Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:1076 - Rechtbank Midden-Nederland - 9 maart 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2026:1076•9 maart 2026
Uitspraak inhoud
RECHTBANK
**MIDDEN-NEDERLAND**
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12062531 \ UV EXPL 26-16
Vonnis in kort geding van 9 maart 2026
in de zaak van
WONINGSTICHTING WOONIN,
gevestigd in Utrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: Woonin,
gemachtigde: mr. M.J. Jeths,
tegen
[gedaagde] B.V.,
in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan [onderbewindgestelde] , wonende te [plaats 1] (hierna: [onderbewindgestelde] ),
gevestigd in [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. G.S. Geurts.
1 De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 13 februari 2026, met producties 1 tot en met 9, - de aanvullende producties 10 en 11 van Woonin, - de producties 1 en 2 van [gedaagde] , - de productie 3 van [gedaagde] , - de pleitnota van Woonin, - de pleitnota van [gedaagde] .
1.2. De mondelinge behandeling vond plaats op 23 februari 2026. Namens Woonin waren [A] ( [functie 1] bij Woonin), [B] ( [functie 2] bij Woonin) en [C] ( [functie 3] bij Woningnet) aanwezig met gemachtigde mr. M.J. Jeths. Namens [gedaagde] was [D] (werkzaam bij [gedaagde] ) aanwezig met gemachtigde mr. G.S. Geurts. [onderbewindgestelde] was ook aanwezig met haar 3 kinderen, [E] , [F] en [G] . De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
2 De kern van de zaak
2.1. Woonin verhuurt in het kader van het Laatste Kansbeleid (hierna: LKB) tijdelijk een woning aan de [straat 1] [nummer] ( [postcode] ) in [plaats 1] aan [onderbewindgestelde] . [onderbewindgestelde] woont daar met haar 3 kinderen, van wie er 2 nog minderjarig zijn (één van bijna 16 jaar en één van bijna 18 jaar). De huurovereenkomst is gekoppeld aan een tussen Het Vierde Huis[1] , [onderbewindgestelde] en Woonin gesloten woonbegeleidingsovereenkomst. Volgens Woonin komt [onderbewindgestelde] de afspraken uit de huurovereenkomst niet na en veroorzaken zij en haar kinderen veel overlast. Daarom vordert Woonin dat [onderbewindgestelde] en haar kinderen de woning verlaten.
Het is voldoende aannemelijk dat een rechter in een bodemprocedure de ontbinding en ontruiming zal toewijzen vanwege de tekortkomingen van [onderbewindgestelde] en de overlast die [onderbewindgestelde] en haar gezin hebben veroorzaakt, maar de kantonrechter is van oordeel dat Woonin onvoldoende spoedeisend belang heeft om met een voorlopige voorziening in deze zaak vooruit te lopen op een oordeel van de rechter in een eventuele bodemprocedure en wijst daarom de vordering van Woonin af.
3 De beoordeling
[onderbewindgestelde] staat onder bewind
3.1. De goederen die [onderbewindgestelde] (zullen) toebehoren staan onder bewind. [gedaagde] is benoemd tot bewindvoerder. Tijdens het bewind vertegenwoordigt de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte (artikel 1:441 Burgerlijk Wetboek (BW)). [gedaagde] is de formele procespartij.[2]
Het beoordelingskader in kort geding
3.2. Een vordering tot ontruiming in kort geding kan worden toegewezen als Woonin hierbij zoveel spoed heeft dat zij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten.[3] Als er een spoedeisend belang is, moet de kantonrechter daarna beoordelen of de vordering van Woonin in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is om op de toewijzing daarvan vooruit te lopen. Verder moet het belang dat Woonin heeft bij toewijzing van de vordering worden afgewogen tegen de gevolgen hiervan voor [onderbewindgestelde] .
3.3. De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
Achtergrondinformatie
3.4. Woonin heeft in het kader van het LKB met [onderbewindgestelde] een tijdelijke huurovereenkomst gesloten voor 2 jaar.[4] De huurovereenkomst is op 14 augustus 2024 ingegaan en eindigt automatisch op 13 augustus 2026. Aan de huurovereenkomst is de woonbegeleidingsovereenkomst gekoppeld. Het LKB duurt 2 jaar en de woonbegeleiding is verplicht. [onderbewindgestelde] zijn deze huur - en woonbegeleidingsovereenkomst aangeboden omdat zij en haar gezin zware overlast veroorzaakten op hun vorige woonadres. Eén van de kinderen van [onderbewindgestelde] , [E] , staat tot en met 2027 onder toezicht. Woningnet coördineert namens de gemeente Utrecht het LKB en heeft op 25 augustus 2025 de woonbegeleidingsovereenkomst opgezegd. Woonin heeft laten weten dat zij sowieso voornemens is [onderbewindgestelde] / [gedaagde] over de dag waarop de huur verstrijkt schriftelijk te informeren[5] , maar dat zij vooruitlopend op een bodemprocedure de ontruiming van de woning vordert.
Voldoende aannemelijk dat de ontruimingsvordering in een bodemprocedure wordt toegewezen
3.5. De kantonrechter stelt voorop dat de huurovereenkomst tussen Woonin en [onderbewindgestelde] in het kader van het Laatste Kans beleid is gesloten, waaraan een woonbegeleidings-overeenkomst is gekoppeld. [onderbewindgestelde] weet dus dat vanaf het moment zij of één van haar gezinsleden zich (bewust) niet aan de daarbij horende afspraken houden, dat de huurovereenkomst niet zal worden verlengd en dat zij als ouder vanaf dat moment al op zoek moet gaan naar alternatieve huisvesting of opvang ter voorkoming van i) dakloosheid van haar en haar kinderen en ii) het gescheiden raken van elkaar.
3.6. Het voorkómen van (de kans op) dakloosheid van een kind en het gescheiden raken van een kind van zijn ouders, ligt niet in de eerste plaats op de weg van de verhuurder maar op de weg van ouders en de overheid, terwijl de verhuurder onder omstandigheden ook rekening heeft te houden met belangen van derden.[6]
3.7. Uit de rapportages in het dossier volgt dat [onderbewindgestelde] zich niet of moeilijk laat sturen door Woonin en andere betrokken instanties en zij en haar kinderen overlast veroorzaken. Daarnaast blijkt uit de rapportages dat zij en haar kinderen afspraken niet nakomen. Een voorbeeld hiervan is dat [onderbewindgestelde] zonder toestemming van Woonin een 2e hond in de woning heeft genomen. Het gevolg hiervan is dat [onderbewindgestelde] op 20 januari 2025 per brief een laatste waarschuwing van Woningnet heeft gehad. In deze brief staat dat er klachten binnen zijn gekomen over hondenpoep op het balkon van de woning, winkelwagens die door [onderbewindgestelde] en/of leden van haar huishouden in de algemene ruimtes zijn geplaatst, luide muziek en harde stemmen tot diep in de nacht en vuilniszakken voor de woning. Daarnaast heeft de politie pepperspray, een honkbalknuppel, machete, ploertendoder, taser zaklamp en alarmpistool aangetroffen in de woning van [onderbewindgestelde] . In deze brief staat dat [onderbewindgestelde] zich aan de gemaakte afspraken moet houden en als zij dat niet doet dat het LKB dan wordt stopgezet en zij de woning kwijtraakt. Woningnet heeft op 25 augustus 2025 na nieuwe overlastklachten over (het gezin van) [onderbewindgestelde] het LKB stopgezet.
De overlastmeldingen vermeld in het Leefbaarheid-dossier van Woonin
3.8. Sinds 29 november 2024 (ongeveer 3 maanden na het aangaan van de huurovereenkomst in het kader van het LKB) komen er overlastmeldingen bij Woonin binnen over [onderbewindgestelde] en/of het gezin van [onderbewindgestelde] . De meldingen heeft Woonin verzameld in een Leefbaarheid-dossier en staan hierna samengevat.
3.9. In het Leefbaarheid-dossier staan ook meldingen van buren die er kortgezegd op neerkomen dat de overlast in het complex is toegenomen sinds [onderbewindgestelde] en haar gezin er zijn komen wonen. Een buur meldt bijvoorbeeld: "Sinds enige tijd is er een gezin in ons complex komen wonen. Het precieze huisnummer weet ik niet, maar ben ervan overtuigd dat u weet over welk gezin het gaat. Bijna elke avond is er iets. Je kunt er niet gewoon langslopen. Ze staan vanaf een uur of 17:00 meestal wel buiten mensen uit te dagen die voorbij komen. Ook zojuist weer. Agelopen maandag ben ik om 1:00 uur wakker geworden door het geschreeuw. Daarnaast hebben ze 2 grote honden die niet buiten komen. (…)."
De overlastmeldingen vermeld in de bestuurlijke rapportage van de politie
3.10. Woonin heeft daarnaast een bestuurlijke rapportage van de politie overgelegd waarin de overlast/meldingen uit het Leefbaarheid-dossier worden bevestigd. Uit de meldingen in de rapportage volgt dat buurtbewoners de overlast zat zijn en dat er angst is omdat zij worden geïntimideerd. Zo durven buurtkinderen bijvoorbeeld niet naar buiten of mogen zij van hun ouders niet naar buiten uit angst dat zij het gezin van [onderbewindgestelde] tegenkomen. De meldingen die bij de politie binnengekomen zijn, staan hieronder samengevat.
3.11. Uit (interne) correspondentie die Woonin heeft overgelegd[7] volgt dat het voorval van 17 december 2025 voor buurtbewoners erg beangstigend was. Eén buurtbewoner heeft aan de groep gevraagd wat ze kwamen doen, waarop werd geantwoord dat "ze een appeltje te schillen hebben met [E] en ze net zo lang overlast blijven veroorzaken tot ze hem hebben." Ook spreken sommige buurtbewoners van een groep van 35 tot 40 jongeren en is in de verklaringen te lezen dat [E] en [onderbewindgestelde] vanaf het balkon naar de groep hebben geschreeuwd en met vuurwerk hebben gegooid.
3.12. [onderbewindgestelde] heeft weliswaar briefjes van omwonenden overgelegd die verklaren dat zij geen overlast van [onderbewindgestelde] en haar kinderen ervaren. Dat moge zo zijn, maar dat laat onverlet dat, gelet op de meldingen die Woonin en de politie hebben ontvangen, er ook omwonenden zijn die wel structureel overlast van [onderbewindgestelde] en/of haar kinderen ervaren.
[onderbewindgestelde] en haar kinderen hebben ernstige overlast veroorzaakt en [onderbewindgestelde] is ook anderszins tekortgeschoten
3.13. [gedaagde] heeft niet weersproken dat er wapens zijn gevonden in de woning van [onderbewindgestelde] . Dit is een ernstige tekortkoming van [onderbewindgestelde] . Ook heeft [gedaagde] de afzonderlijke overlastmeldingen niet (voldoende) betwist. De stank-, vuil-, geluids - en andere vormen van overlast zijn ernstige tekortkomingen. Geen van deze tekortkomingen kan [onderbewindgestelde] alsnog nakomen. Zij verkeert dan ook in verzuim. De gemachtigde van [gedaagde] heeft op de mondelinge behandeling aangevoerd dat de kinderen van [onderbewindgestelde] ten onrechte bij de meldingen worden betrokken en dat het om andere jongeren (uit het complex) gaat. Maar, uit de rapportage van de politie blijkt dat agenten bij veel overlastmeldingen [onderbewindgestelde] en/of haar kinderen als betrokkene hebben gemuteerd. Dat de agenten dit ten onrechte zouden hebben gedaan blijkt nergens uit. [onderbewindgestelde] heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat in de zomer de deur naar het balkon vaak openstaat. Als de honden hun behoefte dan doen op het balkon kan zij dat niet tegenhouden maar maakt zij het wel meteen schoon met chloor, aldus [onderbewindgestelde] . Hieruit blijkt dus dat [onderbewindgestelde] tegen de afspraken in, haar honden hun behoefte op het balkon laat doen. Over het schoonmaken met chloor hebben buren juist verklaard[8] dat er met zoveel chloor wordt schoongemaakt door [onderbewindgestelde] dat een verstikkende chloorlucht bij hen naar binnenkomt. De door [onderbewindgestelde] veroorzaakte stankoverlast (poep-, urine - en chloorlucht) staat dan ook vast.
3.14. De kantonrechter is het met de gemachtigde van [gedaagde] in zoverre eens dat er meldingen in het dossier staan waaruit blijkt dat niet alleen (de kinderen van) [onderbewindgestelde] overlast veroorzaken, maar dat kennelijk verschillende groepen/ factoren ervoor zorgen dat het erg onrustig is in de buurt en buurtbewoners zich hierom niet veilig voelen. In een melding van een buurtbewoner van 10 april 2025 staat bijvoorbeeld : "Ik woon hier inmiddels 11 jaar met mijn gezin. In die tijd is er een duidelijke verschuiving ontstaan in het bewonersbestand. Waar het voorheen vooral jonge stellen en alleenstaanden betrof, is het nu een mix van onder andere mensen met psychische problematiek, jongeren die overlast veroorzaken en vluchtelingen. Deze verschuiving is begrijpelijk gezien de krapte op de woningmarkt en sluiting van voorzieningen, maar heeft helaas geleid tot een forse toename van incidenten. (…) Dit is niet houdbaar. Eén van de buren hier uit het complex heeft onlangs ook een brandbrief naar de wethouder gestuurd. Ik richt mij nu tot u omdat ik voel dat er meer nodig is dan lossen meldingen. Ik vraag dringend om een bredere aanpak, zoals: een wijkgesprek of overleg met betrokken partijen, meer toezicht of inzet van handhaving/wijkagent, beoordeling van het toewijzingsbeleid voor dit complex, structurele aandacht voor de veiligheid en leefbaarheid in deze wijk (…)." Woonin heeft er ondanks dat, belang bij dat de situatie met betrekking tot de hangjongeren beëindigd wordt en mag, naast een groepsaanpak, ook een individuele aanpak inzetten tegen (de kinderen van) [onderbewindgestelde] en met name [E] , die onderdeel is van een groep overlast gevende hangjongeren en zich daarvan kennelijk niet distantieert.
3.15. Gelet op het bovenstaande, tegen de achtergrond van het LKB, en het belang van de andere huurders en omwonenden om rustig en veilig te kunnen wonen, is het niet irreëel dat in een bodemprocedure een vordering tot de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning wel worden toegewezen. Het gevolg hiervan zal zijn dat [onderbewindgestelde] en haar kinderen van elkaar gescheiden raken, in die zin dat [G] en [E] ergens anders (begeleid) gaan wonen. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [F] (die meerderjarig is) al vaak bij haar vriend verblijft en niet thuis is, ook om te voorkomen dat er meer meldingen over haar binnenkomen. [onderbewindgestelde] zal voor zichzelf ook een andere verblijfplaats moeten regelen, bijvoorbeeld in de vorm van kamerhuur. Gesteld noch gebleken is dat dit niet mogelijk is. Dat de kinderen van [onderbewindgestelde] van haar gescheiden zullen raken, laat onverlet dat de kinderen hun moeder op een andere manier en op een andere locatie kunnen zien en invulling kunnen blijven geven aan hun familieleven. De belangen van de kinderen van [onderbewindgestelde] wegen weliswaar zwaar in het kader van het beroep op de tenzij-bepaling[9] , maar wegen in dit geval niet op tegen het belang van Woonin om haar andere huurders het rustig en veilig woongenot te verschaffen. Dit geldt temeer nu de kinderen zelf ook overlastveroorzakers zijn.
3.16. Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat Woonin tijdens de mondelinge behandeling heeft gezegd dat zij opvang zoekt voor de minderjarige kinderen als ten tijde van de ontruiming nog geen opvangplek voor hen is geregeld. Dakloosheid voor de minderjarige kinderen is hiermee (voldoende) uitgesloten.
Onvoldoende spoedeisend belang - De vordering van Woonin wordt afgewezen
3.17. Woonin heeft ervoor gekozen om deze zaak alleen in kort geding voor te leggen. Zoals onder 3.2. staat, moet Woonin een spoedeisend belang hebben wil de kantonrechter de ontruimingsvordering kunnen toewijzen. De kantonrechter is van oordeel dat Woonin onvoldoende spoedeisend belang heeft om met een voorlopige voorziening in deze zaak vooruit te lopen op het oordeel van de rechter in een eventuele bodemprocedure. De vordering van Woonin wordt daarom toch afgewezen. Hieronder wordt dit uitgelegd.
3.18. Sinds september 2025 lijken [onderbewindgestelde] en haar gezin geen overlast meer te veroorzaken, althans uit de overgelegde meldingen blijkt het tegendeel niet. Tussen augustus 2025 en december 2025 zijn ook geen structurele overlastmeldingen bij Woonin of de politie binnengekomen over [onderbewindgestelde] en haar gezin. Verder zitten in het dossier, naast individuele meldingen over [onderbewindgestelde] en haar gezin, weliswaar veel meldingen over een groep waar de kinderen van [onderbewindgestelde] deel van uitmaken, maar er zitten ook veel meldingen in over een groep jongeren waarvan niet kan worden vastgesteld dat de kinderen van [onderbewindgestelde] daar toen onderdeel van waren.
3.19. De meldingen uit december 2025 gaan voornamelijk over een vergeldingsactie van een groep jongeren op [E] . [E] heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat die reactie niet direct op hem gericht was maar op een andere jongen met wie hij optrekt. Dit heeft Woonin niet weersproken. De kantonrechter begrijpt dat de aanval van de groep jongeren op [E] , een grote impact heeft op de buurtbewoners en voor gevoelens van onrust en onveiligheid heeft gezorgd. Woonin moet maatregelen kunnen treffen om de rust en veiligheid van haar huurders te waarborgen, door bijvoorbeeld de huurovereenkomst met een huurder die door zijn handelen vergeldingsacties over zichzelf blijft afroepen waardoor het woongenot van andere huurders wordt aangetast, te kunnen ontbinden en de woning van deze huurder te ontruimen. Maar niet is gesteld dan wel gebleken, dat ná dit aantrekken van overlast in december 2025 meer van dit soort incidenten/vergeldingsacties zijn geweest (gericht op de persoon van [E] ). Noch is gesteld dan wel gebleken dat er een reële dreiging is van zo'n op de persoon van [E] gericht (vergeldings)actie.
3.20. Gelet op het voormelde kan de kantonrechter dan ook niet onderschrijven, dat er nú een spoedeisend belang is om [onderbewindgestelde] en haar kinderen te ontruimen. Woonin heeft onvoldoende gemotiveerd en/of onderbouwd waarom zij/de omwonenden de periode tot en met 13 augustus 2026, de datum waarop de huurovereenkomst eindigt, althans een bodemprocedure niet kunnen afwachten. Vanwege het ontbreken van het spoedeisend belang, wordt de gevorderde ontruiming afgewezen. Dit neemt overigens niet weg dat als zich nieuwe incidenten en/of ernstige overlast voordoen, Woonin opnieuw naar de rechter kan stappen.
3.21. Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat, gelet op wat er in 3.4. tot en met 3.16. staat, [gedaagde] / [onderbewindgestelde] er serieus rekening mee moet houden dat [onderbewindgestelde] en haar kinderen de woning medio augustus 2026 moeten verlaten. Raadzaam is dan ook om nu al te starten met het regelen van alternatieve huisvesting/opvang.
Woonin moet de proceskosten betalen
3.22. Woonin is in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de kosten veroordeeld. Dit betekent dat zij haar eigen proceskoten moet dragen en de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde] aan haar moet betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
Uitvoerbaar bij voorraad
3.23. De kantonrechter verklaart deze uitspraak wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4 De beslissing
De kantonrechter als voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding:
4.1. wijst de vorderingen van Woonin af,
4.2. veroordeelt Woonin in de kosten; zij moet de proceskosten van [gedaagde] van € 1.009,00 aan haar betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Woonin niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2026.[10]
Het Vierde Huis is sinds 1 januari 2025 de afdeling Woondiensten binnen WoningNet.
Zoals bedoeld in de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 7 maart 2024 (ECLI:NL:HR:2014:525).
Zie artikel 254 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Zoals bedoeld in artikel 7:271 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Idem.
Hoge Raad 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1799.
Productie 4 bij dagvaarding.
Productie 9 van Woonin.
Zoals bedoeld in artikel 6:265 lid 1 BW.
61312 - - - ## Voetnoten