Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:1016 - Rechtbank Midden-Nederland - 12 februari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:101612 februari 2026

Uitspraak inhoud

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/592332 / FA RK 25-764
Beschikking van 12 februari 2026
in de zaak van:
[de moeder],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. J.F. van Drenth,
tegen
[de vader],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. M.P. Biesbroek.

1 Het verzoek tot verbetering

1.1. De advocaat van de vader heeft de rechtbank bij e-mailbericht van 28 november 2025 verzocht de beschikking van deze rechtbank van 26 november 2025 te verbeteren.
1.2. De rechtbank heeft de moeder in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek tot het geven van een herstelbeschikking. De advocaat van de moeder heeft per bericht van 15 december 2025 laten weten zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank.

2 Waar gaat het verzoek tot verbetering over?

2.1. Bij verzoekschrift heeft de moeder verzocht om te bepalen dat de vader met ingang van 1 januari 2023 een bedrag van € 335, - per maand zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Bij brief van 17 oktober 2025 heeft de moeder haar verzoek gewijzigd, in die zin dat zij – voor zover relevant – verzoekt te bepalen dat de vader met ingang van 1 november 2025 met een bedrag van € 179,08 per maand moet voldoen aan haar als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] .
2.2. In de beschikking van 26 november 2025 heeft de rechtbank bepaald dat de vader vanaf de datum van de beschikking een bedrag van € 189, - per maand moet betalen aan de moeder, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] .
2.3. De vader stelt dat dat de rechtbank een bijdrage van maximaal € 179,08 per maand had mogen vaststellen. De vader is daarom van mening dat de beschikking hersteld dan wel aangevuld moet worden.

3 De beoordeling

3.1. De rechtbank wijst het verzoek tot verbetering af. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
3.2. De rechter kan op verzoek van een partij of ambtshalve een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout in zijn beschikking verbeteren.[1] Van een kennelijke fout is sprake als voor partijen en anderen direct duidelijk is dat van een vergissing sprake is. Verder moet het gaan om een fout die eenvoudig te herstellen is.
3.3. Nog daargelaten of de rechtbank met het vaststellen van een bijdrage van € 189, - per maand buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, is het buiten de rechtsstrijd treden van partijen geen kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent in de zin van artikel 31 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 23 van de beschikking van het Gerechtshof Den Haag van 23 november 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:3967). De rechtbank zal het verzoek van de vader om die reden afwijzen.

4 De beslissing

De rechtbank:
4.1. wijst het verzoek om herstel af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. A.M.J. van der Weide, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. S. Clement, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.
Artikel 31 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering - - - ## Voetnoten
Artikel 31 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering