Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:1224 - Rechtbank Midden-Nederland - 20 maart 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2026:1224•20 maart 2026
Uitspraak inhoud
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/219727-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 20 maart 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1961 in [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] in [plaats] ,
(hierna: de verdachte).
1 Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 27 februari 2026. Het onderzoek is gesloten op 20 maart 2026.
Op de zitting van 27 februari 2026 waren aanwezig:
2 Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1
op 22 juli 2025 in De Meern samen met anderen ruim 4,5 kilogram cocaïne in Nederland heeft ingevoerd of vervoerd;
feit 2
op 22 juli 2025 in De Meern en/of in Assen samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor (onder meer) de invoer van cocaïne, door afspraken te maken om medeverdachte [medeverdachte 1] op te halen van zijn vliegreis, en door koffers met een dubbele bodem en een grote hoeveelheid cafeïne voorhanden te hebben.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3 Bewijs
3.1. Inleiding
Op 22 juli 2025 houdt de politie een auto staande naast de snelweg in De Meern naar aanleiding van een ANPR-hit. In de auto zitten de volgende personen: de verdachte als bestuurder, [medeverdachte 2] als bijrijder en [medeverdachte 1] als passagier. In de kofferbak van de auto treft de politie twee koffers aan met daarin – naar later blijkt – cocaïne, verstopt in een dubbele bodem. Verder treft de politie kofferlabels aan waaruit volgt dat [medeverdachte 1] diezelfde ochtend vanuit Curaçao, via Sint Maarten, met het vliegtuig in Parijs is aangekomen.
Vervolgens vindt de politie in de woning van de verdachte en [medeverdachte 2] meerdere koffers met opengescheurde voering en een bakje met cafeïne. De zoon van [medeverdachte 2] en [verdachte] , [medeverdachte 3] , wordt ook als verdachte aangemerkt, omdat hij zijn ouders heeft gevraagd [medeverdachte 1] op te halen.
De vragen die in deze zaak centraal staan zijn:
3.2. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de controle en de doorzoeking van de auto rechtmatig zijn verlopen. De officier van justitie concludeert dat niet kan worden bewezen dat de verdachte als medepleger opzettelijk de drugs heeft ingevoerd in Nederland. Wel kan volgens de officier van justitie worden bewezen dat de verdachte als medepleger de cocaïne opzettelijk heeft vervoerd (feit 1) en dat hij voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor drugshandel (feit 2).
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.4.
3.3. Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de feiten 1 en 2, primair omdat het bewijs tegen hem onrechtmatig is verkregen en daarom van het bewijs moet worden uitgesloten; en subsidiair omdat de verdachte de feiten ontkent en het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.
De bewijsverweren van de verdediging worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 3.4.
3.4. Oordeel van de rechtbank
3.4.1. Bewijsuitsluitingsverweren
De advocaat bepleit dat er onherstelbare vormverzuimen zijn geweest in het vooronderzoek, als gevolg waarvan de resultaten van de doorzoeking van de auto en de daaropvolgende doorzoeking in de woning van de verdachte van het bewijs moet worden uitgesloten. Het verweer komt er in het kort op neer dat a) de ANPR-registratie van het kenteken van de auto onrechtmatig is geweest en b) dat de politie haar bevoegdheden heeft misbruikt, door de scharnieren van de auto te controleren voor een ander doel, namelijk om te zien wat er zich in de auto en achterbak bevond.
De rechtbank zal hierna stapsgewijs de door de politie uitgeoefende bevoegdheden beoordelen.
Mocht het voertuig in de ANPR geregistreerd worden?
De auto waarin de verdachte reed is staande gehouden naar aanleiding van een zogeheten ANPR-hit. Dit betekent dat er een signaal werd gegeven dat het kenteken van de auto overeenkwam met een kenteken in de referentielijst.
De advocaat heeft haar verweer grotendeels op artikel 126jj van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gebaseerd. Op grond van dat artikel is de bevoegdheid gecreëerd ANPR-gegevens vast te leggen en te bewaren. De grondslag voor het opnemen van een kenteken op de referentielijst van de ANPR is echter artikel 3 van de Politiewet 2012, en dus niet artikel 126jj Sv (vgl. ECLI:NL:RBROT:2024:7266).
In het proces-verbaal van bevindingen op pagina 29 van het dossier staat vermeld dat het voertuig in het ANPR-systeem is geplaatst met als doel het voertuig te controleren vanwege of in verband met ondermijnende criminaliteit en dat de toestemming daarvoor was verleend door de landelijke ANPR-officier. Verder valt uit het proces-verbaal op te maken dat de inwonende zoon van de tenaamgestelde van de auto eerder slachtoffer is geweest van twee aanslagen op zijn (vorige) woning en dat de aanleiding hiervoor mogelijk spanningen in de onderwereld betroffen. In een aanvullend proces-verbaal dat is opgemaakt naar aanleiding van vragen van de advocaat, heeft de politie geschreven dat nadere aanwijzingen waarom het kenteken relevant kon zijn niet kunnen worden gedeeld, teneinde zwaarwegende belangen van opsporing en vervolging in toekomstige onderzoeken niet te schaden.
De rechtbank overweegt dat de algemene politietaak (artikel 3 van de Politiewet 2012) de bevoegdheid geeft om een kenteken op te nemen op de referentielijst van de ANPR. Daaraan hoeft geen proces-verbaal van verdenking of bevel ten grondslag te liggen. Het opnemen van een kenteken in de referentielijst maakt slechts een geringe inbreuk op het recht op privacy, omdat pas bij controle van het voertuig blijkt wie op dat moment gebruik maakt van de auto. Bovendien is de informatie uit de ANPR enkel zichtbaar voor het Flexibel Interventieteam van de politie. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat de controle van dit specifieke voertuig relevant kon zijn voor de politietaak, vanwege het mogelijke verband met ondermijnende criminaliteit. Dat verdere informatie niet kan worden gedeeld in verband met zwaarwegende opsporingsbelangen, acht de rechtbank een legitieme reden.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat er voldoende grondslag bestond het kenteken van de auto op te nemen in het ANPR-systeem. Er is dus in zoverre geen sprake van een vormverzuim.
Mocht de politie deze auto selecteren voor een verkeerscontrole?
De politie heeft op grond van artikel 160 van de Wegenverkeerswet de bevoegdheid toezicht te houden op de verkeersveiligheid en daartoe controles te doen. Het staat de politie in beginsel vrij om te kiezen welke auto's zij wel en niet controleren. Voor de toepassing van de controlebevoegdheid is geen concrete aanleiding of verdenking nodig. De controle moet wel verband houden met de naleving van de verkeersvoorschriften. Als daadwerkelijk inzage is gevorderd in het rijbewijs en/of de kentekenpapieren van het voertuig, zoals ook in dit geval, dan mag worden aangenomen dat de bevoegdheden van artikel 160, eerste en vierde lid, van de Wegenverkeerswet voor dat doel zijn uitgeoefend. In dat geval is het politieoptreden in beginsel rechtmatig, óók als die bevoegdheid daarnaast het verrichten van opsporingshandelingen mogelijk maakt waarop die bepalingen niet zien. Die omstandigheid brengt immers nog niet mee dat de controlebevoegdheid uitsluitend is gebruikt voor een ander doel – te weten: voor het verrichten van opsporingshandelingen – dan waarvoor deze is verleend. Dit volgt uit de rechtspraak (zie ECLI:NL:HR:2016:2454 (dynamische verkeerscontrole)).
De rechtbank concludeert dat de politie de bevoegdheid had de auto te selecteren voor een verkeerscontrole en dat de politie ook de bestuurder om zijn rijbewijs en kentekenpapieren mocht vragen. Ook op dit punt is geen sprake van een vormverzuim.
Mocht de politie de overige inzittenden om hun legitimatie vragen en (zonder cautie) vragen stellen?
Op grond van artikel 8 lid 1 van de Politiewet 2012 is een ambtenaar van de politie bevoegd tot het vorderen van inzage van een identiteitsbewijs, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de politietaak. Gelet op het doel dat bij de ANPR-hit werd genoemd (controleren voertuig vanwege of in verband met ondermijnende criminaliteit), is de rechtbank van oordeel dat de vordering van de legitimatiebewijzen van verdachte, de bijrijder ( [medeverdachte 2] ) en de passagier ( [medeverdachte 1] ) gerechtvaardigd was in het licht van de rechtmatige uitoefening van de politietaak. Zo was deze informatie bijvoorbeeld noodzakelijk om de politiesystemen te bevragen op eventuele antecedenten op het gebied van ondermijnende (drugs)criminaliteit (vgl. ECLI:NL:HR:2011:BQ1978).
De politie heeft hen vervolgens afzonderlijk bevraagd waar zij zojuist vandaan kwamen. Op dat moment was er nog geen aanwijzing dat een strafbaar feit was (of werd) begaan en was er ten opzichte van de verdachte ook geen sprake van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat er voldoende grondslag bestond om de inzittenden om hun legitimatie te vragen en dat de politie op dat moment ook nog geen cautie hoefde te geven. Op dit punt is geen sprake van een vormverzuim.
Hadden de politieagenten de bevoegdheid om de kofferbak te openen?
Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat, nadat de bestuurder om zijn rijbewijs en kentekenpapieren werd gevraagd, een controle werd uitgevoerd op de technische staat van het voertuig. Hierbij werd het chassisnummer, de profilering van de banden, de echtheidskenmerken van de kentekenplaat, de werking van de sluitingen van de autoportieren en kofferbak, de scharnieren van de autoportieren, de motorkap en de kofferdeksel gecontroleerd. Tijdens het openen van de kofferklep om de werking van de scharnieren te controleren, zag de verbalisant achterin het voertuig de twee koffers liggen (waarin naar later bleek de cocaïne werd vervoerd).
De rechtbank stelt voorop dat de politie verkeersvoorschriften mag controleren. Deze bevoegdheid volgt uit artikel 160, lid 4, jo. artikel 159 van de Wegenverkeerswet 1994.
Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt echter niet waarom tot een technische controle van de staat van het voertuig is overgegaan die ook inhield dat de scharnieren van de achterklep moesten worden gecontroleerd. Er zijn geen waarnemingen geverbaliseerd waaruit volgt dat er mogelijk iets mis was met de technische staat van de auto of specifiek met de scharnieren van het voertuig, of dat bijvoorbeeld de APK van het voertuig was verlopen. In dit geval had de politie daar wel inzicht in moeten geven, vooral omdat de veelomvattende verkeerscontrolebevoegdheid en de strenger gereguleerde opsporingsbevoegdheden hier door elkaar kunnen gaan lopen. Het openen van de kofferbak is immers nodig om de scharnieren te kunnen controleren (verkeerscontrole), maar is ook een eerste stap in de doorzoeking van een voertuig (opsporing). Voor het mogen doorzoeken van een auto ligt de drempel veel hoger: daarvoor wordt de eis gesteld dat er een verdenking is van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten of ten minste dat er een redelijk vermoeden is dat er drugs aanwezig is in de auto.
De rechtbank acht dan ook niet inzichtelijk waarom de verbalisant is overgegaan tot controle van de scharnieren van de portieren en de kofferbak.
Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat de bevoegdheid een technische controle aan de auto te verrichten is gebruikt om in de achterbak te kunnen kijken, zonder dat er op dat moment sprake was van een verdenking van een strafbaar feit. Dit is een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv. De rechtbank zal aan de hand van het belang van de geschonden voorschriften, de ernst van het verzuim en het geleden nadeel beoordelen of hieraan een gevolg moet worden verbonden in de strafzaak van de verdachte.
Het belang van de geschonden voorschriften
Auto's mogen alleen worden doorzocht als er een verdenking is van een strafbaar feit. Het belang daarachter is dat een doorzoeking een inbreuk kan maken op de persoonlijke levenssfeer van de eigenaar, de bestuurder en/of de passagiers van de auto. De politie mag haar bevoegdheden bovendien niet voor een ander doel gebruiken. Het belang daarachter is dat burgers moeten worden beschermd tegen willekeurig overheidsoptreden.
Ernst van het verzuim
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het verzuim beperkt is gebleven, kort gezegd vanwege het volgende: als de politie een andere volgorde had toegepast, dan had er geen vormverzuim plaatsgevonden en had de politie alsnog tot doorzoeking over mogen gaan.
Hoewel er op het moment dat de kofferbak werd geopend geen sprake was van een verdenking van een strafbaar feit, is de rechtbank van oordeel dat die kort daarna wel gerechtvaardigd is ontstaan, ook zonder de informatie die het openen van de achterbak opleverde. De antwoorden van de inzittenden over waar zij vandaan kwamen, strookten immers niet met elkaar en evenmin met inmiddels door de politie gecheckte de reisbewegingen uit de ANPR. Daarnaast bleek uit de bevraging van de politiesystemen dat [medeverdachte 1] eerder was gepakt met verdovende middelen op Schiphol, komende uit Curaçao. Verder was de verbalisanten de informatie bekend uit de ANPR, namelijk een mogelijk verband met ondermijnende criminaliteit, en de informatie over de twee aanslagen op het adres van de zoon van de verdachte.
Die omstandigheden tezamen bezien, de waarneming van de koffers dus niet meegewogen, zouden voldoende zijn geweest om tot een redelijk vermoeden te komen dat er drugs met de auto werden vervoerd. De politie zou vervolgens op grond van artikel 9, lid 1 onder a, van de Opiumwet de bevoegdheid hebben gehad de auto te doorzoeken en de kofferbak te openen.
Geleden nadeel
De rechtbank stelt voorop dat het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, niet kan worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang. Het door het vormverzuim geleden nadeel is in feite beperkt gebleven tot het openen van een privéruimte. Gesteld noch gebleken is dat er ook daadwerkelijk privacygevoelige informatie of voorwerpen in de kofferbak lagen.
Rechtsgevolg
Omdat de ernst van het verzuim en het geleden nadeel beperkt zijn gebleven, is de rechtbank van oordeel dat kan worden volstaan met de enkele constatering van het vormverzuim. De rechtbank acht het niet passend bewijsuitsluiting toe te passen, zoals door de advocaat is verzocht.
De rechtbank zal hierna onder paragraaf 3.4.2 en 3.4.3 nader ingaan op de vraag of kan worden bewezen dat de verdachte betrokkenheid had bij de invoer dan wel het vervoer van de cocaïne (feit 1). Daarna zal de rechtbank onder 3.4.4 haar oordeel omtrent de voorbereidingshandelingen (feit 2) uitleggen.
3.4.2. Bewijsmiddelen feit 1
De rechtbank oordeelt dat feit 1 (gedeeltelijk) is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
3.4.3. Bewijsoverwegingen feit 1
Sprake van opzet?
Om tot een bewezenverklaring te komen voor het opzettelijk invoeren of vervoeren van harddrugs, is ten minste vereist dat de verdachte zowel wetenschap als beschikkingsmacht had over die drugs. Ten aanzien van die wetenschap kan sprake zijn van voorwaardelijk opzet, in die zin dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er drugs in de koffers zat.
De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op het invoeren of het vervoeren van de cocaïne, zodat hij daarvan vrij moet worden gesproken.
De verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat [medeverdachte 1] drugs vervoerde. [medeverdachte 1] is als getuige op de zitting gehoord en heeft verklaard dat de verdachte niets wist van de cocaïne in zijn koffers.
De rechtbank is van oordeel dat het dossier verder geen bewijsmiddelen bevat waaruit afgeleid kan worden dat de verdachte wetenschap had van de drugs in de koffers. Hoewel de drugsgerelateerde afbeeldingen op de telefoon de nodige vragen oproepen, kunnen deze op zichzelf niet dienen als bewijsmiddel dat de verdachte wetenschap had van de cocaïne in de koffers. Het dossier biedt ook geen enkel bewijs waaruit aanvaarding door verdachte van de aanmerkelijke kans dat de koffers cocaïne bevatten zou kunnen volgen.
De verdachte kan ook niet worden veroordeeld voor het medeplegen, omdat daarvoor opzet op het gronddelict is vereist. De verdachte wordt vrijgesproken van (al dan niet medeplegen) van opzettelijke invoer en vervoer van cocaïne.
Beschikkingsmacht
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de cocaïne zich binnen de machtssfeer van verdachte bevond, omdat deze in zijn auto was die hij op dat moment bestuurde. Dat maakt dat de impliciet subsidiaire beschuldiging, namelijk het niet opzettelijk vervoeren van cocaïne, wel wettig en overtuigend kan worden bewezen.
3.4.4. Vrijspraak feit 2
De rechtbank oordeelt dat feit 2 niet is bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij. De rechtbank legt hierna uit waarom.
De beschuldiging lijkt uiteen te vallen in twee verwijten: enerzijds dat de verdachte behulpzaam is geweest en gelegenheid heeft verschaft bij het ophalen van medeverdachte [medeverdachte 1] na zijn vliegreis waarbij de cocaïne is ingevoerd en anderzijds dat er in de woning van de verdachte voorwerpen (koffers) en stoffen (cafeïne) zijn aangetroffen die bestemd zouden zijn voor het plegen van een (ander) Opiumwetdelict.
Omdat de verdachte wordt vrijgesproken van het opzettelijk invoeren of vervoeren van cocaïne, kan ook niet worden bewezen dat de verdachte opzet had op het voorbereiden van dat feit.
Voor wat betreft het tweede verwijt, geldt het volgende. De koffers en cafeïne zijn aangetroffen in en rondom de woning van de verdachte, waar hij woont met zijn vrouw (medeverdachte [medeverdachte 2] ) en zoon (medeverdachte [medeverdachte 3] ). De aangetroffen koffers hadden een opengescheurde voering en in de nabije omgeving daarvan werden lege zakken aangetroffen. De cafeïne - 739,81 gram - werd aangetroffen in een plastic bakje achterin een keukenkastje.
Hoewel de aangetroffen koffers naar hun aard geschikt zouden kunnen zijn (geweest) voor de in - of uitvoer van drugs, blijkt uit het dossier onvoldoende dat de verdachten een misdadig doel met die koffers voor ogen hadden. Daarbij speelt een rol dat het voorhanden hebben van rolkoffers, al dan niet met dubbele bodem, op zichzelf geen strafbaar feit oplevert en dat in de woning verder geen harddrugs of daaraan verband houdende voorwerpen (bijvoorbeeld voor het wassen of verwerken van cocaïne) zijn aangetroffen.
Het aantreffen van de cafeïne maakt dat niet anders. Hoewel cafeïne als versnijdingsmiddel kan worden gebruikt, is cafeïne ook voor andere, niet strafbare, toepassingen te gebruiken. De rechtbank ziet onvoldoende bewijs dat de verdachten de cafeïne voorhanden hadden voor een crimineel doel.
3.5. Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
1
op 22 juli 2025 te De Meern, gemeente Utrecht, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, te weten een hoeveelheid cocaïne, heeft vervoerd.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
4 Kwalificatie en strafbaarheid
4.1. Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
feit 1: handelen in strijd met een in artikel 2 van de Opiumwet gegeven verbod.
4.2. Strafbaarheid feit en verdachte
4.2.1. Afwezigheid van alle schuld?
De advocaat van de verdachte heeft aangevoerd dat het in het maatschappelijk verkeer, en zeker in de cultuur van de verdachte, niet gebruikelijk is om bij het ophalen van een familielid de inhoud van diens reiskoffers te controleren. De rechtbank vat dit op als een verweer op afwezigheid van alle schuld.
4.2.2. Oordeel van de rechtbank
De verdachte zegt dat hij via zijn zoon de vraag heeft gekregen om [medeverdachte 1] , een ver familielid dat hij nauwelijks kent, op te halen in Rotterdam. Het contact zou vervolgens via een neef van hen zijn verlopen. De bestemming van [medeverdachte 1] was onbekend, zodat de verdachte zijn eigen adres in het navigatiesysteem heeft gezet. Uiteindelijk zou [medeverdachte 1] naar het station in Zwolle moeten worden gebracht. De verdachte heeft verder niets aan [medeverdachte 1] gevraagd tijdens de autorit; ze hebben nauwelijks gesproken.
Zelfs als er van uit zou worden gegaan dat deze verklaring van de verdachte klopt, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte voorzichtiger had moeten zijn bij het ophalen van [medeverdachte 1] . Hoewel de rechtbank het met de advocaat eens is dat niet van de verdachte kon worden gevergd dat hij de koffers volledig onderzocht, heeft hij door geen vragen te stellen wel het risico genomen dat [medeverdachte 1] , iemand die hij naar eigen zeggen nauwelijks kende, verboden middelen bij zich had.
Het verweer slaagt daarom niet. Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
5 Straf en/of maatregel
5.1. Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot: - een gevangenisstraf van 20 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.
5.2. Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en geen straf op te leggen die inhoudt dat de verdachte terug moet naar de gevangenis, gelet op de impact die het voorarrest op hem heeft gehad.
5.3. Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte geen straf of maatregel op . De rechtbank legt hierna uit waarom.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoeren van iets meer dan 4,5 kilo cocaïne. Dat is een overtreding, waarvoor hechtenis van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd.
De verdachte heeft in verband met deze strafzaak al 74 dagen in voorlopige hechtenis doorgebracht en is als gevolg hiervan zijn baan kwijtgeraakt. De verdachte is niet eerder veroordeeld voor een strafbaar feit. Deze omstandigheden brengen naar het oordeel van de rechtbank met zich mee dat met een strafoplegging geen redelijk doel meer is gediend. Er kan worden volstaan
met de constatering dat verdachte een strafbaar feit heeft begaan en verdachte daarvoor strafbaar is. De rechtbank zal dus aan verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde, met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, geen straf of maatregel opleggen.
De voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis, dat per 3 oktober 2025 al is geschorst, met ingang van vandaag opheffen.
6 De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak - verklaart feit 2 niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
bewezenverklaring
strafbaarheid feit - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte - verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
géén straf of maatregel - bepaalt dat ten aanzien van het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd;
voorlopige hechtenis - heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.R.H. Koekoek, voorzitter, mr. K. de Meulder en mr. T.C.P. Christoph, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.C. van Grinsven als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 22 juli 2025 te De Meern, gemeente Utrecht, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten een hoeveelheid cocaïne, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd, in elk geval aanwezig heeft gehad;
2
hij op of omstreeks 22 juli 2025 te De Meern, gemeente Utrecht en/of Assen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten - het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, - het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of - het opzettelijk vervaardigen van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, te weten cocaïne - een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, - zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, - een of meer voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad,
waarvan verdachte en/of zijn/haar mededaders, wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
immers heeft verdachte en/of hebbende (een of meer van) verdachtes mededader(s) - één of meer telefoons voorhanden gehad en/of daarvan gebruik gemaakt in de communicatie met één of meer van zijn mededaders, en/of - afspraken gemaakt met en/of opdrachten (door)gegeven aan zijn mededader(s) en/of een of meer anderen, over het ophalen van medeverdachte [medeverdachte 1] , na zijn vliegreis, in Rotterdam en/of - contact onderhouden met de medeverdachte en/of anderen over het ophalen van [medeverdachte 1] en/of - [medeverdachte 1] (daadwerkelijk) op gehaald in Rotterdam en/of - koffers met een dubbele bodem en/of doorzichtige zakken met een witte substantie en/of koffers met een opengescheurde voering en/of een grote hoeveelheid caffeine voorhanden gehad, en/of - een hoeveelheid cocaïne vervoerd en/of aanwezig gehad (in de auto).
Bijlage II: Bewijsmiddelen
<footnoteReference id="_9c19bdf6-5658-40e4-ad61-93b28831467e">[1]</footnoteReference>
Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Wij zagen het voertuig met kenteken [kenteken] op 22 juli 2025 rijden. Het voertuig werd tot stilstand gebracht in De Meern.
De bestuurder bleek *** [verdachte] geboren [geboortedatum] 1961 te [geboorteplaats] , (Nederlandse Antillen)***.[2]
Bij het openen van de kofferklep zag ik achterin het voertuig een tweetal koffers liggen.[3] Ik, verbalisant [verbalisant 4] heb vervolgens de grote koffer geopend. Toen ik vervolgens de stoffen voering aan de binnenzijde een stuk lostrok zag ik onder de stoffering een stuk tape zitten welke achteraf aangebracht leek te zijn. Toen ik vervolgens onder deze tape keek zag ik plastic verpakking met daarin mogelijk verdovende middelen.[4] Ik, verbalisant [verbalisant 1] bekeek de tweede koffer, bij het openen van deze koffer voelde ik dat de kant waar geen kleding lag zwaar aanvoelde, toen ik naar de stoffering keek zag ik dat er sprake was van eenzelfde soort sluiting en verdikking.[5]
Een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , voor zover inhoudende:
Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 24 juli 2025, voor zover inhoudende:
Kenmerk: AARM1056NL
Omschrijving FO: pasta, wit , uit 3296,8 gram; aantal bemonsteringen in onderzoek: vier
Conclusie: bevat cocaïne.[8]
Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 24 juli 2025, voor zover inhoudende:
Kenmerk: AARM1055NL
Omschrijving FO: pasta, wit , uit 1287,9 gram; aantal bemonsteringen in onderzoek: twee
Conclusie: bevat cocaïne.[9]
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, zijn dit pagina's uit het dossier van politie eenheid Landelijke Expertise en Operaties met proces-verbaalnummer PL0900-2025250198, doorgenummerd pagina 1 tot en met 358. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
pagina 29.
pagina 30.
pagina 31.
pagina 32.
pagina 110.
pagina 111.
pagina 120.
pagina 119. - - - ## Voetnoten