moet nog nader onderzocht worden, maar in ieder geval tot die tijd is de man volledig arbeidsongeschikt.
4.30. De vrouw betwist dat de man arbeidsongeschikt is, omdat hij dit niet heeft onderbouwd. Bovendien vindt de vrouw dat de keuze van de man om minder te gaan werken voor zijn rekening en risico komt. De man had tijdens het huwelijk van partijen een 40-urige werkweek en doordat hij zonder legitieme reden minder is gaan werken, is sprake van verwijtbaar inkomensverlies. De vrouw vindt daarom dat moet worden uitgegaan van een jaarinkomen van de man over 2025 van € 51.404,-. Dit inkomen baseert de vrouw op de jaaropgaaf van de man over 2024, omdat zij vindt dat de man in 2025 in ieder geval in staat was om dit inkomen te verdienen.
4.31. De rechtbank is van oordeel dat de man onvoldoende informatie heeft gegeven over zijn ziekte. De man heeft wel een stuk overgelegd van de bedrijfsarts, maar hier zijn delen zwart gelakt. De rechtbank kan hier dus geen conclusie uit trekken. De rechtbank zal daarom de vrouw volgen in haar standpunt en voor het inkomen van de man over 2025 uitgaan van de jaaropgaaf over 2024, waarop een belastbaar loon van € 51.404, - is vermeld. De man heeft tijdens het huwelijk met de vrouw altijd een 40-urige werkweek gehad en niet is gebleken dat hij dit nu om medische redenen niet meer zou kunnen. De man heeft een onderhoudsverplichting voor zijn kinderen en moet zijn verdiencapaciteit daarvoor benutten. Verder wordt ervan uitgegaan dat de man kindgebonden budget voor [minderjarige 3] en [minderjarige 4] ontvangt, omdat hij daar in zijn berekening ook vanuit is gegaan. Het netto besteedbaar inkomen van de man is dan € 3.336, - per maand.
4.32. Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2025 heeft de man een draagkracht van (70% [3.287 – (0,3 x 3.36 + 1.310)]=) € 718, - per maand.
De draagkracht van de vrouw
4.33. De draagkracht van de vrouw berekent de rechtbank op € 1.024, - per maand in 2025.[7] De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
4.34. De man is voor het inkomen van de vrouw over 2025 uitgegaan van € 44.627, - zoals volgens hem blijkt uit de door de vrouw overgelegde loonspecificaties. De man vindt dat er geen reden is voor de vrouw om minder te werken. De vrouw is gezond, wordt bijgestaan door [partner 2] in de verzorging en opvoeding van de kinderen en daarnaast ontvangt de vrouw kinderopvangtoeslag. De man verwacht dus dat de vrouw haar verdiencapaciteit zal benutten, zodat zij een inkomen van € 44.627, - kan verdienen.
4.35. De vrouw verweert zich tegen dit standpunt van de man. Zij heeft de afgelopen jaren, zowel tijdens het huwelijk met de man als daarna, 26 uur per week gewerkt. De reden daarvoor is dat zij het overgrote deel van de verzorging en opvoeding van de kinderen op zich neemt. De vrouw vindt daarom dat moet worden gekeken naar haar feitelijke inkomen en dat dus moet worden uitgegaan van de meest recente salarisspecificaties die zij heeft overgelegd.
4.36. De rechtbank gaat voor het inkomen van de vrouw uit van de salarisspecificaties over oktober en november 2025. De salarisspecificatie van de vrouw over december 2025 wordt buiten beschouwing gelaten. De vrouw heeft in december 2025 een maand verlof gekocht, waardoor deze gegevens niet representatief zijn voor wat zij doorgaans verdient. De salarisspecificaties van oktober en november 2025 zijn dit wel. De rechtbank ziet – anders dan de man – geen aanleiding om rekening te houden met een hogere verdiencapaciteit van de vrouw. De vrouw werkte tijdens het huwelijk met de man 26 uur per week en doet dat nog steeds. Daarnaast draagt de vrouw het grootste deel van de tijd de zorg over de kinderen, waardoor op dit moment redelijkerwijs niet van haar kan worden verwacht dat zij meer gaat werken. Op de salarisspecificaties van de vrouw is een belastbaar loon van € 3.262, - bruto per maand vermeld. Verder wordt rekening gehouden met de pensioenpremies, het vakantiegeld, de eindejaarsuitkering, het kindgebonden budget voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 5] en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Haar netto besteedbaar inkomen is dan € 3.962, - per maand.
4.37. Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2025 heeft de vrouw een draagkracht van (70% [3.498 – (0,3 x 3.962 + 1.310)]=) € 1.024, - per maand.
De draagkracht van [partner 1]
4.38. De draagkracht van [partner 1] berekent de rechtbank op € 686, - per maand in 2025.[8] De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
4.39. Tussen partijen is in geschil van welk inkomen van [partner 1] moet worden uitgegaan. De man vindt dat voor het inkomen van [partner 1] moet worden uitgegaan van een jaarinkomen van € 38.846,-. Hoewel [partner 1] op dit moment ziek is, kan zij volgens de man – zodra zij weer beter is – een inkomen genereren van ongeveer € 38.864, - per jaar. De man vindt het daarom redelijk om van de verdiencapaciteit van [partner 1] uit te gaan. De vrouw is het hier niet mee eens. Zij vindt dat moet worden uitgegaan van het daadwerkelijke inkomen dat [partner 1] heeft uit haar ziektewetuitkering, omdat zij die al maandenlang ontvangt en haar inkomen daaruit structureel is.
4.40. De rechtbank zal voor het inkomen van [partner 1] uitgaan van de meest recente inkomensgegevens omdat die het meest recht doen aan de feitelijke situatie. Uit de overgelegde stukken blijkt dat [partner 1] al enkele maanden een ziektewetuitkering ontvangt van € 3.751, - per maand. Dit is inclusief 8 % vakantiegeld. Verder wordt rekening gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Haar netto besteedbaar inkomen is dan
€ 3.271, - per maand.
4.41. Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2025 heeft [partner 1] een draagkracht van (70% [3.271 – (0,3 x 3.271 + 1.310)]=) € 686, - per maand.
De draagkracht van [partner 2]
4.42. De draagkracht van [partner 2] berekent de rechtbank op € 1.048, - per maand.[9] De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
4.43. Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van het jaarinkomen van [partner 2] over 2024. Hij had in dat jaar een belastbaar loon van € 68.874,-. De rechtbank gaat uit van de gegevens over 2024, omdat [partner 2] in 2025 ziek was. De rechtbank gaat er vanuit dat sprake is van tijdelijke ziekte, omdat verder niet is gesteld dat hij langdurig ziek is. Wanneer [partner 2] in 2025 niet ziek was geweest, dan zou hij in ieder geval een bedrag dat gelijk is aan zijn inkomen in 2024 hebben verdiend, zodat de rechtbank hier vanuit zal gaan.
4.44. Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2025 heeft [partner 2] een draagkracht van (70% [4.010 – (0,3 x 4.010 + 1.310)]=) € 1.048, - per maand.
De draagkracht van [ex-partner]
4.45. Bij de rechtbank zijn geen financiële gegevens bekend van [ex-partner] , zodat de rechtbank zijn draagkracht niet kan berekenen.
De verdeling van de kosten
4.46. Nu duidelijk is wat de behoefte is van alle kinderen en wat de draagkracht van de onderhoudsplichtigen is, berekent de rechtbank wie voor welk deel verantwoordelijk is van de kosten.
4.47. Voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn de man en de vrouw onderhoudsplichtig. De draagkracht van de man (€ 718, - per maand) moet gelijk worden verdeeld over vier kinderen. Dit betekent dat de man een draagkracht heeft van afgerond € 180, - per kind per maand. De draagkracht van de vrouw ( € 1.024, - per maand) moet worden verdeeld over drie kinderen. Dit betekent dat de vrouw een draagkracht heeft van afgerond € 341, - per kind per maand. Partijen hebben samen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dus € 521, - per kind per maand beschikbaar. Dit terwijl de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] € 668, - per kind per maand is. Partijen hebben voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dus een tekort van € 147, - per kind per maand.
4.48. Voor [minderjarige 4] zijn er drie onderhoudsplichtigen ( [partner 1] , [ex-partner] en de man). Hoewel er geen financiële gegevens bekend zijn van [ex-partner] , vindt de rechtbank het redelijk om er vanuit te gaan dat hij voor een derde deel bijdraagt in de kosten van [minderjarige 4] , dus € 223, - per maand. De man en [partner 1] moeten dan wat betreft de kosten van [minderjarige 4] samen nog voorzien in een bedrag van (668 - / - 223 =) € 445, - per maand. Daarbij komen ook de kosten van [minderjarige 3] van € 668, - per maand. In totaal moeten de man en [partner 1] dus € 1.113, - per maand bijdragen in de kosten van [minderjarige 4] en [minderjarige 3] . Zoals eerder genoemd heeft de man een draagkracht van € 180, - per kind per maand. Hij heeft dus € 360, - per maand beschikbaar om te kunnen voorzien in de behoefte van [minderjarige 4] en [minderjarige 3] . [partner 1] moet haar draagkracht van € 686, - verdelen over haar twee kinderen [minderjarige 4] en [minderjarige 3] . Dit betekent dat de man en [partner 1] gezamenlijk € 1.046, - per maand kunnen voldoen in de kosten voor [minderjarige 4] en [minderjarige 3] . Dit terwijl [minderjarige 4] en [minderjarige 3] allebei een behoefte hebben van € 668, - per maand, dus € 1.336, - totaal. Het tekort is dan ( 1.336 - / - 1.046 =)
€ 290,-, dus € 145, - per maand voor [minderjarige 4] en € 145, - per maand voor [minderjarige 3] .
4.49. [partner 2] is onderhoudsplichtig voor drie kinderen, [minderjarige 5] en zijn andere twee kinderen. Bij de rechtbank zijn geen gegevens bekend over (de behoefte van) de andere twee kinderen en de draagkracht van de ex-partner van [partner 2] . De rechtbank vindt het redelijk om ervan uit te gaan dat [partner 2] , gelet op zijn inkomen, met de helft van zijn draagkracht bijdraagt in de kosten van zijn twee andere kinderen. De rechtbank rondt dit af op een bijdrage van € 500, - per maand. Van zijn draagkracht resteert dan (1.048 - / - 500 =) € 548, - per maand voor [minderjarige 5] . De vrouw heeft (1.204 - / - 3) € 341, - per maand voor [minderjarige 5] beschikbaar. Echter, zij hoeft slechts € 120, - per maand bij te dragen wanneer [partner 2] € 548, - voor [minderjarige 5] aanwendt.
4.50. Gelet op het voorgaande resteert dan (1.024 - / - 120 =) € 904, - per maand van de draagkracht van de vrouw om in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te kunnen voorzien. De man en de vrouw hebben dan dus samen beschikbaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] : ((2 x 180) + 904 =)
€ 1.264,-. Zij kunnen dan samen € 632, - per kind per maand bijdragen in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het tekort van de man en de vrouw om te voorzien in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is dan nog € 36, - per kind per maand.
De zorgkorting
4.51. De man maakt op de dagen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij hem verblijven kosten voor onder andere eten en drinken en energielasten: de verblijfskosten. Daarmee voldoet de man – deels – aan zijn onderhoudsverplichting. De rechtbank kan de bijdrage van de man verlagen met een percentage van de behoefte van de kinderen of een deel daarvan: de 'zorgkorting'.
4.52. Gelet op de wijziging in de zorgregeling vindt de rechtbank een zorgkorting van 15% van de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , dus afgerond € 100, - per kind per maand, passend. Maar omdat er hier een tekort aan draagkracht is, zou het niet eerlijk zijn als de man deze korting volledig mag toepassen. Als de man namelijk alle kosten die hij maakt voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in mindering mag brengen op de alimentatie, dan komt het hele tekort aan draagkracht op de schouders van de vrouw te rusten. De vrouw moet tenslotte ook kosten voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] maken, die zij eigenlijk niet kan dragen. De rechtbank vindt het in zo'n geval redelijk dat ieder de helft van het tekort draagt, dus een bedrag van (36/2 =) € 18, - per kind per maand. Dit betekent dat de rechtbank slechts een zorgkorting van (100 - / - 18 =) € 82, - per kind per maand in mindering brengt op de draagkracht van de man. Er blijft dan een bedrag over van (180 - / - 82 =) € 98, - per kind per maand, dat de man aan kinderalimentatie aan de vrouw kan betalen. Gelet op het verzoek van de man om de kinderalimentatie te wijzigen naar € 100, - per kind per maand, wijzigt de rechtbank de door de man te betalen kinderalimentatie naar een bedrag van
€ 100, - per kind per maand voor de te betalen alimentatie in 2025.
Indexering
4.53. Omdat de door de man te betalen kinderalimentatie van € 100, - per kind per maand voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ingaat op een datum die is gelegen vóór 1 januari 2026, verhoogt de rechtbank dit bedrag per 1 januari 2026 met de wettelijke indexering van 4,6%. De kinderalimentatie bedraagt dan per 1 januari 2026 € 104,60 per kind per maand voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
De uitvoerbaarheid bij voorraad
4.54. De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht.
Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

5 De beslissing

De rechtbank:
in de provisionele voorzieningenprocedure
5.1. wijst de verzoeken van de man af;
in de bodemprocedure
5.2. wijzigt de zorgregeling tussen de man en de kinderen zoals deze door partijen is overeengekomen in het ouderschapsplan die is aangehecht aan de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Zwolle van 12 juli 2024 in die zin dat de kinderen:
5.3. wijzigt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie, zoals die was vastgelegd in het ouderschapsplan dat in de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Zwolle van 12 juli 2024 is opgenomen, en bepaalt dat deze kinderalimentatie vanaf
1 augustus 2025 € 100, - per kind per maand voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt en vanaf
1 januari 2026 € 104,60 per kind per maand voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
5.4. wijst de verzoeken van partijen voor het overige af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M.M. Janssen - Witteveen, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. F.M. de Hart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
Bijlage 1: draagkracht van de man
Bijlage 2: draagkracht van de vrouw
Bijlage 3: draagkracht van [partner 1]
Bijlage 4: draagkracht van [partner 2]
Artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek.
Hoge Raad 13 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0451 en Hoge Raad 9 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:314.
Artikel 1:397 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Bijlage 1: draagkracht van de man.
Bijlage 2: draagkracht van de vrouw.
Bijlage 3: draagkracht van de mevrouw [partner 1] .
Bijlage 4: draagkracht van [partner 2] . - - - ## Voetnoten
Artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek.
Hoge Raad 13 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0451 en Hoge Raad 9 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:314.
Artikel 1:397 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Bijlage 1: draagkracht van de man.
Bijlage 2: draagkracht van de vrouw.
Bijlage 3: draagkracht van de mevrouw [partner 1] .
Bijlage 4: draagkracht van [partner 2] .