Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:1303 - Rechtbank Midden-Nederland - 24 februari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2026:1303•24 februari 2026
Uitspraak inhoud
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3289
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. T.D. Rijs),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, het college
(gemachtigde: mr. drs. H. van Gellekom).
Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] uit [plaats] (belanghebbenden)
(gemachtigde: mr. P.J. Gijsbertsen).
Inleiding
- Eiser is eigenaar van het pand met werfkelder aan de [straat] [nummeraanduiding 1] in [plaats] . Zijn pand en werfkelder grenzen aan die van belanghebbenden op nummer [nummeraanduiding 2] . In 2016 is eiser begonnen met het uitvoeren van diverse renovaties en herstelwerkzaamheden aan zijn pand. Vervolgens is tussen partijen een geschil ontstaan over verschillende constructieve onderdelen van beide panden. Dit is een langlopend geschil. Het geschil kenmerkt zich inmiddels door de zorgen van eiser over de constructieve veiligheid van zijn pand. In dat kader dient hij bij het college handhavingsverzoeken in over de constructies van zijn pand en dat van belanghebbenden.
- Deze zaak gaat over een dwarsmuur in de kelder van [straat] [nummeraanduiding 2] . Eiser heeft op 3 november 2024 bij het college een verzoek ingediend om handhavend op te treden tegen het zonder omgevingsvergunning realiseren van een constructieve dwarsmuur in de kelder van het pand van belanghebbenden. Met het besluit van 15 januari 2025 (het primaire besluit) heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen omdat volgens het college geen sprake is van een muur met een dragende of constructieve functie. Voor deze muur is volgens het college dan ook geen omgevingsvergunning vereist. Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
- Met de beslissing op bezwaar van 16 april 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Daarmee is de afwijzing van het handhavingsverzoek in stand gebleven. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
- Het beroep van eiser is behandeld op de zitting van 19 januari 2026. Eiser was hierbij aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [A] , [functie] bij het college. Namens derde-partij was [belanghebbende 1] bij de zitting aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
De goede procesorde
- Uit artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat nadere stukken tot tien dagen voor de zitting kunnen worden ingediend. Door de gemachtigde van eiser is op 16 januari 2026 een aanvullend stuk ingediend. In navolging hiervan is door eiser op 18 januari 2026 een aanvullend stuk ingediend. Deze stukken zijn binnen tien dagen voor de zitting en daarmee in beginsel te laat ingediend. Op de zitting hebben derde-partij en zijn gemachtigde laten weten dat ze geen kennis hebben genomen van deze stukken. Zij hebben de rechtbank daarom verzocht om deze stukken niet bij de beoordeling te betrekken. Gelet op het voorgaande betrekt de rechtbank de stukken van 16 en 18 januari 2026 daarom niet bij de behandeling van het beroep.
Misbruik van recht
- Het college en derde-partij hebben zich in deze zaak op het standpunt gesteld dat eiser misbruik maakt van zijn procesrecht. Het college en derde-partij hebben daarbij gewezen op de grote hoeveelheid handhavingsverzoeken en verzoeken op grond van de Wet Open Overheid (WOO) die door eiser worden gestart. Daarnaast loopt er tussen eiser en derde-partij ook een zaak bij de civiele rechter. Het college en derde-partij wijzen er in dat kader op dat eiser met deze procedures vooral tot doel heeft om derde-partij en het college te schaden en daar zelf (financieel) beter van te worden. Daarmee gebruikt eiser zijn recht om te procederen niet waar het voor bedoeld is.
- De rechtbank overweegt dat voor het oordeel dat sprake is van misbruik van recht zwaarwichtige gronden vereist zijn. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat onder andere van misbruik van recht sprake kan zijn als rechtsmiddelen worden ingesteld in procedures waarvan de eiser geacht moet worden te weten dat die procedures evident geen kans van slagen hebben.
[1] Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in deze zaak geen sprake. De rechtbank stelt met het college en derde-partij vast dat eiser zeer veel procedures start en heeft gestart over de panden aan de [straat] , maar deze zaken hebben veelal betrekking op verschillende onderwerpen of hebben een andere rechtsvraag. Bovendien zijn dit geen procedures waarvan eiser wist of had kunnen weten dat zij geen enkele kans van slagen zouden hebben. Uit de aard van de procedures volgt evenmin dat deze enkel tot doel hebben om het college of derde-partij schade toe te brengen. De enkele hoeveelheid aan procedures kan nu niet leiden tot de oordeel dat sprake is van misbruik van recht.
Procedurele gronden
- Eiser heeft op de zitting toegelicht dat zijn stelling dat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig is voorbereid, geen zelfstandige beroepsgrond is. De rechtbank zal dit standpunt van eiser dan ook niet als aparte beroepsgrond beoordelen.
- Eiser voert aan dat het bestreden besluit ten onrechte is genomen zonder dat er voorafgaand een hoorzitting heeft plaatsgevonden. Daarmee heeft het college gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 7:2 van de Awb. Volgens eiser kan dit gebrek niet worden gepasseerd omdat hij door het uitblijven van een hoorzitting in zijn belangen is geschaad. Als eiser zijn standpunt tijdens een hoorzitting had kunnen toelichten dan had enig onderzoek voor de beslissing op bezwaar kunnen plaatsvinden en had dit in beroep onderwerp van gesprek kunnen zijn. Dat was nu niet het geval. De zaak moet daarom volgens eiser worden terugverwezen naar het college om alsnog een hoorzitting te houden.
- Het college heeft toegelicht dat er volgens hem geen sprake is van een gebrek. Het college heeft grote moeite om met eiser in alle procedures in redelijkheid tot een datum voor een hoorzitting te komen. Het college hanteert daarom inmiddels de werkwijze dat twee data voor een hoorzitting aan eiser worden voorgesteld. Het college werkt niet mee aan verzoeken van eiser om uitstel of het houden van een hoorzitting op een andere dan de voorgestelde data. Dit is een voor eiser bekende werkwijze. Als er al sprake zou zijn van een gebrek, dan kan dit gebrek volgens het college worden gepasseerd omdat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn standpunt toe te lichten.
- De rechtbank oordeelt dat het college eiser in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord, zodat er geen sprake is van een gebrek. De rechtbank overweegt daartoe dat het college ook in deze zaak aan eiser twee data heeft aangeboden voor het houden van een hoorzitting. Het gaat om 25 maart en 15 april 2025. Eiser heeft daarop laten weten dat hij op de voorgestelde data verhinderd is en verzoekt het college om een hoorzitting te plannen na de meivakantie. De meivakantie liep in 2025 van 26 april tot en met 4 mei. Gelet op het feit dat eiser pas geruime tijd na de voorgestelde data beschikbaar zou zijn, mocht het college doorslag geven aan het belang van de voortgang van de procedure. De beroepsgrond slaagt niet.
Omvang van het geding
- Tussen partijen is in deze zaak uitsluitend in geschil of de dwarsmuur in de huiskelder van het pand aan de [straat] [nummeraanduiding 2] een constructieve functie heeft en of voor het bouwen of slopen van deze muur een omgevingsvergunning vereist is.
- Volgens eiser heeft de dwarsmuur een constructieve functie en is voor de muur daarom een omgevingsvergunning nodig. Eiser verzoekt het college dan ook handhavend op te treden tegen de zonder omgevingsvergunning gebouwde muur. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser in beroep de volgende stukken overgelegd: het onderzoek 'Instabiliteit van de [straat] [nummeraanduiding 2] ' van 8 april 2023 door ir. [B] , het advies van [onderneming 1] van 6 oktober 2023 door mr. [C] , de memo van [D] over de bouwhistorie van de Utrechtse kelders.
- Het college stelt zich op het standpunt dat de muur geen constructieve functie heeft zodat voor deze muur geen omgevingsvergunning vereist is. Er is daarom geen sprake van een overtreding en er is er ook geen aanleiding om handhavend op te treden. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft het college in beroep de volgende stukken overgelegd: het rapport van ir. [E] van 7 augustus 2019 van [onderneming 2] , een impressie van het ontstaan van de panden langs de [straat] , een tekening van [F] en een memo van [onderneming 3] van 5 januari 2026 en 8 januari 2026 waarin respectievelijk wordt gereageerd op de beroepsgronden van eiser en op het door eiser overgelegde rapport van ir. [B] .
Het toetsingskader
- De rechtbank overweegt dat in het kader van een handhavingsverzoek allereerst moet worden vastgesteld of sprake is van een overtreding. Als er geen sprake is van een overtreding, is het college immers ook niet bevoegd om handhavend op te treden. Uit rechtspraak
[2] van de Afdeling volgt dat het daarbij in beginsel aan het bevoegd gezag is om naar aanleiding van een verzoek om handhaving onderzoek te doen naar de gestelde overtreding. In bijzondere situaties kan echter van de verzoeker om handhaving een begin van bewijs van de gestelde overtreding worden gevergd voordat een verplichting tot nader onderzoek voor het bevoegd gezag ontstaat.
- Voor beoordeling van de vraag of in deze zaak sprake is van een overtreding is van belang dat uit artikel 5.1, tweede lid, van de Omgevingswet, kort samengevat, volgt dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten, voor zover bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen. Daarbij gaat het onder meer om de in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) aangewezen gevallen.
- Op grond van artikel 2.26 van het Bbl geldt het verbod zoals bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de Omgevingswet om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten, voor zover die betrekking heeft op een bouwwerk zonder een dak en dat bouwwerk hoger is dan 5 meter, ondergrond is gelegen, of een draagconstructie wijzigt.
- Uit artikel 2.27, eerste lid, van het Bbl volgt dat in afwijking van het bepaalde in artikel 2.26 van het Bbl en artikel 5.1, tweede lid, van de Omgevingswet geen omgevingsvergunning vereist is voor bouwactiviteiten die betrekking hebben op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van een bouwwerk waarbij de draagconstructie, de brandcompartimentering en de isolatie niet wijzigen.
Geen sprake van een overtreding
- De rechtbank oordeelt dat de dwarsmuur in de huiskelder van het pand aan de [straat] [nummeraanduiding 2] geen muur is waarmee de draagconstructie wijzigt. Uit het hiervoor gegeven toetsingskader volgt dat dit betekent dat voor het bouwen of slopen van de dwarsmuur geen omgevingsvergunning vereist is. De rechtbank licht dit oordeel hieronder verder toe.
- Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende onderzoek gedaan naar de functie van de dwarsmuur en heeft het college daarmee aannemelijk gemaakt dat de dwarsmuur geen constructieve functie heeft. Het college heeft, met ondersteuning van het rapport van ir. [E] van 7 augustus 2019 van [onderneming 2] , deugdelijk gemotiveerd dat een gewelf een gebogen constructie is waarbij de stenen zodanig geplaats zijn dat ze alleen druk op elkaar overbrengen. De hele constructie kan daarmee zonder verdere ondersteuning een ruimte overspannen. In een bestaand gewelf kunnen later dwarsmuren gebouwd worden. Een dergelijke dwarsmuur lijkt daarmee onderdeel van het gewelf. De muur kan immers door zorgvuldig metselwerk en het opvullen van de gaten tussen de nieuwe dwarsmuur en het gewelf naadloos aansluiten op het gewelf. Gelet op de hiervoor beschreven draagconstructie van een gewelf acht de rechtbank het aannemelijk dat het toevoegen van een nieuwe muur desondanks op zichzelf niet bijdraagt aan de constructie van het gewelf. Een toegevoegde dwarsmuur leidt daarmee niet tot een wijziging in de draagkracht, omdat de draagkracht uitsluitend bestaat in de boogconstructie van de gewelf. In deze zaak is de bouwgeschiedenis van het pand uitgebreid beschreven. Daaruit volgt dat in de jaren '70 van de vorige eeuw een aanpassing in de kelder van het pand aan de [straat] [nummeraanduiding 2] heeft plaatsgevonden. Er zijn toen in de kelder muurtjes geplaatst met de boog van het gewelf mee en haaks op de zijmuur. Dit ten behoeve van het realiseren van een wc en een keukenblok. Bij een verbouwing rond het jaar 1999/2000 zijn deze muurtjes verwijderd en is een nieuwe dwarsmuur gerealiseerd. Uit het hiervoor genoemde rapport van [E] volgt dat het verwijderen van de muurtjes niet heeft geleid tot vervorming of andere schade aan het gewelf. Het college wijst erop dat dit bevestigt dat de muurtjes geen dragende functie hadden en dat derhalve de in het jaar 2000 nieuw gerealiseerde dwarsmuur dat derhalve ook niet heeft. De rechtbank kan deze toelichting van het college met de ondersteuning van het rapport van [E] volgen en acht daarmee door het college voldoende gemotiveerd toegelicht en onderbouwd dat de dwarsmuur geen constructieve functie heeft.
- Wat eiser daar tegenin heeft gebracht leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt o.a. de volgende rapporten ingebracht: het onderzoek 'Instabiliteit van de [straat] [nummeraanduiding 2] ' van 8 april 2023 door ir. [B] , het advies van [onderneming 1] van 6 oktober 2023 door mr. [C] en de memo van [D] over de bouwhistorie van de Utrechtse kelders. Het rapport van [B] is een reactie op het door het college ingediende rapport van [E] . Eiser heeft daarnaast in de bezwaarfase gewezen op het rapport "Verificatieberekening [straat] [.] " van 23 juli 2021 van [onderneming 3] . Het college heeft als reactie op het rapport van [B] en het rapport van [onderneming 3] van 2021 een nadere reactie van [onderneming 3] ingebracht. Daarin is een berekening opgenomen waaruit volgt dat de constructieve veiligheid van de huiskelder niet in het geding is. Het college heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het rapport van [onderneming 3] van 23 juli 2021 in deze zaak niet relevant is omdat dit rapport een inschatting geeft van het risico op scheurvorming aan de [straat] door verkeersbelasting en het daarmee niet dient ter onderbouwing van het standpunt van eiser in deze zaak. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de door eiser ingebrachte stukken duidelijk gemotiveerd weerlegd en het college heeft daarin geen aanleiding hoeven zien om nader onderzoek te doen naar de vraag of de dwarsmuur een constructieve functie heeft.
- Dit betekent dat het college zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een overtreding. Het college heeft dan ook teerecht afgezien van handhavend optreden.
Proceskostenveroordeling
- Het college heeft de rechtbank op de zitting verzocht om eiser te veroordelen in de kosten van deze procedure in verband met misbruik van recht door eiser. Deze kosten komen neer op € 10.024,85 voor de aanvullende rapport van [onderneming 3] van 5 januari en 8 januari 2026.
- De rechtbank wijst dit verzoek af onder verwijzing naar het bepaalde in overweging 7. van deze uitspraak. Omdat geen sprake is van misbruik van recht door eiser, kan hij niet worden veroordeeld in de kosten van het college voor deze procedure.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college terecht heeft afgezien van handhavend optreden. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3447.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 7 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3602. - - - ## Voetnoten