Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:1108 - Rechtbank Midden-Nederland - 11 maart 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:110811 maart 2026

Uitspraak inhoud

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/578333 / HL ZA 24-191
Vonnis van 11 maart 2026
in de zaak van

1 [eiseres sub 1] , 2. [eiser sub 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. H.C. Vroege,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. K. Beumer.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
1.2. Omdat [eisers] in hun akte niet alleen zijn ingegaan op de te benoemen deskundige maar ook een toelichting op de kostenraming hebben gegeven, is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om op dat laatste punt een antwoordakte te nemen, zoals bepaald in het tussenvonnis.
1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

De deskundige
2.1. In het tussenvonnis heeft de rechtbank aangekondigd dat zij een deskundige wil benoemen. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de te benoemen deskundige en de aan deze te stellen vragen. Partijen hebben allebei een akte genomen.
2.2. Partijen hebben overeenstemming bereikt over de te benoemen deskundige van Bureau voor Bouwpathologie te Montfoort. Verder hebben partijen aangegeven dat dit bureau zorgt voor de constructieberekening.
2.3. Namens de rechtbank is de heer ir. J.C.A.S. van den Bergh van Bureau voor Bouwpathologie benaderd met de vraag of hij beschikbaar is om het onderzoek te doen.
Hij heeft aangegeven daartoe bereid te zijn en vrij te staan van partijen. De rechtbank zal hem daarom benoemen als deskundige in deze zaak (hierna: de deskundige).
2.4. De deskundige heeft al een begroting van zijn kosten (d.d. 29 januari 2026) ingediend, die aan partijen zal worden toegezonden. De procedure zal worden gevolgd zoals onder de beslissing is opgenomen.
2.5. De rechtbank zal bepalen dat [eisers] de deskundige moeten voorzien van de processtukken en dat de griffier een kopie van dit vonnis aan de deskundige toestuurt.
De rechtbank gaat ervan uit dat partijen de deskundige inzage zullen geven in alle bescheiden die hij voor de uitvoering van de opdracht van belang acht.
2.6. Als een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, moet zij daarvan ook direct een afschrift aan de wederpartij verstrekken.
2.7. De rechtbank wijst partijen erop dat zij wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek van de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Voldoet een partij niet aan een van deze verplichtingen, dan kan de rechtbank in het nadeel van die partij beslissen.
De vragen aan de deskundige
2.8. Beide partijen kunnen zich vinden in de vragen die zijn opgesomd in overweging 3.44 van het tussenvonnis. Deze vragen zullen daarom aan de deskundige worden voorgelegd.
2.9. Daarnaast heeft [gedaagde] verzocht om een aanvullende onderzoeksvraag: zij vraagt zich af in hoeverre de in een later stadium door [eisers] geplaatste grotere dakkapel en zonnepanelen een negatief effect kunnen hebben gehad op de scheurvorming in de achtergevel.
2.10. [eisers] verzetten zich tegen de aanvullende vraag, maar de rechtbank gaat hieraan voorbij. Deze vraag is relevant omdat het onderzoek mede betrekking heeft op de achtergevel en niet kan worden uitgesloten dat een zwaardere belasting invloed kan hebben op de (recente) scheur in de achtergevel en de herstelwerkzaamheden of (de hoogte van) de herstelkosten. Daarbij komt dat de deskundige dit punt, indien relevant, ook zal moeten betrekken bij de vangnetvraag (of er nog zaken zijn die voor de beoordeling van belang kunnen zijn). Bovendien heeft [gedaagde] zich – anders dan [eisers] menen – wel op het standpunt gesteld dat het gewicht van de grotere dakkapel en de zonnepanelen effect heeft gehad op de scheurvorming.[1] Van een tardief standpunt is dus geen sprake. Deze vraag (zoals geherformuleerd onder de beslissing) zal daarom ook aan de deskundige worden voorgelegd.
De deskundigenkosten
2.11. De rechtbank heeft in het tussenvonnis het voornemen geuit om de deskundigenkosten voorlopig ten laste van [eisers] te brengen. Het uitgangspunt van de wet (artikel 187 Rv) is namelijk dat de eisende partij als voorfinancier optreedt.
Dit vanuit de gedachte dat deze partij deze procedure is gestart ter handhaving of verwezenlijking van een civielrechtelijk eigen belang. [eisers] stellen dat het voorschot op de deskundigenkosten door [gedaagde] moet worden betaald. [gedaagde] refereert zich wat dit betreft aan het oordeel van de rechtbank.
2.12. In het tussenvonnis heeft de rechtbank vastgesteld dat sprake is van gebreken waarvoor [gedaagde] aansprakelijk is. Het deskundigenonderzoek gaat met name over de vraag welke herstelwerkzaamheden nodig zijn en (de hoogte van) de herstelkosten. Onder deze omstandigheden en het feit dat [gedaagde] zich op dit punt aan het oordeel van de rechtbank refereert, ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van voornoemd uitgangpunt en [gedaagde] te belasten met het voorschot. [gedaagde] heeft op de mondelinge behandeling ook al aangegeven een deel van de kosten, namelijk met betrekking tot de constructieberekening, te willen dragen. In het eindvonnis zal de rechtbank definitief beslissen wie van partijen uiteindelijk de kosten van de deskundige moet betalen. De rechtbank zal de beslissing over het voorschot ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
Overig
2.13. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3 De beslissing

De rechtbank
het deskundigenonderzoek
3.1. beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:
  1. Welke herstelwerkzaamheden zijn, mede op basis van een constructieberekening, nodig zodat de draagconstructie voldoet aan de eisen van goed en deugdelijk vakmanschap?
  1. Welke kosten zijn hieraan, naar uw inschatting, verbonden (op basis van uitvoering door een derde tegen een commerciële prijs)? Kunt u dit met onderbouwing toelichten?
  1. Welke herstelwerkzaamheden zijn nodig om de vloer in de uitbouw op de begane grond, inclusief de daarin aangebrachte vloerverwarming, dusdanig te herstellen dat deze voldoet aan de eisen van goed en deugdelijk vakmanschap?
  1. Welke kosten zijn hieraan, naar uw inschatting, verbonden (op basis van uitvoering door een derde tegen een commerciële prijs)? Kunt u dit met onderbouwing toelichten?
  1. Hebben de in een later stadium door [eisers] geplaatste dakkapel en zonnepanelen effect gehad op de scheurvorming in de achtergevel? Zo ja, in welke mate en heeft dit invloed op de herstelkosten?
  1. Heeft u – naar aanleiding van uw bevindingen – nog op - of aanmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang kunnen zijn?
3.2. benoemt tot deskundige:
naam: de heer ir. J.C.A. Sjack van den Bergh Bureau voor Bouwpathologie
postbus: Postbus 43 3480 DA Harmelen
adres: Waardsedijk - Oost 8 3417 XJ Montfoort
telefoon: 0348 – 44 56 29
e-mailadres: [email protected]
het voorschot
3.3. bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot op de kosten van de deskundige het volgende:
3.4. bepaalt dat [gedaagde] het voorschot moet overmaken binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak;
3.5. draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot;
3.6. verklaart de beslissing over het voorschot uitvoerbaar bij voorraad;
3.7. wijst de deskundige erop dat hij het onderzoek onmiddellijk moet staken en contact moet opnemen met de griffier, als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn;
de werkwijze
3.8. draagt de deskundige op een schriftelijk en met redenen omkleed rapport (in drievoud) met een duidelijke conclusie, en een gespecificeerde einddeclaratie in te leveren bij de griffie;
3.9. bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijke, ondertekende rapport bij de griffie moet worden ingeleverd op vier maanden na de datum van dit vonnis, met dien verstande dat de deskundige niet met het onderzoek hoeft te beginnen voordat deze van de griffie bericht heeft ontvangen dat het voorschot is betaald;
3.10. bepaalt dat partijen nadere inlichtingen, stukken en gegevens aan de deskundige moeten verstrekken als deze daarom verzoekt, de deskundige toegang moeten verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige medewerking moeten verlenen aan het onderzoek;
3.11. bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek ter plaatse partijen in de gelegenheid moet stellen dit onderzoek bij te wonen en dat uit het deskundigenrapport moet blijken dat die gelegenheid is geboden;
3.12. bepaalt dat de deskundige een concept van het rapport aan partijen zal toezenden en hen in de gelegenheid zal stellen om binnen een termijn van vier weken na toezending opmerkingen over het concept te maken en bepaalt dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren;
3.13. bepaalt dat uit het rapport van de deskundige moet blijken of aan partijen de gelegenheid is geboden om opmerkingen te maken (tijdens het onderzoek en op het conceptrapport) en dat de deskundige in het rapport melding moet maken van de inhoud van die opmerkingen, en verzoekt de deskundige om in het rapport te reageren op de opmerkingen van partijen;
3.14. wijst de deskundige er op dat uit het rapport moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd;
3.15. verzoekt de deskundige om de landelijke Leidraad deskundigen in civiele zaken op www.rechtspraak.nl te raadplegen;
de overige beslissingen
3.16. draagt de griffier op een kopie van dit vonnis toe te zenden aan de deskundige;
3.17. bepaalt dat [eisers] het volledige procesdossier binnen één week na de datum van dit vonnis aan de deskundige moeten toezenden;
3.18. draagt de griffier op om na inlevering van het schriftelijke rapport door de deskundige de zaak op een termijn van vier weken weer op de rol te plaatsen voor het nemen van een conclusie na deskundigenrapport aan de zijde van [eisers] en om partijen daarvan bericht te doen;
3.19. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Staal en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.
Zie pagina 13 van de conclusie van antwoord in conventie. - - - ## Voetnoten
Zie pagina 13 van de conclusie van antwoord in conventie.