Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:1055 - Rechtbank Midden-Nederland - 11 maart 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2026:1055•11 maart 2026
Uitspraak inhoud
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6088
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. E.J. Joosten),
en
de Dienst Toeslagen,
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
De conclusie is dat eiser geen gelijk krijgt en het beroep ongegrond is. De reden daarvoor is dat eiser geen schade heeft geleden over de jaren 2008 en 2009, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde gesteld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wht. De rechtbank heeft begrip voor de uitleg van eiser dat hij en zijn partner vanaf december 2008 veel stress hebben gehad van de hele situatie en dat het lang heeft geduurd voordat de Dienst in 2015 alsnog de definitieve beschikking heeft vastgesteld. De rechtbank ziet in het bedrag dat uiteindelijk over 2008 is toegekend, te weten € 15.127,-, dat er geen schade is geleden, omdat voldoende uren zijn vergoed. Met betrekking tot het jaar 2009 is de rechtbank van oordeel dat eiser evenmin schade heeft geleden die voldoet aan de hiervoor genoemde bepaling van de Wht, omdat eiser zelf de toeslag over 2009 heeft gestopt. Dat die beslissing ook gevolgen heeft gehad voor eiser en zijn partner in de periode na de stopzetting valt niet onder deze regeling. Met een verzoek om aanvullende compensatie kan eiser zich wenden tot de Commissie Werkelijke Schade. Hierna zal de rechtbank deze beslissing uitleggen.
Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de definitieve vaststelling van de compensatie kinderopvangtoeslag op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
1.1. Met het besluit van 27 januari 2023 (het primaire besluit) heeft de Dienst Toeslagen (hierna: de Dienst) het verzoek van eiser om compensatie voor de jaren 2008 en 2009 afgewezen.
1.2. Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Met het besluit van
15 september 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst heeft een verweerschrift ingediend.
1.4. De rechtbank heeft het beroep van eiser op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn vrouw, namens eiser de gemachtigde van eiser en mr. N. Kok en namens de Dienst zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
De hersteloperatie toeslagen
- Vanwege de zogenoemde toeslagenaffaire zijn verschillende herstelregelingen tot stand gekomen om gedupeerde ouders te compenseren voor fouten die zijn gemaakt bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag. De compensatie en tegemoetkoming worden door de Dienst toegekend. Het herstelproces wordt uitgevoerd door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT), namens de Dienst.
2.1. De procedure bij de herstelregelingen houdt in dat een gedupeerde ouder zich meldt bij de UHT. Na de aanmelding doet de UHT de eerste (lichte) toets. In deze eerste toets wordt beoordeeld of iemand recht heeft op de € 30.000, - van de Catshuisregeling. Daarbij wordt bekeken of iemand aan de voorwaarden voor kinderopvangtoeslag voldoet en of diegene ooit onterecht kinderopvangtoeslag moest terugbetalen of dat de kinderopvangtoeslag onterecht is stopgezet.
2.2. Na deze eerste toets kan in de integrale beoordeling worden bekeken of iemand recht heeft op een vergoeding op basis van de Compensatieregeling. Een toegekende vergoeding op basis van de Catshuisregeling hoeft daarbij in ieder geval niet te worden terugbetaald. Als ouders vinden dat hun schade met de uitkomst van de integrale beoordeling niet volledig is vergoed, dan kunnen zij nog een verzoek om aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade doen.
Totstandkoming van het besluit
- Eiser heeft zich op 15 januari 2021 gemeld bij de Dienst voor een herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag op grond van de Wht over de jaren 2008 en 2009.
- De Dienst heeft vervolgens de lichte toets uitgevoerd en op 8 mei 2021 bepaald dat eiser, op basis van de lichte toets, in aanmerking komt voor de betaling van
€ 30.000,-.
- Met het primaire besluit heeft de Dienst het verzoek van eiser om compensatie voor de jaren 2008 en 2009 afgewezen. De Dienst heeft aan dit besluit het advies van de onafhankelijke Commissie van Wijzen (CvW) ten grondslag gelegd.
- Voor het jaar 2008 is de kinderopvangtoeslag op 26 september 2009 op nihil gesteld. Na bezwaar is de nihilstelling hersteld en is alsnog kinderopvangtoeslag toegekend voor de maanden februari tot en met december 2008. De CvW is van oordeel dat de hardheidsregeling in beginsel van toepassing is voor de over januari 2008 geweigerde kinderopvangtoeslag. De Dienst volgt dit advies niet en past geen compensatieregeling toe omdat over de maanden februari tot en met december 2008 al kinderopvangtoeslag is toegekend voor meer uren (2530 uur) dan eiser in het gehele jaar 2008 heeft afgenomen en eiser daarom uiteindelijk geen schade heeft geleden. Daarbij betrekt de Dienst dat eiser over de periode van januari 2008 tot en met november 2008 2275 uren heeft opgegeven aan afgenomen uren. De Dienst stelt dat niet aannemelijk is dat eiser in december voor meer dan 255 uren kinderopvang heeft afgenomen. Voor het jaar 2009 heeft eiser de kinderopvangtoeslag op 4 februari 2009 stopgezet met ingang van 1 januari 2009. Het voor 2009 toegekende voorschot is daarom volgens de CvW terecht op nihil gesteld. Voor toepassing van een compensatieregeling is voor het jaar 2009 geen aanleiding.
- Met het bestreden besluit heeft de Dienst het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De Dienst heeft aan dit besluit gedeeltelijk het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie (BAC) ten grondslag gelegd. De kinderopvangtoeslag over het jaar 2008 is volgens de BAC te laag vastgesteld, omdat de BAC uitgaat van een tekort aan vergoede uren over januari èn december 2008. De kinderopvangtoeslag is volgens de Dienst echter niet te laag vastgesteld, omdat de uren over januari 2008 wel zijn vergoed en het totaal aantal uren dat is vergoed meer is dan de afgenomen uren, inclusief de geschatte uren over december 2008. Eiser heeft daardoor geen schade geleden en wordt om die reden niet gecompenseerd op grond van de hardheidsregeling. De BAC acht het wel voldoende aannemelijk dat de kinderopvangtoeslag per 1 januari 2009 is gestopt en dat er over 2009 geen recht was op kinderopvangtoeslag omdat er geen kinderopvang is afgenomen in dat jaar.
Heeft eiser procesbelang?
- Eiser verzoekt om een compensatiebedrag dat lager is dan de door hem ontvangen € 30.000, - van de Catshuisregeling. Daarom heeft de rechtbank op zitting vragen gesteld aan eiser over zijn procesbelang. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat het belang voor hem is gelegen in aanvullende regelingen (Commissie Werkelijke Schade) waarbij de hoogte van de compensatie van de kinderopvangtoeslag een grote rol speelt. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat eiser belang heeft bij een inhoudelijke behandeling van zijn beroep.
Wat is het toetsingskader?
- Het uitgangspunt van de hersteloperatie is dat gedupeerde ouders alsnog ontvangen wat ten onrechte is teruggevorderd of onthouden, aangevuld met een vergoeding voor materiële en immateriële schade.
9.1. In artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wht, staat dat de Dienst op aanvraag compensatie toekent aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing van het wettelijke systeem voor 23 oktober 2019.
9.2. Om voor compensatie in aanmerking te komen moet dus in ieder geval sprake zijn van schade die eiser daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van de institutionele vooringenomenheid of van de hardheid die heeft geleid tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening.[1]
Het standpunt van eiser
- Eiser stelt zich op het standpunt dat hij recht heeft op compensatie over het jaar 2008 op grond van hardheid van het stelsel. Eiser verwijst naar het advies van de BAC waarin staat dat het ontbreken voor de VOG voor januari 2008 niet aan eiser mag worden toegerekend en dat hij schade heeft geleden doordat hem geen kinderopvangtoeslag voor januari 2008 is toegekend. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat voor toeslagjaar 2008 sprake is van institutioneel vooringenomen handelen ingevolge de Wht door de Dienst. De Dienst heeft de betalingen van kinderopvangtoeslag volgens eiser opgeschort/'geblokkeerd' vanaf december 2008 vanwege een fraudeonderzoek naar het gastouderbureau waar hij gebruik van maakte. Hiervan is eiser de dupe geworden. Op de zitting is door de gemachtigde van eiser toegelicht dat de vooringenomenheid zou blijken uit de brieven die aan eiser zijn gestuurd voorafgaande aan de nihilstelling. De eerste brief die is gestuurd met het verzoek om informatie zit niet in het dossier. Het is dus onduidelijk om welke informatie is verzocht. Eiser heeft na deze eerste brief stukken overgelegd. In de tweede brief staat dat er onvoldoende informatie is overgelegd door eiser. Daarna is besloten om de beschikking op nihil te stellen. Gelet hierop zou sprake zijn van vooringenomenheid.
Eiser stelt zich verder op het standpunt dat hij ook recht heeft op compensatie over het jaar 2009 en dat hij de kinderopvangtoeslag over dat jaar niet zelf heeft stopgezet. Hij stelt dat de Dienst de kinderopvangtoeslag heeft stopgezet (vanwege het fraudeonderzoek). Op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij de kinderopvangtoeslag onder druk heeft stop moeten zetten. Eiser onderbouwt zijn standpunt, dat hij de kinderopvangtoeslag niet stop wilde zetten, met de verwijzing naar een brief van 13 april 2009 waarin hij verzoekt om de blokkade van de gelden op te heffen.
Het standpunt van de Dienst
- De Dienst volgt eiser niet in zijn standpunt dat sprake is van institutioneel vooringenomen handelen. Voordat de Dienst in de situatie van de ouder overging tot nihilstelling, is namelijk een uitvraag gedaan, op 8 december 2008 en 27 maart 2009. Hierop heeft ouder gereageerd met toezending van stukken, op 16 december 2008 en 1 april 2009. De Dienst is dus pas tot nihilstelling overgegaan nadat er tweemaal uitvraag was gedaan bij eiser. Van institutioneel vooringenomen handelen door de Dienst is geen sprake omdat in de situatie van eiser regulier onderzoek is gedaan. Er is juist geen stopzetting van de kinderopvangtoeslag zonder dat er voorafgaand onderzoek is verricht. De Dienst volgt eiser evenmin in zijn standpunt dat sprake is van hardheid. De Dienst meent dat er is beschikt voor heel 2008 en dat dit ook is uitbetaald. De gemachtigde van de Dienst heeft dit nader toegelicht op de zitting aan de hand van een overzicht over het jaar 2008. De Dienst concludeert dat bij de lichte toets geoordeeld is dat eiser onder de regeling valt, maar dat na de integrale beoordeling de conclusie is getrokken dat dat niet het geval is, omdat hij geen schade heeft geleden omdat de kinderopvangtoeslag over heel 2008 is uitbetaald en niet is teruggevorderd. Er wordt dus niet voldaan aan de voorwaarden van de regeling als bedoeld in artikel 2.1 Wht.
Voor het jaar 2009 stelt de Dienst zich op het standpunt dat eiser zelf de kinderopvangtoeslag heeft stopgezet op 4 februari 2009 en verwijst daarbij naar de stukken in het dossier. Nergens blijkt volgens de Dienst uit dat eiser dit onder druk stop heeft moeten zetten.
Het oordeel van de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt of de Dienst terecht het verzoek van eiser om compensatie voor de jaren 2008 en 2009 heeft afgewezen.
Toeslagjaar 2008
- Op 7 maart 2008 is er kinderopvangtoeslag toegekend per 1 januari 2008. De voorschotbeschikking is vastgesteld op € 15.308,-. Dit bedrag is uitgekeerd. Op
26 september 2009 is het voorschot kinderopvangtoeslag 2008 gewijzigd en op nihil gesteld. Eiser heeft naar aanleiding daarvan een bedrag van € 1.276, - terugbetaald, dat is door de Dienst bevestigd op 2 oktober 2009. Naar aanleiding van het ingediende bezwaar van eiser is op 2 juli 2010 het voorschot kinderopvangtoeslag opnieuw gewijzigd en vastgesteld op
€ 14.032, - voor de maanden februari tot en met december 2008. Op 4 augustus 2015 is over het jaar 2008 de kinderopvangtoeslag van eiser definitief berekend en vastgesteld op
€ 15.127,-[2] . Aan eiser is nog een nabetaling van € 1.294, - gedaan. De rechtbank concludeert dat met deze bedragen, corresponderend met 2530 uren, aan eiser over heel 2008 kinderopvangtoeslag is toegekend. De rechtbank neemt daarbij in ogenschouw dat eiser zelf een urenstaat van 2275 uren over de maanden januari tot en met november 2008 heeft opgegeven. Dit is gemiddeld 207 uur per maand. Over december 2008 is geen urenstaat door eiser verstrekt. Omdat er 2530 uren zijn toegekend is er nog ruimte van 255 uur voor de maand december. Dat is 30 dagen à 8 uur per dag. Eiser heeft betwist dat dit voldoende is. Hij heeft hiervan echter geen onderbouwing gegeven. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat eiser meer dan 255 uren over december 2008 heeft afgenomen, gelet op de urenopgave over de andere maanden van 2008.
13.1. Gelet op het voorgaande is de conclusie dat eiser geen schade heeft geleden over het jaar 2008. De rechtbank heeft begrip voor de uitleg van eiser dat hij en zijn partner vanaf december 2008 veel stress hebben gehad van de hele situatie en dat het lang heeft geduurd voordat de Dienst in 2015 alsnog de definitieve beschikking heeft vastgesteld. De rechtbank ziet in het bedrag dat uiteindelijk is toegekend, te weten € 15.127,-, dat er geen schade is geleden, omdat voldoende uren zijn vergoed. Eiser voldoet niet aan de eis dat schade is geleden als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder b, van de Wht. De beroepsgrond slaagt niet.
Toeslagjaar 2009
- Eiser heeft in eerste instantie bestreden dat hij de kinderopvangtoeslag zelf heeft stopgezet. De rechtbank vindt die stelling niet aannemelijk op grond van de in het dossier beschikbare informatie en de toelichting die eiser op zitting heeft gegeven. De Dienst heeft een print overgelegd van eisers DigiD waaruit blijkt dat eiser zelf op 4 februari 2009 heeft ingelogd en de kinderopvangtoeslag met ingang van 1 januari 2009 heeft stopgezet. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat hij dit onder druk van de Dienst heeft moeten doen. Daarvoor zijn geen aanwijzingen te vinden. De Dienst stelt dan ook terecht dat de terugvordering het gevolg is van reguliere wijzigingen die door eiser zelf zijn doorgegeven. Door eiser is verder niet onderbouwd dat hij daarna de toeslag weer wilde laten herleven. De brief van 13 april 2009, waar eiser naar verwijst, is niet overgelegd. Op de zitting heeft eiser hierover geen opheldering kunnen verschaffen. De systematiek van de toeslagen werkt nu eenmaal met voorschotten en herziene berekeningen als gevolg van wijzigingen. Aan het slot ontvangt een aanvrager een definitieve berekening. Dit kan een terugvordering of een nabetaling met zich meebrengen. Ook vindt de rechtbank hierbij van belang dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 7 april 2015 waarin het recht op kinderopvangtoeslag over 2009 definitief is vastgesteld.
14.1. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser evenmin schade heeft geleden over het jaar 2009. Dat eiser zelf de toeslag heeft gestopt en dat die beslissing ook gevolgen heeft gehad voor eiser en zijn partner in de periode daarna valt niet onder de voorwaarde als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wht. De beroepsgrond slaagt niet.
- De rechtbank komt tot het oordeel dat eiser over jaren 2008 en 2009 geen schade heeft geleden. De rechtbank komt om die reden niet toe aan de vraag of sprake is van vooringenomenheid of hardheid. Het beroep is ongegrond.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. Van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A. Barmentlo, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
11 maart 2026.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit staat in Kamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3, p.72.
Productie 5.20. - - - ## Voetnoten