Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:1133 - Rechtbank Midden-Nederland - 12 maart 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:113312 maart 2026

Uitspraak inhoud

Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 12000193 UE VERZ 25-381 LvdH/1470
Beschikking van 12 maart 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Zoho Corporation B.V.,
gevestigd in Utrecht,
verder ook te noemen Zoho,
verzoekende partij in de verzoeken,
verwerende partij in de tegenverzoeken,
gemachtigde: mr. M.S.R. Dijkstra,
tegen:
[verweerster],
wonende te [woonplaats] ,
verder ook te noemen [verweerster] ,
verwerende partij in de verzoeken,
verzoekende partij in de tegenverzoeken,
gemachtigde: mr. N. Mauer.

1 De procedure

1.1. De kantonrechter heeft kennisgenomen van: - het verzoekschrift met producties 1 tot en met 43; - het verweerschrift met producties 1 tot en met 18; - de aanvullende producties 44 tot en met 55 van Zoho; - de aanvullende productie 19 van [verweerster] .
1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 februari 2026. Daarbij is namens Zoho verschenen de heer [A] ( [functie 1] ), bijgestaan door de gemachtigde. Ook [verweerster] was aanwezig en werd bijgestaan door haar gemachtigde.
Beide partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij zij gebruik hebben gemaakt van spreekaantekeningen. Beide partijen hebben de vragen van de kantonrechter beantwoord en op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
1.3. De kantonrechter heeft bepaald dat er een beschikking zal komen in de zaak.

2 De kern van de zaak

Zoho houdt zich bezig met de ontwikkeling en verkoop van software voor bedrijven. Haar hoofdkantoor staat in India. De Europese activiteiten worden gecoördineerd vanuit Nederland, Engeland, Duitsland en Spanje. [verweerster] werkt sinds 1 oktober 2023 bij Zoho in de functie van [functie 2] . In die rol vormt [verweerster] als [....] de schakel tussen Zoho en haar partners in de Benelux en in Scandinavië.
Zoho vraagt in deze procedure ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerster] op grond van disfunctioneren (d-grond), verwijtbaar handelen of nalaten (e-grond), een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) of de cumulatiegrond (i-grond). De kantonrechter wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af, omdat door Zoho niet is voldaan aan de herplaatsingsverplichting.

3 De beoordeling

in de verzoeken van Zoho
3.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. In geval van ontbinding moet ook worden beoordeeld of aan [verweerster] een billijke vergoeding moet worden toegekend.
Opzegverbod wegens ziekte
3.2. De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een opzegverbod, omdat [verweerster] ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid wegens ziekte. [verweerster] voert aan dat het opzegverbod tijdens ziekte de ontbinding in de weg staat. Het ontbindingsverzoek in namelijk ingediend na haar ziekmelding, aldus [verweerster] . De kantonrechter verwerpt dit verweer van [verweerster] . Het opzegverbod staat niet in de weg aan toewijzing van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, omdat het verzoek geen verband houdt met de ziekte van [verweerster] .[1] Het verzoek is namelijk gebaseerd op de ongeschiktheid van [verweerster] tot het verrichten van de bedongen arbeid, de verwijtbaarheid, de verstoorde arbeidsrelatie die is ontstaan dan wel een combinatie van deze gronden. Het verzoek staat dus los van de ongeschiktheid wegens ziekte van [verweerster] . [verweerster] voert hierover nog aan dat haar ziekte mogelijk een rol heeft gespeeld bij haar vermeende disfunctioneren dan wel verwijtbare handelen/nalaten. Dat dit zo is, heeft [verweerster] niet onderbouwd en blijkt ook niet uit de stukken. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat bij het ontbindingsverzoek van Zoho de ziekte van [verweerster] een rol zou hebben gespeeld. Het voornemen tot het starten van een formeel verbetertraject en de mediation waren al doorlopen vóór de eerste ziektedag van [verweerster] .
Vereisten aan ontbinding
3.3. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.
Disfunctioneren
3.4. Zoho voert ten eerste aan dat de redelijke grond voor ontbinding is gelegen in het disfunctioneren van [verweerster] .[2] Daarvoor moet sprake zijn van ongeschiktheid van de werknemer tot het verrichten van de bedongen arbeid, anders dan ten gevolge van ziekte of gebreken van de werknemer. Als tweede eis wordt gesteld dat de werkgever de werknemer tijdig in kennis heeft gesteld van de ongeschiktheid. Ten slotte dient de werkgever de werknemer in voldoende mate in gelegenheid te stellen zijn functioneren te verbeteren.
3.5. Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door Zoho in dat verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden een redelijke grond voor ontbinding op. Daarover overweegt de kantonrechter het volgende.
3.6. Uit de stukken in het dossier wordt duidelijk dat Zoho op het functioneren van [verweerster] vanaf halverwege 2024 het nodige heeft aan te merken. Zo merkt Zoho dat [verweerster] deadlines niet opvolgt, dat e-mails onbeantwoord blijven, er afspraken worden gemist en partners zich onvoldoende ondersteund voelden door [verweerster] . De eerste gesprekken hierover worden vanaf augustus 2024 met [verweerster] gevoerd door [A] . Daarnaast ziet Zoho zich geconfronteerd met tegenvallende resultaten over 2024 voor wat betreft de omzetgroei in de Benelux en de Nordics, de regio's waarvoor [verweerster] verantwoordelijk is.
3.7. Op 28 januari 2025 heeft [A] een gesprek met [verweerster] waarin zij de achterblijvende prestaties bespreken. [A] vraagt [verweerster] een plan op te stellen om de resultaten te kunnen verbeteren. [A] heeft over het opstellen van een dergelijk plan ook eind 2024 al gesproken met [verweerster] . Zo schrijft hij in zijn e-mail van 13 februari 2025:
"over the last 6-9 months we've had several discussion about your performance being below par, including the CAR discussion end of last year. I've communicated to you both in writing as in verbally that your performance needs to improve. This shouldn't come as a surpsrise.
The reasons for the delay on your end are no valid reasons as that is part of your normal routine and you had over 2 weeks to work on this plan that we already discussed last year."
3.8. Ook de samenwerking tussen [verweerster] en verschillende partners begint stroever te verlopen. Illustratief hiervoor is een bericht van één van de partners, [onderneming 1] . De heer [B] van [onderneming 1] schrijft onder meer het volgende over [verweerster] :
"Met spijt in het hart, en na rijp beraad, schrijf ik u vandaag om u in kennis te stellen van onze beslissing om de samenwerking met u als onze [.] bij Zoho niet meer na te streven. Zoals u weet, was het afgelopen jaar op relationeel vlak met u turbulent.
Het verlies van een belangrijke deal, de aanhoudende discussies met [onderneming 2] over juridische punten doe niet worden opgevolgd, en de daaruit voortvloeiende schade voor onze reputatie, hebben ons vertrouwen in een vlotte samenwerking ernstig ondermijnd.
Uw afwezigheid vandaag, zonder enige vorm van verwittiging of uitleg, is voor ons de spreekwoordelijke druppel die de emmer doet overlopen.
Het is een teken van fundamenteel gebrek aan respect en professionaliteit, dat elke basis voor een verdere samenwerking onmogelijk maakt.
…"
3.9. Door [verweerster] wordt op 7 maart 2025 een plan aangeleverd voor het verbeteren van de tegenvallende resultaten. Zoho kan zich niet vinden in de inhoud van het plan, omdat dit geen concrete acties bevat en geen meetbare resultaten. Zoho vraagt [verweerster] een nieuw verbeterd plan op te leveren dat aan de vereisten voldoet.
3.10. De tegenvallende resultaten blijven en het functioneren van [verweerster] blijft wat Zoho betreft ondermaats. Op 28 mei 2025 bespreekt [A] daarom met [verweerster] zijn voornemen om een formeel verbetertraject met haar op te starten. Het verbeterplan wordt door [A] opgesteld en op 5 juni 2025 met [verweerster] besproken. Als [verweerster] wordt gevraagd om feedback op het verbeterplan, laat [verweerster] weten het niet eens te zijn met de inhoud van het plan en het door Zoho gehanteerde proces. Op 1 juli 2025 vindt er nogmaals een gesprek plaats over de inhoud van het verbeterplan en op 7 juli 2025 reageert [A] schriftelijk op de bezwaren van [verweerster] op het verbeterplan. Op 17 juli 2025 geeft [A] [verweerster] een laatste kans om mee te werken aan het verbeterplan. De bevestiging van [verweerster] dat zij zal meewerken aan het verbeterplan blijft uit. In plaats daarvan stelt [verweerster] op 11 augustus 2025 nadere eisen en voorwaarden aan haar medewerking. Daarom stelt [A] op 11 augustus 2025 aan [verweerster] voor de hulp van een mediator in te schakelen om tot overeenstemming te kunnen komen over de aanvang van het verbeterplan. Ook hierover stelt [verweerster] verschillende vragen per e-mail, waarna zij op 13 augustus 2025 het mediationvoorstel van Zoho accepteert.
3.11. Vanaf 13 augustus 2025 is [verweerster] vrijgesteld van werkzaamheden in afwachting van een oplossing in mediation. De mediation wordt op 24 november 2025 beëindigd zonder dat een oplossing is bereikt en het verbetertraject is uiteindelijk niet opgestart.
3.12. De kantonrechter stelt vast dat vanaf 2024 een patroon is te zien waarbij [verweerster] tekort schiet in de uitoefening van haar functie. Ze is onzorgvuldig, ze mist deadlines, ze geeft geen opvolging aan acties, ze mist afspraken en ook de partners van Zoho klagen over de samenwerking met [verweerster] . Verder blijven ook de (financiële) prestaties achter van de regio's die onder de verantwoordelijkheid van [verweerster] vallen. [verweerster] is hiervan tijdig op de hoogte gesteld, nu er vanaf augustus 2024 regelmatig gesprekken met haar worden gevoerd over de tegenvallende resultaten en haar functioneren. Tenslotte is de kantonrechter van oordeel dat Zoho [verweerster] in voldoende mate in de gelegenheid heeft gesteld om het functioneren te verbeteren. In december 2024 is met [verweerster] gesproken over het opstellen van een plan om de resultaten te kunnen verbeteren. Zij heeft voor het opstellen van dit plan de tijd gekregen tot 31 januari 2025, maar [verweerster] komt pas op 7 maart 2025 met een plan. Een plan dat volgens Zoho niet aan de vereisten voldoet, omdat er geen concrete acties in staan en ook meetbare resultaten ontbreken. [verweerster] wordt gevraagd het plan te verbeteren, maar dit doet zij niet. Zoho besluit hierop, mede vanwege de zich opstapelende incidenten met [verweerster] , een formeel verbetertraject te starten. Dat dit verbetertraject uiteindelijk niet van de grond is gekomen, is volledig aan [verweerster] te wijten. [verweerster] is verschillende malen gevraagd om haar instemming. Op haar feedback is telkens spoedig gereageerd, maar tot een instemming komt het niet. Zoho heeft voor het verkrijgen van de instemming van [verweerster] zelfs de hulp ingeschakeld van een mediator, maar ook dit niet heeft niet geholpen. De kantonrechter is van oordeel dat Zoho [verweerster] voldoende gelegenheid heeft gegeven om haar functioneren te verbeteren.
3.13. [verweerster] heeft nog aangevoerd dat [verweerster] niet wist waar ze aan toe was, omdat Zoho telkens van koers wijzigde. [verweerster] heeft dit niet onderbouwd en voor dit standpunt ontbreken aanknopingspunten in het dossier. Vanaf halverwege 2024 zijn de berichten van Zoho naar [verweerster] duidelijk: de resultaten vallen tegen en deze moeten verbeteren. Uit de berichten van Zoho naar [verweerster] is duidelijk waarop zij haar aandacht dient te richten. Daarin is tot aan het ontbindingsverzoek geen verandering gekomen.
3.14. [verweerster] heeft nog opgeworpen dat, mocht worden geoordeeld dat er sprake is van disfunctioneren, dit veroorzaakt zou zijn door ziekte en onvoldoende zorg door Zoho. [verweerster] heeft dit standpunt niet verder onderbouwd. Al vanaf augustus 2024 worden er op regelmatige basis gesprekken met [verweerster] gevoerd over de tegenvallende resultaten en het onder verwachting presteren. Dat dit zou worden veroorzaakt door ziekte van [verweerster] is niet aannemelijk geworden. Van onvoldoende zorg door Zoho voor [verweerster] is evenmin gebleken.
Herplaatsingsverplichting
3.15. Ondanks het bestaan van een redelijke grond voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, zal de kantonrechter niet overgaan tot de door Zoho verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Daarvoor is namelijk ook vereist dat Zoho aan haar herplaatsingsverplichting heeft voldaan. Naar het oordeel van de kantonrechter is Zoho hierin tekortgeschoten. Daarover overweegt de kantonrechter het volgenden.
3.16. Als extra voorwaarde voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever geldt, naast het aanwezig zijn van een redelijke grond voor ontbinding, dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt.[3] Bij de beoordeling of binnen de onderneming van de werkgever een passende functie beschikbaar is voor een werknemer, worden arbeidsplaatsen betrokken waarvoor een vacature bestaat of binnen de redelijke termijn een vacature zal ontstaan.[4] Wanneer de onderneming van de werkgever deelt uitmaakt van een groep, worden bij de beoordeling of een passende functie beschikbaar is mede arbeidsplaatsen in andere tot deze groep behorende ondernemingen betrokken.[5]
3.17. Zoho heeft zich op het standpunt gesteld dat herplaatsing niet in de rede ligt, omdat de relatie met [verweerster] duurzaam en ernstig verstoord is, zij verwijtbaar gedrag vertoont en niet functioneert zoals Zoho mag verwachten. De kantonrechter volgt Zoho hierin niet. Ook in de situatie dat er sprake is van disfunctioneren, kan een ontbindingsverzoek door de kantonrechter alleen worden toegewezen als herplaatsing van een werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Dit kan anders zijn in het geval er sprake zou zijn van (ernstig) verwijtbaar handelen, maar daarvan is naar het oordeel van de kantonrechter in deze zaak niet gebleken.
3.18. De kantonrechter stelt vast dat Zoho geen enkele poging heeft gedaan om [verweerster] te herplaatsen in een andere passende functie. Ook heeft Zoho geen inventarisatie gemaakt van de mogelijkheden binnen Zoho of binnen de groep. De kantonrechter acht het niet goed voorstelbaar dat in een organisatie als die van Zoho, waarin er ook internationale vestigingen zijn, er geen mogelijkheid bestaat [verweerster] te herplaatsen.
3.19. Volgens Zoho bestaan er binnen haar onderneming geen vacatures voor functies die voor [verweerster] passend zijn. De kantonrechter overweegt hierover dat [verweerster] bij haar verweerschrift negen vacatures heeft opgesomd die volgens haar passend zouden zijn. Van deze vacatures heeft Zoho niet aangegeven dat deze wat haar betreft niet passend zijn. Van Zoho mag verwacht worden dat zij de mogelijkheden tot herplaatsing van [verweerster] zou hebben onderzocht.
Conclusie
3.20. De kantonrechter wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af.
Proceskosten
3.21. De proceskosten komen voor rekening van Zoho, omdat overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verweerster] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
in de tegenverzoeken van [verweerster]
Wedertewerkstelling
3.22. Nu de kantonrechter het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst afwijst, komt zij toe aan het verzoek van [verweerster] tot wedertewerkstelling in haar functie. De kantonrechter zal dit verzoek toewijzen, met dien verstande dat Zoho [verweerster] weer dient toe te laten tot haar werkzaamheden zodra haar belastbaarheid dit toelaat. Volgens de meest recente rapportage van de bedrijfsarts is er immers nog sprake van beperkte belastbaarheid van [verweerster] en is zij nog arbeidsongeschikt. Aan deze veroordeling wordt geen dwangsom verbonden, omdat de kantonrechter hiervoor geen aanleiding ziet en de kantonrechter ervan uitgaat dat Zoho aan de veroordeling zal voldoen.
Achterstallig loon
3.23. [verweerster] stelt dat zij vanaf 1 mei 2024 maandelijks een bedrag van € 6,17 bruto per maand te weinig heeft ontvangen. Zoho heeft dit erkend. Volgens Zoho is er sprake van een omrekenfout, omdat er in de arbeidsovereenkomst wordt gesproken over een bruto jaarsalaris en er bij de omrekening naar het bedrag per maand kennelijk een fout is gemaakt. Zoho verzoekt echter dit bedrag niet toe te wijzen aan [verweerster] , omdat zij onverplicht na de ziekmelding van [verweerster] 100% van het loon aan [verweerster] heeft doorbetaald tot 1 januari 2026, terwijl zij volgens haar arbeidsovereenkomst maar recht had op 70% van haar loon. Dit bedrag wordt door Zoho in deze procedure niet teruggevorderd van [verweerster] , maar zij verzoekt om die reden wel het bedrag aan achterstallig loon af te wijzen.
3.24. Dat Zoho over de periode van 16 oktober 2025 tot 1 januari 2026 100% van het loon aan [verweerster] heeft doorbetaald, terwijl [verweerster] slechts recht heeft op doorbetaling van 70% van haar loon, is een omstandigheid die nu niet aan [verweerster] kan worden tegengeworpen. Door Zoho is erkend dat [verweerster] vanaf 1 mei 2024 een bedrag van € 6,17 bruto te weinig heeft ontvangen aan loon. Dit deel van het verzoek van [verweerster] kan dan ook worden toegewezen. De kantonrechter zal hierover niet de verzochte wettelijke verhoging toewijzen, omdat de wettelijke verhoging is bedoeld als een prikkel tot nakoming en de kantonrechter het aannemelijk acht dat hier sprake is van een kennelijke rekenfout. Wel wordt over het toe te wijzen bedrag aan achterstallig loon de verzochte wettelijke rente toegewezen.
3.25. Verder verzoekt [verweerster] om Zoho te veroordelen tot betaling van 100% van haar loon vanaf haar ziekmelding op 16 oktober 2025. Zij stelt dat het voor rekening van Zoho komt dat zij niet werkt, omdat zij door Zoho met ingang van 13 augustus 2025 op non-actief is gesteld.[6]
3.26. Uit de stukken blijkt dat Zoho [verweerster] over de periode van 16 oktober 2025 tot 1 januari 2026 100% van haar loon heeft uitbetaald en dat zij vanaf 1 januari 2026 dit percentage heeft beperkt tot 70%.
3.27. De kantonrechter oordeelt dat Zoho het loondoorbetalingspercentage vanaf 1 januari 2026 heeft mogen beperken tot 70% van het maximum dagloon.[7] Uit de informatie van de bedrijfsarts blijkt dat er bij [verweerster] sprake is van arbeidsongeschiktheid op medische gronden. Anders dan [verweerster] stelt, is de arbeidsongeschiktheid de belangrijkste reden dat zij niet werkt en niet de non-actiefstelling.
3.28. Of [verweerster] nog recht zou hebben op betaling van commissies en andere emolumenten kan onbesproken blijven, omdat het loon dat [verweerster] verdiende (zonder commissies en overige emolumenten) al hoger lag dan het maximumdagloon in 2026 en zij door Zoho 70% van dit maximum dagloon betaald heeft gekregen en dient te krijgen zolang de arbeidsongeschiktheid voortduurt.
Proceskosten
3.29. Zoho moet de proceskosten betalen omdat zij overwegend ongelijk krijgt. In het tegenverzoek worden de proceskosten voor [verweerster] vanwege de verwevenheid met de verzoeken van Zoho begroot op nihil.

4 De beslissing

De kantonrechter:
in de verzoeken van Zoho:
4.1. wijst de verzoeken af;
4.2. veroordeelt Zoho in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Zoho niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
4.3. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in de tegenverzoeken van [verweerster] :
4.4. veroordeelt Zoho tot toelating van [verweerster] tot uitoefening van haar werkzaamheden van [functie 2] , zodra de belastbaarheid van [verweerster] dit weer toelaat;
4.5. veroordeelt Zoho tot betaling aan [verweerster] van een bedrag van € 6,17 bruto per maand vanaf 1 mei 2024 tot 1 januari 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de respectievelijke opeisbaarheid van deze maandelijkse bedragen tot het moment van volledige betaling;
4.6. veroordeelt Zoho tot verstrekking aan [verweerster] van een bruto/netto-specificatie van de betaling onder 4.5.;
4.7. veroordeelt Zoho in de proceskosten van [verweerster] , tot op heden begroot op nihil;
4.8. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.9. wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.L. Rijnbout, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken door mr. D.A. van Steenbeek, kantonrechter, op 12 maart 2026.
artikel 7:671b lid 6 BW
artikel 7:669 lid 3, onderdeel d BW
artikel 7:671b lid 1 in samenhang met artikel 7:669 BW
artikel 9 lid 1 en artikel 10 lid 1 van de Ontslagregeling
artikel 9 lid 2 van de Ontslagregeling
artikel 7:628 BW
artikel 7:629 BW - - - ## Voetnoten
artikel 7:671b lid 6 BW
artikel 7:669 lid 3, onderdeel d BW
artikel 7:671b lid 1 in samenhang met artikel 7:669 BW
artikel 9 lid 1 en artikel 10 lid 1 van de Ontslagregeling
artikel 9 lid 2 van de Ontslagregeling
artikel 7:628 BW
artikel 7:629 BW