Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:1118 - Rechtbank Midden-Nederland - 11 maart 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2026:1118•11 maart 2026
Uitspraak inhoud
RECHTBANK
**MIDDEN-NEDERLAND**
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11951778 \ UC EXPL 25-8577
Vonnis van 11 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende in [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde],
wonende in [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1 De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 28 oktober 2025 met 10 producties, - het proces-verbaal van mondeling antwoord, - de conclusie van repliek met 2 producties, - de conclusie van dupliek.
1.2. De kantonrechter heeft vervolgens beslist dat vonnis zal worden gewezen.
2 De kern van de zaak
2.1. [eiser] heeft van [gedaagde] een auto gekocht. Volgens [eiser] is mondeling afgesproken dat de reservesleutel, de witte kentekenplaat en de bagage afdekhoes (hierna: de goederen) onderdeel van de overeenkomst zijn. Omdat [gedaagde] deze goederen niet heeft geleverd, vordert [eiser] afgifte daarvan, op straffe van een dwangsom, Als de goederen niet geleverd kunnen worden, vordert [eiser] de vervangingswaarde van € 960,00. Volgens [gedaagde] waren de goederen geen onderdeel van de koopovereenkomst, maar heeft hij na het sluiten van de koopovereenkomst aangeboden bij de vorige eigenaar na te gaan of hij de goederen nog in zijn bezit heeft. De kantonrechter wijst de vordering af.
3 De beoordeling
Wat hebben partijen afgesproken?
3.1. Tussen partijen is niet in geschil dat zij op 16 april 2025 mondeling hebben afgesproken dat [gedaagde] een auto zou leveren en [eiser] de koopprijs van € 6.100,00 zou betalen. Partijen hebben over en weer aan die verplichting voldaan.
3.2. [eiser] stelt zich op het standpunt dat naast de levering van de auto ook is afgesproken dat [gedaagde] de goederen zou leveren. [eiser] heeft de goederen bij de levering van de auto op 20 april 2025 niet gekregen van [gedaagde] . Volgens [eiser] heeft [gedaagde] hem daarna beloofd de goederen op te sturen.
3.3. [gedaagde] voert aan dat [eiser] pas na het sluiten van de koopovereenkomst vroeg om de goederen. Volgens [gedaagde] heeft hij gezegd dat hij die niet in zijn bezit had, maar dat hij het bij de vorige eigenaar kon navragen. Daarbij heeft hij ook gezegd dat [eiser] op de goederen niet hoefde te rekenen. Na contact met de vorige eigenaar, bleek dat die persoon niets meer kon vinden, wat [gedaagde] aan [eiser] heeft doorgegeven, aldus [gedaagde] .
3.4. Op grond van artikel 150 Rv moet [eiser] stellen, en bij betwisting bewijzen, dat de levering van de goederen onderdeel waren van de koopovereenkomst. De kantonrechter oordeelt dat [eiser] daarin niet slaagt. [eiser] heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] , onvoldoende onderbouwd waaruit blijkt dat partijen hebben afgesproken dat de goederen onderdeel waren van de koopovereenkomst. [eiser] schrijft zelf dat [gedaagde] na de proefrit heeft gezegd dat er ergens een reservesleutel en een afdekhoes zijn en dat [eiser] toen de witte kentekenplaat zag op de fietsendrager in de tuin. Daaruit volgt dat de goederen geen onderdeel waren van het aanbod door [gedaagde] waar [eiser] op gereageerd heeft. [eiser] stelt dat uit een WhatsAppbericht blijkt dat [gedaagde] toegeeft belooft te hebben de goederen op te sturen. In het WhatsAppbericht van 1 april 2025 om 08:09 staat: 'Precies, ik heb het zelf aangeboden'. Dit bericht onderbouwt niet dat [gedaagde] bij het sluiten van de koop de goederen heeft aangeboden, maar wel de lezing van [gedaagde] dat hij na het sluiten van de koop heeft aangeboden navraag te doen bij de vorige eigenaar. Het herhaaldelijk verzoeken om de goederen, zonder tegenbericht van [gedaagde] , onderbouwt ook niet dat de goederen onderdeel van de koopovereenkomst waren.
3.5. Het voorgaande betekent dat niet is vast komen te staan dat de goederen onderdeel waren van de koopovereenkomst. De door [eiser] gevorderde afgifte van de goederen, of vergoeding van de vervangingswaarde, worden daarom afgewezen. De nevenvorderingen voor vergoeding van de kosten worden daarom ook afgewezen.
De proceskosten
3.6. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De heer [gedaagde] is op 5 november 2025 naar de rechtbank gekomen om verweer te voeren. Op 6 februari 2023 heeft het LOVCK (Landelijk overleg vakinhoud Civiel en Kanton) aanbevolen dat als een gedaagde die in persoon procedeert op een zitting verschijnt, ambtshalve (dus ook indien niet gevorderd) een forfaitair bedrag van € 50,00 aan reis-, verblijf - en verletkosten wordt toegekend. De kantonrechter volgt deze aanbeveling en zal [eiser] veroordelen tot het betalen van € 50,00 aan proceskosten van [gedaagde] .
4. De beslissing
De kantonrechter
4.1. wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.2. veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 50,00 aan noodzakelijke reis-, verblijf-en verletkosten,
4.3. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.
64510