Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:1232 - Rechtbank Midden-Nederland - 17 maart 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2026:1232•17 maart 2026
Uitspraak inhoud
Civiel recht
kantonrechter
locatie Almere
zaaknummer: 12050220 ME VERZ 26-4 BmR/842
Beschikking van 17 maart 2026
inzake
[verzoeker],
wonende te [plaats 1] ,
verder ook te noemen [verzoeker] ,
verzoekende partij,
gemachtigde: mr. B. Cornelissen,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Legalitas B.V.,
gevestigd te Hilversum ,
verder ook te noemen Legalitas,
verwerende partij,
gemachtigde: mr. M.A.M. Lem.
1 Het verloop van de procedure
1.1. De kantonrechter beschikt over de volgende stukken: - verzoekschrift met producties 1 tot en met 13 - akte overlegging productie 14 tot en met 21 - verweerschrift met producties 1 tot en met 19 - akte overlegging producties 20 tot en met 23
1.2. Bij dagvaarding in kort geding van 25 november 2025 heeft [verzoeker] een loonvordering ingesteld tegen Legalitas. De kantonrechter heeft bepaald dat het kort geding en het verzoekschrift gelijktijdig zal worden behandeld op 3 maart 2026. Ter zitting is afgesproken dat de stukken in kort geding en de verzoekschriftprocedure in beide zaken als ingebracht dienen te worden beschouwd en over en weer dus onderdeel uitmaken van de processtukken.
1.3. De kantonrechter beschikt over de volgende stukken in de kort geding procedure - de dagvaarding met producties 1 tot en met 9 - akte overlegging producties 10 tot en met 15 aan de zijde van [verzoeker] - akte overlegging producties 1 tot en met 16 aan de zijde van Legalitas - proces-verbaal van 4 december 2025 tot wraking - beslissing wrakingskamer van 8 januari 2026
1.4. In beide zaken: - de mondelinge behandeling op 3 maart 2026 - de pleitnotities aan de zijde van [verzoeker] - de pleitnotities aan de zijde van Legalitas.
1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. [verzoeker] is verschenen bijgestaan door mr. B. Cornelissen. Namens Legalitas is mevrouw mr. [A] en de heer [B] verschenen, bijgestaan door mr. M.A.M. Lem.
Beide gemachtigden hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen. Deze zijn aan het dossier toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat met partijen besproken is op de zitting.
1.3. Hierna is uitspraak bepaald.
2 De feiten
2.1. [verzoeker] is op 1 januari 2023 in dienst getreden van Legalitas in de functie van [functie] . Het laatstgenoten salaris bedraagt € 5.000,00 bruto per maand.
2.2. Op 30 juni 2025 vraagt Legalitas het UWV om toestemming om de arbeidsovereenkomst te mogen beëindigen op grond van bedrijfseconomische dan wel bedrijfsorganisatorische redenen. Bij brief van 7 juli 2025 wordt [verzoeker] op de hoogte gesteld van verval van zijn functie met toezending van een vaststellingsovereenkomst.
2.3. Bij e-mail van 7 juli 2025 meldt [verzoeker] zich ziek.
2.4. Uit de probleemanalyse van de bedrijfsarts/ Arbodienst opgeteld door [C] onder supervisie van [D] van 12 augustus 2025 volgt dat er geen medische gronden zijn voor arbeidsongeschiktheid, maar dat conflictbemiddeling of mediation is geïndiceerd.
2.5. Op 3 en 5 oktober 2025 deelt Legaltas aan [verzoeker] in persoon mede dat het loon per 1 oktober 2025 is gestopt, omdat [verzoeker] niet bereid is medewerking te verlenen aan mediation noch dat [verzoeker] is verschenen voor een gesprek.
2.6. Bij dagvaarding in kort geding van 25 november 2025 vordert [verzoeker] onder meer doorbetaling van het loon.
2.7. Het UWV heeft op 5 december 2025 toestemming verleend de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Met inachtneming van de opzegtermijn is de arbeidsovereenkomst door Legalitas opgezegd tegen 1 februari 2026.
3 Het verzoek
3.1. [verzoeker] heeft een verzoek gedaan om toekenning van de transitievergoeding, een billijke vergoeding € 34.830,00 bruto en een vergoeding voor immateriële schade van € 5.000,00 op grond van artikel 7: 673 en 7:682 BW. Volgens [verzoeker] moet een vergoeding worden toegekend omdat Legalitas zich in de periode voorafgaand aan de opzegging van de arbeidsovereenkomst op tal van manieren ernstig verwijtbaar heeft gedragen jegens [verzoeker] .
3.2. Daarnaast vordert [verzoeker] om Legalitas te veroordelen tot het afgeven van een juiste eindafrekening ter zake nog openstaande vakantiebijslag en openstaande vakantiedagen per 1 februari 2026.
3.3. Legalitas stelt dat de vordering om een billijke vergoeding en immaterieel schade moet worden afgewezen. De verschuldigdheid van de transitievergoeding wordt erkend, maar Legalitas doet een beroep op verrekening voor een bedrag van € 8.237,94, bestaande uit een bedrag van € 6.050,00 aan juridische kosten en € 2.187,94 aan uitgaven door [verzoeker] die ten onrechte ten laste van Legalitas zijn gebracht.
3.4. Bij tegenverzoek vordert Legalitas een verklaring voor recht dat [verzoeker] ten opzichte van Legalitas in strijd met goed werknemerschap heeft gehandeld en dat Legalitas bij de eindafrekening per 1 februari 2026 geen salaris en emolumenten verschuldigd is vanaf 1 oktober 2025 tot 1 februari 2026. Tot slot vordert Legalitas afgifte van de laptop, de sleutels van de [straat 1] [nummeraanduiding 1] te [plaats 2] , de tag van [straat 2] [nummeraanduiding 2] te [plaats 2] op straffe van een dwangsom van € 500,00.
4 De beoordeling
4.1. Het gaat in deze zaak in de kern om de vraag of aan [verzoeker] een transitievergoeding, een billijke vergoeding en immateriële schade moet worden toegekend.
4.2. Vaststaat dat Legalitas, met toestemming van het UWV, de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] heeft opgezegd met ingang van 1 februari 2026 wegens bedrijfsorganisatorische redenen.
Transitievergoeding
4.3. Bij einde van de arbeidsovereenkomst heeft [verzoeker] in beginsel recht op uitbetaling van de transitievergoeding op grond van artikel 6:673 lid 1 onder a BW. Dat wordt door Legalitas ook erkend. Legalitas beroept zich echter op verrekening, waarover hieronder meer.
Billijke vergoeding
4.4. Uit artikel 7:682 lid 1, onderdeel c, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van een werknemer van wie de arbeidsovereenkomst is opgezegd met toestemming van het UWV, aan de werknemer een billijke vergoeding kan toekennen, indien de opzegging wegens omstandigheden als bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel b, BW het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte ernstig heeft veronachtzaamd of als een werknemer arbeidsongeschikt is geworden en wordt ontslagen als gevolg van verwijtbaar onvoldoende zorg van de werkgever voor de arbeidsomstandigheden..
4.5. Naar het oordeel van de kantonrechter is de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Legalitas. Daarbij is het volgende van belang.
4.6. Het is aan [verzoeker] te onderbouwen dat de toestemming van het UWV ten onrechte is verleend als de werkgever de redelijke grond voor ontslag door ernstig verwijtbaar handelen heeft veroorzaakt. Dat heeft [verzoeker] evenwel op geen enkele wijze gedaan. Het causaal verband tussen het handelen van Legalitas en de toestemming van het UWV voor opzegging van de arbeidsovereenkomst ontbreekt. [verzoeker] heeft niet eens de beslissing van het UWV in het geding gebracht. Ter zitting is door beide partijen gesteld dat de toestemming is verleend op grond van bedrijfsorganisatorische omstandigheden. Weliswaar stelt [verzoeker] dat de cijfermatige onderbouwing van de financiële situatie bij Legalitas niet is verstrekt of onjuist zou zijn, maar niet kan worden vastgesteld dat de financiële situatie, laat staan de onjuiste geschetste financiële situatie, van Legalitas doorslaggevend is geweest voor de toestemming van het UWV voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] . Zoals gezegd de beslissing van het UWV is niet overgelegd. Zonder nadere toelichting valt dan ook niet in te zien dat het UWV de toestemming heeft verleend op onjuiste gronden nota bene in relatie met vermeend ernstig verwijtbaar handelen van Legalitas. Het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding moet reeds daarom worden afgewezen.
4.7. De door [verzoeker] opgeworpen (overige) verwijten richting Legalitas zien onder meer op de door Legalitas opgelegde loonsanctie per 1 oktober 2025, waarover heden in kort geding is geoordeeld. Daar is geoordeeld dat Legalitas ten onrechte die loonsanctie heeft opgelegd en alsnog het loon over de periode van 1 oktober tot 1 februari 2026 zal moet voldoen. Dit verwijt staat evenwel los van de door [verzoeker] aangevoerde grondslag ex artikel 7:682 lid 1 onderdeel c, BW. Daarnaast meent [verzoeker] dat hij ten onrechte is beschuldigd van grensoverschrijdend gedrag jegens een andere werknemer, mevrouw [E] , ten onrechte is beschuldigd van het ontbreken van diploma's en ten onrechte is beschuldigd van vermeend frauduleus handelen. [verzoeker] stelt verder dat zijn arbeidsongeschiktheid het rechtstreeks gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen bestaande uit: i) het blokkeren van toegang tot de automatiseringssystemen na ziekmelding, ii) het prematuur bekend maken binnen de onderneming van zijn vertrek, iii) het uitoefenen van oneigenlijke druk op [verzoeker] om in te stemmen met een ondermaatse betalingsregeling, iv) het indienen van een kansloos wrakingsverzoek om tijd te winnen. Ook die beschuldigingen en verwijten, van wat daar ook van zij, kunnen niet in relatie gebracht worden met de beslissing van het UWV.
4.8. Bovendien is de vordering tot toekenning van een billijke vergoeding van € 34.380,00 ook nog eens onbegrijpelijk. [verzoeker] stelt immers dat indien de arbeidsovereenkomst niet – mede ten gevolge van het ernstig verwijtbare handelen van Legalitas, met ingang van 1 februari 2026 zou zijn geëindigd, [verzoeker] nog een half jaar in dienst zou zijn gebleven tegen hetzelfde salaris. Maar zoals hierboven al is overwogen is op geen enkele wijze komen vast te staan dat de beëindiging van de arbeidsrelatie het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van Legalitas. Aldus kan ook niet worden aangenomen dat de arbeidsovereenkomst dan nog zes maanden veronderstellende wijs zou hebben voortgeduurd.
Schadevergoeding ex artikel 7:611 BW en artikel 7:658 BW
4.9. Voor zover het standpunt van [verzoeker] ook met worden opgevat als een verzoek om schadevergoeding dan moet dat verzoek worden afgewezen. [verzoeker] noemt in zijn verzoekschrift en pleitnota weliswaar artikel 7:611 BW en 7:658 BW, maar ook hier gaat de summierlijke onderbouwing mank. Allereerst geldt dat de wettelijke regeling van de billijke vergoeding in geval van toestemming UWV tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst, waaronder de billijke vergoeding van artikel 7:682 lid 1, onderdeel c, BW, een exclusieve regeling is. Dat wil zeggen dat alleen in het geval ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever heeft geleid tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst, er plaats kan zijn voor toekenning van een billijke vergoeding. Er is daarnaast dus geen ruimte meer om een schadevergoeding toe te kennen als de beëindiging van de arbeidsovereenkomst een gevolg is van of verband houdt met een schending van de zorgplicht of goed werkgeverschap, zonder dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Ook de wettelijke regeling van de transitievergoeding, neergelegd in artikel 7:673 BW, is een exclusieve regeling. Dat wil zeggen dat met de transitievergoeding al is voorzien in een vergoeding voor de gevolgen van een ontslag en voor de kosten om de transitie naar ander werk te vergemakkelijken. Er is daarnaast dus ook geen meer ruimte om een schadevergoeding toe te kennen wegens een schending van de zorgplicht of goed werkgeverschap, voor zover die schadevergoeding wordt verzocht vanwege de gevolgen van het ontslag of de kosten van transitie naar ander werk.
4.10. Er kan onder omstandigheden uiteraard grond zijn voor toekenning van een schadevergoeding op grond van artikel 7:658 BW, los van de UWV procedure, als sprake is van een schending van de zorgplicht van de werkgever en aansprakelijkheid volgens dat artikel. Wat betreft artikel 7:611 BW geldt dat aanleiding kan bestaan voor toekenning van een schadevergoeding op grond van dat artikel, als de gestelde schending van goed werkgeverschap en de daaruit voortvloeiende schade losstaat van handelen of nalaten van de werkgever dat heeft geleid tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst en losstaat van de gevolgen van het ontslag als zodanig.
4.11. Voor zover al moet worden aangenomen dat [verzoeker] de beschuldigingen en verwijten genoemd onder 4.7 ten grondslag heeft willen leggen aan een vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 7:611 en/of artikel 7:658 BW (het verzoekschrift is daar bepaald niet duidelijk over) heeft [verzoeker] op geen enkele wijze aangetoond dat het handelen van Legalitas, wat daar verder ook van zij, hem enige schade heeft berokkend en waaruit die schade dan uit zou bestaan. Reeds om die reden komt toekenning van een schadevergoeding al niet in beeld. [verzoeker] maakt daarnaast nog aanspraak op een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schadevergoeding. [verzoeker] stelt dat hij vanaf juli 2025 onbehoorlijk is behandeld en dat als gevolg daarvan hij last heeft van stress en spanningsklachten. De kantonrechter kan zich voorstellen dat de hele ontslagprocedure en de wijze waarop Legalitas heeft geopereerd door met name een loonsanctie op te leggen heeft geleid tot stress en spanningsklachten. Dat is echter onvoldoende om zonder nadere toelichting een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen. Het had op de weg van [verzoeker] gelegen om voldoende concrete gegevens aan te voeren, bijvoorbeeld medische informatie, waaruit kan worden afgeleid dat sprake was en nog is van 'geestelijk' letsel.
Verrekening met transitievergoeding
4.12. Legaltias stelt dat [verzoeker] vanaf de datum indiensttreding tot en met 7 april 2025 wederrechtelijk bedragen van de bankrekening van Legalitas aan zijn eigen bankrekening heeft overgemaakt, ten onrechte kosten voor lunches in rekening heeft gebracht en enkele nota's van inkopen op naam van zijn eigen bedrijf [onderneming 1] ) zijn gedaan. Legalitas kwalificeert het handelen van [verzoeker] als frauduleus. Het ziet op een totaalbedrag van € 2.187,94. [verzoeker] bestrijdt dat hij verwijtbaar gelden heeft overgemaakt naar zijn bankrekening en kosten heeft doorberekend die niet aan Legalitas ten goede zijn gekomen. [verzoeker] heeft bij productie 20 de uitgaven besproken en toegelicht. Het gaat volgens [verzoeker] om boodschappen ten behoeve van de kantoren aan de [straat 1] en [straat 2] , lunches ten behoeve van het personeel, autoverhuur ten behoeve van Legalitas (verhuizen van spullen) etc. en ook veelal nog eens afgestemd met de heer [B] . De kantonrechter kan niet vaststellen dat [verzoeker] zich ten koste van Legalitas zou hebben verrijkt dan wel ten nadele van Legalitas frauduleus zou hebben gehandeld. Dat ligt ook niet zo voor de hand omdat de inkopen en uitgaven zijn afgeschreven op de bankrekening van Legalitas en [verzoeker] een en ander ook heeft verwerkt in de boekhouding van Legalitas. Dat [verzoeker] ook een aantal inkopen heeft gedaan bij [onderneming 2] op naam van zijn bedrijf [onderneming 1] is opmerkelijk en onjuist, maar dat betekent nog niet dat de inkopen niet ten goede aan Legalitas zijn gekomen. Dit betekent dat de gegrondheid van het verweer van Legalitas om te komen tot verrekening niet op eenvoudige wijze is vast te stellen. Het beroep op verrekening wordt dan ook afgewezen.
4.13. Legalitas maakt aanspraak op de werkelijk gemaakte juridische kosten, begroot op € 6.050,00 inclusief Btw (17 uur tegen een uurtarief van € 288,00) en beroept zich ook hier op verrekening. Legalitas meent dat door toedoen van [verzoeker] zij onnodig op advocaatkosten is gejaagd.
4.14. De kantonrechter stelt voorop dat een vordering tot verrekening en/of vergoeding van alle proceskosten, waaronder die van de advocaat, in beginsel alleen toewijsbaar is in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. En dat is pas het geval als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Daarvan is in onderhavige zaak onvoldoende gebleken. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM. Het beroep op verrekening wordt eveneens afgewezen.
4.15. Dit betekent dat Legalitas zal worden veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding van € 5.400,00 bruto.
Correcte eindafrekening
[verzoeker] verzoekt veroordeling van Legalitas om zorg te dragen voor een correcte eindafrekening bij einde dienstverband per 1 februari 2026. Legalitas is verplicht tot verstrekking van een eindafrekening, zodat die vordering voor toewijzing in aanmerking komt.
Tegenverzoek
4.16. Legalitas vordert een verklaring voor recht dat [verzoeker] ten opzichte van Legalitas in strijd met goed werknemerschap heeft gehandeld en dat Legalitas, bij de eindafrekening van het dienstverband per 1 februari 2026 geen salaris en emolumenten is verschuldigd over de periode van 1 oktober 2025 tot 1 februari 2026. Die vordering wordt afgewezen. De kantonrechter verwijst daarvoor naar het vonnis in kort geding van heden, waarbij Legalitas is veroordeeld alsnog het loon over de periode 1 oktober 2025 tot 1 februari 2026 aan [verzoeker] te voldoen.
4.17. Tegen de vordering van Legalitas tot afgifte van de laptop, de sleutels van de [straat 1] [nummeraanduiding 1] te [plaats 2] , de tag van [straat 2] [nummeraanduiding 2] te [plaats 2] heeft [verzoeker] geen verweer gevoerd. [verzoeker] zal daartoe dan ook worden veroordeeld. De kantonrechter zal daaraan een dwangsom verbinden van € 250,00 per dag tot aan de dag dat [verzoeker] de zaken ter beschikking heeft gesteld aan Legalitas met een maximum van € 2.500,00.
Proceskosten in verzoek en tegenverzoek
4.18. Partijen zijn over en weer deels in het ongelijk en gelijk gesteld. De kantonrechter ziet daarin aanleiding de proceskosten in onderhavige zaak te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5 De beslissing
De kantonrechter:
Het verzoek
5.1. veroordeelt Legalitas om aan [verzoeker] tegen bewijs van kwijting te betalen € 5.400,00 bruto;
5.2. veroordeelt Legalitas om binnen 7 dagen na vonnis zorg te dragen voor een correcte eindafrekening per einde dienstverband van 1 februari 2026 waaronder aanspraak op vakantiebijslag en openstaande vakantiedagen;
5.3. verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad;
5.4. wijst het meer of anders gevorderde af;
Het tegenverzoek
5.5. veroordeelt [verzoeker] om binnen twee dagen na betekening van deze beschikking aan Legalitas ter beschikking te stellen: de laptop, de sleutels van de [straat 1] [nummeraanduiding 1] te [plaats 2] , en de tag van [straat 2] [nummeraanduiding 2] te [plaats 2] op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag, met een maximum van € 2.500,00, tot aan de dag dat [verzoeker] genoemde zaken aan Legalitas ter beschikking heeft gesteld;
5.6. verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad;
5.7. wijst het meer of anders gevorderde af;
In het verzoek en tegenverzoek
5.8. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gewezen door mr. R.M. Berendsen, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.