Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:1223 - Rechtbank Midden-Nederland - 20 maart 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:122320 maart 2026

Uitspraak inhoud

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16-219738-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 20 maart 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),
zonder vaste woon - of verblijfplaats,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [verblijfplaats] ,
(hierna: de verdachte).

1 Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 27 februari 2026. Het onderzoek is gesloten op 20 maart 2026.
Op de zitting van 27 februari 2026 waren aanwezig:

2 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
op 22 juli 2025 in De Meern samen met anderen ruim 4,5 kilogram cocaïne in Nederland heeft ingevoerd.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3 Bewijs

3.1. Inleiding
Op 22 juli 2025 houdt de politie een auto staande naast de snelweg in De Meern naar aanleiding van een ANPR-hit. In de auto zitten de volgende personen: [medeverdachte 1] als bestuurder, [medeverdachte 2] als bijrijder en de verdachte als passagier. In de kofferbak van de auto treft de politie twee koffers aan met daarin – naar later blijkt – cocaïne, verstopt in een dubbele bodem. Verder treft de politie kofferlabels aan waaruit volgt dat de verdachte diezelfde ochtend vanuit Curaçao, via Sint-Maarten, met het vliegtuig in Parijs is aangekomen.
De verdachte heeft bekend dat hij met de cocaïne in zijn koffers is gevlogen vanuit Curaçao naar Parijs, vervolgens de trein naar Rotterdam heeft genomen en met de auto onderweg was naar Zwolle om de drugs af te leveren.
De vragen die in deze zaak centraal staan zijn:
3.2. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd.
3.3. Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank primair om de verdachte vrij te spreken, omdat het bewijs tegen hem onrechtmatig is verkregen en daarom van het bewijs moet worden uitgesloten. Subsidiair verzoekt de advocaat een partiële vrijspraak voor het medeplegen.
De bewijsverweren worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.
3.4. Oordeel van de rechtbank
3.4.1. Bewijsuitsluitingsverweren
De advocaat sluit zich aan bij de verweren die namens de medeverdachten zijn gevoerd. Kort gezegd is bepleit dat er onherstelbare vormverzuimen zijn geweest in het vooronderzoek, als gevolg waarvan de resultaten van de doorzoeking van de auto van het bewijs moet worden uitgesloten. De verweren komen er in het kort op neer dat a) de ANPR-registratie van het kenteken van de auto onrechtmatig is geweest en b) dat de politie haar bevoegdheden heeft misbruikt, door de scharnieren van de kofferbak van de auto te controleren voor een ander doel, namelijk om te zien wat er zich in de auto en achterbak bevond.
De rechtbank zal hierna stapsgewijs de door de politie uitgeoefende bevoegdheden beoordelen.
Mocht het voertuig in de ANPR geregistreerd worden?
De auto waarin de verdachte als passagier zat is staande gehouden naar aanleiding van een zogeheten ANPR-hit. Dit betekent dat er een signaal werd gegeven dat het kenteken van de auto overeenkwam met een kenteken in de referentielijst.
In het proces-verbaal van bevindingen op pagina 29 van het dossier staat vermeld dat het voertuig in het ANPR-systeem is geplaatst met als doel het voertuig te controleren vanwege of in verband met ondermijnende criminaliteit en dat de toestemming daarvoor was verleend door de landelijke ANPR-officier. Verder valt uit het proces-verbaal op te maken dat de inwonende zoon van de tenaamgestelde van de auto eerder slachtoffer is geweest van twee aanslagen op zijn (vorige) woning en dat de aanleiding hiervoor mogelijk spanningen in de onderwereld betrof. In een aanvullend proces-verbaal dat is opgemaakt naar aanleiding van vragen van de advocaat, heeft de politie geschreven dat nadere aanwijzingen waarom het kenteken relevant kon zijn niet kunnen worden gedeeld, om zwaarwegende belangen van opsporing en vervolging in toekomstige onderzoeken niet te schaden.
De rechtbank overweegt dat de algemene politietaak (artikel 3 van de Politiewet 2012) de bevoegdheid geeft om een kenteken op te nemen op de referentielijst van de ANPR. Daaraan hoeft geen proces-verbaal van verdenking of bevel ten grondslag te liggen. Het opnemen van een kenteken in de referentielijst maakt slechts een geringe inbreuk op het recht op privacy, omdat pas bij controle van het voertuig blijkt wie op dat moment gebruik maakt van de auto. Bovendien is de informatie uit de ANPR enkel zichtbaar voor het Flexibel Interventieteam van de politie. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat de controle van dit specifieke voertuig relevant kon zijn voor de politietaak, vanwege het mogelijke verband met ondermijnende criminaliteit. Dat verdere informatie niet kan worden gedeeld in verband met zwaarwegende opsporingsbelangen, acht de rechtbank een legitieme reden.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat er voldoende grondslag bestond het kenteken van de auto op te nemen in het ANPR-systeem. Er is dus in zoverre geen sprake van een vormverzuim.
Mocht de politie deze auto selecteren voor een verkeerscontrole?
De politie heeft op grond van artikel 160 van de Wegenverkeerswet de bevoegdheid toezicht te houden op de verkeersveiligheid en daartoe controles te doen. Het staat de politie in beginsel vrij om te kiezen welke auto's zij wel en niet controleren. Voor de toepassing van de controlebevoegdheid is geen concrete aanleiding of verdenking nodig. De controle moet wel verband houden met de naleving van de verkeersvoorschriften. Als daadwerkelijk inzage is gevorderd in het rijbewijs en/of de kentekenpapieren van het voertuig, zoals ook in dit geval, dan mag worden aangenomen dat de bevoegdheden van artikel 160, eerste en vierde lid, van de Wegenverkeerswet voor dat doel zijn uitgeoefend. In dat geval is het politieoptreden in beginsel rechtmatig, óók als die bevoegdheid daarnaast het verrichten van opsporingshandelingen mogelijk maakt waarop die bepalingen niet zien. Die omstandigheid brengt immers nog niet mee dat de controlebevoegdheid uitsluitend is gebruikt voor een ander doel – te weten: voor het verrichten van opsporingshandelingen – dan waarvoor deze is verleend. Dit volgt uit de rechtspraak (zie ECLI:NL:HR:2016:2454 (dynamische verkeerscontrole)).
De rechtbank concludeert dat de politie de bevoegdheid had de auto te selecteren voor een verkeerscontrole en dat de politie ook de bestuurder om zijn rijbewijs en kentekenpapieren mocht vragen. Ook op dit punt is geen sprake van een vormverzuim.
Mocht de politie de overige inzittenden om hun legitimatie vragen en (zonder cautie) vragen stellen?
Op grond van artikel 8 lid 1 van de Politiewet 2012 is een ambtenaar van de politie bevoegd tot het vorderen van inzage van een identiteitsbewijs, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de politietaak. Gelet op het doel dat bij de ANPR-hit werd genoemd (controleren voertuig vanwege of in verband met ondermijnende criminaliteit), is de rechtbank van oordeel dat de vordering van de legitimatiebewijzen van de bestuurder ( [medeverdachte 1] ), bijrijder ( [medeverdachte 2] ) en de verdachte als passagier gerechtvaardigd was in het licht van de rechtmatige uitoefening van de politietaak. Zo was deze informatie bijvoorbeeld noodzakelijk om de politiesystemen te bevragen op eventuele antecedenten op het gebied van ondermijnende (drugs)criminaliteit.
De politie heeft hen vervolgens afzonderlijk bevraagd waar zij zojuist vandaan kwamen. Op dat moment was er nog geen aanwijzing dat een strafbaar feit was (of werd) begaan en was er ten opzichte van de verdachte ook geen sprake van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat er voldoende grondslag bestond om de inzittenden om hun legitimatie te vragen en dat de politie op dat moment ook nog geen cautie hoefde te geven. Op dit punt is geen sprake van een vormverzuim.
Hadden de politieagenten de bevoegdheid om de kofferbak te openen?
Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat, nadat de bestuurder om zijn rijbewijs en kentekenpapieren werd gevraagd, een controle werd uitgevoerd op de technische staat van het voertuig. Hierbij werd het chassisnummer, de profilering van de banden, de echtheidskenmerken van de kentekenplaat, de werking van de sluitingen van de autoportieren en kofferbak, de scharnieren van de autoportieren, de motorkap en de kofferdeksel gecontroleerd. Tijdens het openen van de kofferklep om de werking van de scharnieren te controleren, zag de verbalisant achterin het voertuig de twee koffers liggen (waarin naar later bleek de cocaïne werd vervoerd).
De rechtbank stelt voorop dat de politie verkeersvoorschriften mag controleren. Deze bevoegdheid volgt uit artikel 160, lid 4, jo. artikel 159 van de Wegenverkeerswet 1994.
Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt echter niet waarom tot een technische controle van de staat van het voertuig is overgegaan die ook inhield dat de scharnieren van de achterklep moesten worden gecontroleerd. Er zijn geen waarnemingen geverbaliseerd waaruit volgt dat er mogelijk iets mis was met de technische staat van de auto of specifiek met de scharnieren van het voertuig, of dat bijvoorbeeld de APK van het voertuig was verlopen. In dit geval had de politie daar wel inzicht in moeten geven, vooral omdat de veelomvattende verkeerscontrolebevoegdheid en de strenger gereguleerde opsporingsbevoegdheden hier door elkaar kunnen gaan lopen. Het openen van de kofferbak is immers nodig om de scharnieren te kunnen controleren (verkeerscontrole), maar is ook een eerste stap in de doorzoeking van een voertuig (opsporing). Voor het mogen doorzoeken van een auto ligt de drempel veel hoger: daarvoor wordt de eis gesteld dat er een verdenking is van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten of ten minste dat er een redelijk vermoeden is dat er drugs aanwezig is in de auto.
De rechtbank acht dan ook niet inzichtelijk waarom de verbalisant is overgegaan tot controle van de scharnieren van de portieren en de kofferbak.
Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat de bevoegdheid een technische controle aan de auto te verrichten is gebruikt om in de achterbak te kunnen kijken, zonder dat er op dat moment sprake was van een verdenking van een strafbaar feit. Dit is een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv. De rechtbank zal aan de hand van het belang van de geschonden voorschriften, de ernst van het verzuim en het geleden nadeel beoordelen of hieraan een gevolg moet worden verbonden in de strafzaak van de verdachte.
Het belang van de geschonden voorschriften
Auto's mogen alleen worden doorzocht als er een verdenking is van een strafbaar feit. Het belang daarachter is dat een doorzoeking een inbreuk kan maken op de persoonlijke levenssfeer van de eigenaar, de bestuurder en/of de passagiers van de auto. De politie mag haar bevoegdheden bovendien niet voor een ander doel gebruiken. Het belang daarachter is dat burgers moeten worden beschermd tegen willekeurig overheidsoptreden.
Ernst van het verzuim
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het verzuim beperkt is gebleven, kort gezegd vanwege het volgende: als de politie een andere volgorde had toegepast, dan had er geen vormverzuim plaatsgevonden en had de politie alsnog tot doorzoeking over mogen gaan.
Hoewel er op het moment dat de kofferbak werd geopend geen sprake was van een verdenking van een strafbaar feit, is de rechtbank van oordeel dat die kort daarna wel gerechtvaardigd is ontstaan, ook zonder de informatie die het openen van de achterbak opleverde. De antwoorden van de inzittenden over waar zij vandaan kwamen, strookten immers niet met elkaar en evenmin met de inmiddels door de politie gecheckte reisbewegingen uit de ANPR. Daarnaast bleek uit de bevraging van de politiesystemen dat de verdachte eerder was gepakt met verdovende middelen op Schiphol, komende uit Curaçao. Verder was de verbalisanten de informatie bekend uit de ANPR, namelijk een mogelijk verband met ondermijnende criminaliteit, en de informatie over de twee aanslagen op het adres van de zoon van de tenaamgestelde van de auto.
Die omstandigheden tezamen bezien, de waarneming van de koffers dus niet meegewogen, zouden voldoende zijn geweest om tot een redelijk vermoeden te komen dat er drugs met de auto werd vervoerd. De politie zou vervolgens op grond van artikel 9, lid 1 onder a, van de Opiumwet de bevoegdheid hebben gehad de auto te doorzoeken en om de kofferbak te openen.
Geleden nadeel
De rechtbank stelt voorop dat het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, niet kan worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang. De rechtbank overweegt dat de auto niet aan de verdachte toebehoorde, maar dat hij passagier was. Gesteld noch gebleken is dat er privacygevoelige informatie of voorwerpen van hem – open en bloot – in de kofferbak lagen. De verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank dus geen nadeel geleden. Dat de koffers ook persoonlijke spullen van de verdachte bevatten, maakt dat oordeel niet anders. De verbalisant heeft op het moment van het verzuim namelijk alleen in de kofferbak gekeken en nog niet de koffers geopend.
Rechtsgevolg
Omdat de ernst van het verzuim en het geleden nadeel beperkt zijn gebleven, is de rechtbank van oordeel dat kan worden volstaan met de enkele constatering van het vormverzuim. De rechtbank acht het niet passend bewijsuitsluiting toe te passen, zoals door de advocaat is verzocht.
De advocaat heeft verder ook gesteld dat sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces. De rechtbank oordeelt echter dat de strafprocedure tegen de verdachte, in zijn geheel bezien, eerlijk is verlopen. De verdediging heeft de gelegenheid gehad effectief verdediging te voeren tegen de beschuldiging en de rechtbank te wijzen op eventuele vormverzuimen in het vooronderzoek. Om die reden is geen sprake van een schending van het recht op een eerlijk proces.
De rechtbank zal hierna onder paragraaf 3.4.2 en 3.4.3 nader ingaan op de vraag of kan worden bewezen dat de verdachte betrokkenheid had bij de invoer dan wel het vervoer van de cocaïne.
3.4.2. Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat het feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
3.4.3. Bewijsoverwegingen
Op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte in totaal 4.584,7 gram cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, door met die cocaïne in zijn koffers van Sint Maarten naar Parijs te vliegen, vervolgens de trein naar Rotterdam te nemen en per auto verder te reizen in Nederland. Daarmee is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en heeft vervoerd.
De rechtbank is ook van oordeel dat de verdachte het feit in vereniging heeft gepleegd met een of meer onbekend gebleven andere personen. Naar algemene ervaringsregels vereist de invoer van cocaïne vanuit het buitenland naar Nederland een bepaalde mate van organisatie, waarbij meerdere personen in zowel het buitenland als in Nederland betrokken zijn. Deze feiten worden in de regel dus niet slechts door één dader, maar in vereniging gepleegd. In deze zaak acht de rechtbank redengevend dat de verdachte de cocaïne moest brengen naar een persoon die op hem zou wachten in Zwolle. De verdachte heeft aan het feit een wezenlijke bijdrage geleverd door de drugs als feitelijke uitvoerder in zijn koffer mee te nemen.
3.5. Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
hij op 22 juli 2025 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, te weten een hoeveelheid cocaïne, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en heeft vervoerd.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal - en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd en schuingedrukt weergegeven. Dit benadeelt de verdachte niet.

4 Kwalificatie en strafbaarheid

4.1. Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de in artikel 2 onder A en 2 onder B van de Opiumwet gegeven verboden.
4.2. Strafbaarheid feit en verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

5 Straf

5.1. Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot: - een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.
5.2. Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft gewezen op de nieuwe, lagere strafmaat die de rechtbank Noord-Holland gebruikt ten aanzien van de straftoemeting bij drugskoeriers die via Schiphol naar Nederland reizen. Hij verwijst naar het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 2 december 2025 (ECLI:NL:2025:RBNHO:14051) en verzoekt de rechtbank daarbij aan te sluiten.
5.3. Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf van 20 maanden op, met aftrek van het voorarrest.
Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van cocaïne. Cocaïne is een voor de gezondheid van mensen zeer schadelijke stof en daarom heeft de wetgever bepaald dat het gebruik ervan moet worden ontmoedigd. Tegen de invoer ervan wordt dan ook streng opgetreden. De ingevoerde hoeveelheid (circa 4,5 kilogram) was van dien aard dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Het gebruik van en de handel in cocaïne gaan gepaard met veel andere vormen van zware criminaliteit. Ook om die reden worden forse straffen opgelegd voor de invoer van cocaïne.
De persoon van de verdachte
Verdachte is niet eerder veroordeeld voor een strafbaar feit. De verdachte heeft verklaard dat hij aanzienlijke schulden had en dat hij om die reden had besloten om harddrugs naar Nederland te vervoeren.
De op te leggen straf
Er zijn oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor straftoemeting. Daarin is voor de in-/uitvoer van harddrugs bij een hoeveelheid van 4000 tot 5000 gram bij de categorie 'standaard' een gevangenisstraf voor de duur van 36 tot 38 maanden als oriëntatiepunt geformuleerd.
De rechtbank overweegt dat verreweg het grootste deel van de Nederlandse strafzaken over de invoer van harddrugs door drugskoeriers voortkomt uit verdachten die op Schiphol worden aangehouden, in het arrondissement Noord-Holland. De rechtbank Noord-Holland is dan ook verantwoordelijk voor de afhandeling van dit grootste deel van de drugskoerierzaken en heeft goed zicht op de ontwikkelingen daarin. De rechtbank Noord-Holland heeft een gemotiveerd standpunt ingenomen over de afwijking van de landelijke oriëntatiepunten. Die rechtbank signaleert een disbalans in straffen: drugskoeriers die op Schiphol relatief kleine hoeveelheden vervoeren krijgen naar verhouding zwaardere gevangenisstraffen dan verdachten die langdurig betrokken zijn bij grootschalige, georganiseerde drugshandel. Volgens de rechtbank Noord-Holland is deze kloof vergroot door procesafspraken waardoor georganiseerde handelaren lagere straffen krijgen. Daarom wil de rechtbank Noord-Holland lagere straffen opleggen aan drugskoeriers op Schiphol, met meer maatwerk en rekening houdend met hun vaak kwetsbare persoonlijke omstandigheden.
De rechtbank Noord-Holland heeft deze afwijkende uitgangspunten later ook gehandhaafd, ondanks bezwaren van het Openbaar Ministerie. De rechtbank verwijst daarvoor naar het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 6 januari 2026 (ECLI:NL:RBNHO:2026:312).
Hoewel het lager straffen dan de landelijke oriëntatiepunten voorschrijven vragen kan oproepen, is de realiteit dat de meeste drugskoeriers, die immers via Schiphol het land inkomen, nu worden bestraft aan de hand van de afwijkende uitgangspunten van de rechtbank Noord-Holland. Deze rechtbank vindt het met het oog op de rechtseenheid onwenselijk dat andere verdachten, zoals die in deze zaak, ten opzichte hiervan ongelijk en zwaarder bestraft worden. Om die reden sluit de rechtbank in deze zaak aan bij de motivering van de rechtbank Noord-Holland, waarbij zij heeft vastgesteld dat ook de daarin geformuleerde uitgangspunten voor de invoer van 4,5 kg cocaïne, een passende straf opleveren. Om deze reden komt de rechtbank tot een lagere straf dan zoals door de officier van justitie is geëist.
Die afwijkende uitgangspunten van de rechtbank Noord-Holland nemen bij een hoeveelheid van 1.500 tot 5.000 gram harddrugs een gevangenisstraf voor de duur van 6 tot 24 maanden als uitgangspunt. Voor een hoeveelheid van 5.000 tot 20.000 gram is als vertrekpunt een gevangenisstraf van 20 tot 36 maanden bepaald.
Gelet op al het voorgaande, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden passend en geboden en legt deze op.
Tenuitvoerlegging van de straf
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

6 In beslag genomen voorwerpen

6.1. Vordering van de officier van justitie
Op de lijst van in beslag genomen goederen staan de volgende voorwerpen waarover de rechtbank een beslissing moet nemen:
De officier van justitie vordert de verbeurdverklaring van de koffers.
6.2. Standpunt van de verdediging
De advocaat en de verdachte hebben geen standpunt ingenomen over het beslag.
6.3. Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de in beslag genomen koffers onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn, gelet op de dubbele bodem, van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang. Met behulp van deze voorwerpen is het bewezen verklaarde feit begaan.

7 Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

8 De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
strafbaarheid feit - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte - verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 maanden; - bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
beslag - verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:
Dit vonnis is gewezen door mr. L.R.H. Koekoek, voorzitter, mr. K. de Meulder en mr. T.C.P. Christoph, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.C. van Grinsven als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 22 juli 2025 te De Meern, gemeente Utrecht, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten een hoeveelheid cocaïne, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd, in elk geval aanwezig heeft gehad.
Bijlage II: Bewijsmiddelen
    <footnoteReference id="_f6d52f81-cf64-4c2e-b145-116fc84cdb5a">[1]</footnoteReference>
De verklaring van de verdachte op de zitting van 27 februari 2026:
Ik heb in de koffers met cocaïne met het vliegtuig meegenomen van Curaçao naar Parijs. Het waren mijn koffers. Ik ben geland in Parijs en ben daarna met de trein naar Rotterdam gegaan, waar ik ben opgehaald met de auto. Ik moest naar Zwolle toe, want daar stond iemand op mij te wachten.
Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant] , [verbalisant] , [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Wij zagen het voertuig met kenteken [kenteken] op 22 juli 2025 rijden. Het voertuig werd tot stilstand gebracht in De Meern.[2]
Links achterin zag ik een manspersoon zitten. De man gaf zich op te zijn genaamd:
*** [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen)***.
Bij het openen van de kofferklep zag ik achterin het voertuig een tweetal koffers liggen.[3]
Ik heb vervolgens de grote koffer geopend. Toen ik vervolgens de stoffen voering aan de binnenzijde een stuk lostrok zag ik onder de stoffering een stuk tape zitten welke achteraf aangebracht leek te zijn. Toen ik vervolgens onder deze tape keek zag ik plastic verpakking met daarin mogelijk verdovende middelen.[4] Bij het openen van de tweede koffer voelde ik dat de kant waar geen kleding lag zwaar aanvoelde, toen ik naar de stoffering keek zag ik dat er sprake was van eenzelfde soort sluiting en verdikking.[5]
Een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , voor zover inhoudende:
[6]
[7]
Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 24 juli 2025, voor zover inhoudende:
Kenmerk: AARM1056NL
Omschrijving FO: pasta, wit , uit 3296,8 gram; aantal bemonsteringen in onderzoek: vier
Conclusie: bevat cocaïne.[8]
Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 24 juli 2025, voor zover inhoudende:
Kenmerk: AARM1055NL
Omschrijving FO: pasta, wit , uit 1287,9 gram; aantal bemonsteringen in onderzoek: twee
Conclusie: bevat cocaïne.[9]
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, zijn dit pagina's uit het dossier van politie eenheid Landelijke Expertise en Operaties met proces-verbaalnummer PL0900-2025250198, doorgenummerd pagina 1 tot en met 358. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
pagina 29.
pagina 30.
pagina 31.
pagina 32.
pagina 110.
pagina 111.
pagina 120.
pagina 119. - - - ## Voetnoten
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, zijn dit pagina's uit het dossier van politie eenheid Landelijke Expertise en Operaties met proces-verbaalnummer PL0900-2025250198, doorgenummerd pagina 1 tot en met 358. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
pagina 29.
pagina 30.
pagina 31.
pagina 32.
pagina 110.
pagina 111.
pagina 120.
pagina 119.