Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:1122 - Rechtbank Midden-Nederland - 11 maart 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:112211 maart 2026

Uitspraak inhoud

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/606483 / KG ZA 26-47
Vonnis in kort geding van 11 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. F. Arts,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] (Duitsland),
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. H.C.J. Coumou.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 10 februari 2026 met 27 producties, - de producties 1 tot en met 9 van [gedaagde] , - productie 28 van [eiser] , - de producties 10 en 11 van [gedaagde] , - de mondelinge behandeling van 25 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, - de pleitnota van [eiser] , - de pleitnota van [gedaagde] .
1.2. In verband met de spoedeisendheid van het gevorderde is vonnis bepaald op 27 februari 2026 in de vorm van een 'kopstaartvonnis'. Dit is de uitwerking daarvan die op 11 maart 2026 is afgegeven.

2 De kern van de zaak

2.1. [gedaagde] heeft op of omstreeks 16 januari 2026 beslag gelegd ten laste van zijn zoon [eiser] , op diens woning aan de [adres] in [plaats] . Partijen hebben een geschil met elkaar over een geldleningsovereenkomst (waarbij ook deels sprake was van een schenking) van 25 maart 2025, waarbij [gedaagde] een lening aan [eiser] heeft verstrekt. [gedaagde] is van mening dat [eiser] de lening aan hem moet terugbetalen en dat sprake is van dwaling dan wel misbruik van omstandigheden. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) geschonden door de voorzieningenrechter meermaals op het verkeerde been te zetten bij de beoordeling van het beslagrekest. Daarnaast vindt [eiser] dat de vordering van [gedaagde] als summierlijk ondeugdelijk moet worden beoordeeld. [eiser] vordert in dit kort geding daarom dat het beslag op zijn woning moet worden opgeheven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde] artikel 21 Rv heeft geschonden en heft het beslag op.

3 De beoordeling

Het toetsingskader voor het opheffen van conservatoir beslag
3.1. Artikel 705 Rv wijst de voorzieningenrechter die het beslagverlof heeft gegeven aan als een van de rechters die een beslag kan opheffen. Een opheffingsvordering is bovendien naar zijn aard spoedeisend.
3.2. De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, als het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld (artikel 705 lid 2 Rv).
3.3. Artikel 705 lid 2 Rv bevat geen limitatieve opsomming van de opsommingsgronden. Opheffing kan bijvoorbeeld ook plaatsvinden als het beslagobject van een derde is of als de beslagverzoeker de waarheidsplicht van artikel 21 Rv heeft geschonden. Artikel 21 Rv houdt in dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Blijkens de wetsgeschiedenis is het de bedoeling om met deze bepaling de bewuste leugen uit te bannen en staat het de rechter vrij om aan schending van de waarheidsplicht al dan niet een sanctie naar keuze te verbinden. De waarheidsplicht geldt voor alle in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering opgenomen procedures en dus ook voor de procedure voor het verkrijgen van beslagverlof. Bij een beslagrekest klemt naleving van artikel 21 Rv des te meer omdat sprake is van een eenzijdig verzoek waarop de rechter na slechts summier onderzoek beslist, (doorgaans) zonder de beslagschuldenaar te horen. De toewijzing daarvan kan voor de beslagschuldenaar (zeer) ingrijpende gevolgen hebben. In de regel mag, en in de praktijk zal, de voorzieningenrechter afgaan op de mededelingen van de beslagverzoeker in het rekest – dat alle voor de beslissing relevante feiten en omstandigheden bevat – en de daarbij gevoegde stukken.
[gedaagde] heeft artikel 21 Rv geschonden
3.4. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] in het beslagrekest meermaals artikel 21 Rv op ernstige wijze geschonden met als enige doel om verlof voor beslaglegging te verkrijgen en in de wetenschap dat [eiser] voor het verlenen van het verlof waarschijnlijk niet zou worden gehoord. [eiser] noemt hiervoor een vijftal schendingen. Tegen deze stellingen heeft [gedaagde] geen inhoudelijk verweer gevoerd, ook niet tijdens de mondelinge behandeling.
3.5. De voorzieningenrechter oordeelt dat [gedaagde] artikel 21 Rv heeft geschonden. Het gaat om de volgende schendingen:
Met [eiser] is de voorzieningenrechter het eens dat [gedaagde] wel al eerder op de hoogte was van de koop van een woning in België en [gedaagde] dit dus onjuist heeft vermeld in het beslagrekest. Zo blijkt uit productie 9 bij de dagvaarding dat [gedaagde] richting [eiser] is begonnen over het kopen van een huis in België en uit productie 14 bij de dagvaarding volgt dat [gedaagde] een Funda-link aan [eiser] heeft doorgestuurd "mocht België niet doorgaan". Ook heeft [gedaagde] al op 12 april 2025 het adres van de woning in België aan [eiser] gevraagd (productie 18 bij de dagvaarding).
  1. In randnummer 18 van het beslagrekest heeft [gedaagde] het volgende citaat opgenomen "De aflossing van € 2000, per maand impliceert een periode van bijna 21 jaar.". De voorzieningenrechter constateert dat [gedaagde] dit citaat onjuist heeft overgenomen uit de betreffende e-mail van [eiser] (productie 3 bij het beslagrekest). De oorspronkelijke tekst is namelijk als volgt: "De aflossing van € 2000 per maand impliceert en periode van bijna 10 jaar.". Hoewel het mogelijk is dat een verschrijving terecht komt in een processtuk, valt een dergelijke verschrijving [gedaagde] wel te verwijten. Het betreft namelijk essentiële informatie over wat partijen met elkaar hebben afgesproken en wat ten grondslag ligt aan het beslag. Zorgvuldigheid voor wat betreft het opnemen van een citaat in het beslagrekest was daarom op zijn plaats geweest.
  1. Tot slot heeft [gedaagde] in randnummers 32 tot en met 37 van het beslagrekest gesteld dat hij een zware TIA heeft gehad en dat hij daarvoor onder behandeling was bij een geriater. De voorzieningenrechter acht het niet aannemelijk dat [gedaagde] een zware TIA heeft gehad waarvan hij twee jaar daarna nog ernstige en blijvende klachten en beperkingen ervaart en waarvoor hij onder behandeling zou zijn bij een geriater. [gedaagde] heeft geen enkele medische documentatie overgelegd waaruit dit zou blijken, terwijl deze documentatie volgens randnummer 19 van het beslagrekest wel beschikbaar zou zijn. Met [eiser] is de voorzieningenrechter het eens dat uit de producties 10 en 20 tot en met 26 bij de dagvaarding eerder blijkt dat [gedaagde] slechts tijdelijke lichte klachten aan de TIA in mei 2023 heeft overgehouden.
3.6. Bovenstaande omstandigheden maken, in onderlinge samenhang bezien, dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat [gedaagde] artikel 21 Rv heeft geschonden. [gedaagde] heeft op de hiervoor genoemde onderwerpen namelijk niet de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aangevoerd. Dit betreffen geen details, maar dit was essentiële informatie op basis waarvan het beslagrekest moest worden beoordeeld. De voorzieningenrechter acht dit dan ook een ernstige schending, omdat het hoofdargumenten betreffen die de grondslag vormen voor het leggen van het beslag en op basis waarvan het verlof is verleend door de voorzieningenrechter. Dit geldt des te meer omdat de voorzieningenrechter bij de beoordeling van een beslagrekest af moet gaan op een eenzijdig verzoek en zonder het horen van de beslagene. Indien de voorzieningenrechter correct was geïnformeerd in het beslagrekest, dan was de kans zeer aannemelijk dat het verlof niet was verleend. Dit leidt ertoe dat het een passende consequentie is om het op (of omstreeks) 16 januari 2026 gelegde beslag op de woning aan de [adres] in [plaats] op te heffen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.7. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

4 De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1. heft op het op (of omstreeks) 16 januari 2026 door [gedaagde] ten laste van [eiser] op het registergoed, plaatselijk bekend onder het adres [adres] te ( [postcode] ) [plaats] , kadastraal bekend Hilversum [nummer] , gelegde beslag,
4.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.858,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Schuman en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.
WM (5442)