Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:1007 - Rechtbank Midden-Nederland - 4 maart 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:10074 maart 2026

Uitspraak inhoud

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/542
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 maart 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker,

en

de korpschef van Politie, de korpschef,

(gemachtigden: T. Gutierrez Rojo en mr. S. Maas).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Minister van Justitie en Veiligheid (de minister).

Inleiding

  1. Op 31 oktober 2025 is aan verzoeker een wapenverlof voor het voorhanden hebben van wapens en munitie verleend. Dit verlof was geldig tot en met 31 oktober 2025. Met het bestreden besluit van 16 januari 2026 heeft de korpschef het wapenverlof ingetrokken. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt bij de korpschef en heeft de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1. De korpschef heeft op 26 maart 2026 – op verzoek van de voorzieningenrechter – ontbrekende stukken aan het dossier toegevoegd. Op 3 maart 2026 heeft de korpschef een verweerschrift ingediend.
1.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van de korpschef.
1.3. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

  1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2.1. Bij een verzoek om een voorlopige voorziening tijdens de bezwaarfase beoordeelt de voorzieningenrechter of er in afwachting van de beslissing op bezwaar een voorlopige voorziening moet worden getroffen. Daarbij beoordeelt zij eerst of het verzoek spoedeisend is.[1] Als dat het geval is, geeft zij een voorlopige beoordeling van het besluit en weegt zij de belangen tegen elkaar af. Hoe groter de kans dat het besluit in stand kan blijven, hoe minder ruimte er bij de belangenafweging is voor de belangen van verzoeker.
Is er een spoedeisend belang?
  1. Verzoeker voert aan dat de intrekking voor hem onmiddellijke en ingrijpende gevolgen heeft. Hij kan namelijk geen gebruik meer maken van zijn eigen wapens. Ook is hij binnen de schietvereniging actief als instructeur. Voor verzoeker is de schietsport niet alleen een sportieve bezigheid, maar heeft het ook een belangrijke sociale functie. Ook kan verzoeker nu niet meer deelnemen aan trainingen, wedstrijden en verenigingsactiviteiten. Binnen de schietvereniging is het gebruik van eigen wapens de norm. Het intrekken van het verlof zal voor hem leiden tot sociale en reputatiegevolgen.
  1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het feit dat verzoeker de schietsport niet kan beoefenen met zijn eigen wapens geen spoedeisend belang is gelegen. Uit het dossier en de toelichting van verzoeker op zitting is gebleken dat de KNSA de schuttersstatus van verzoeker heeft hersteld en dat de schietvereniging de schorsing en het lidmaatschap heeft hersteld. Verzoeker is weer welkom op de schietvereniging, kan daar schieten met wapens van de vereniging en kan weer instructie geven. De rechtbank begrijpt dat het voor verzoeker fijner is om met zijn eigen wapens te schieten omdat hij dan beter kan richten en dat het voor verzoeker jammer is dat hij niet met wedstrijden kan meedoen, maar verzoeker kan zijn (sociale) activiteiten bij de schietvereniging weer deels uitoefenen. Dat verzoeker niet met zijn eigen wapens kan schieten en niet kan deelnemen aan wedstrijden is geen belang van dien aard, dat daar een zwaar gewicht aan toegekend moet worden en bovendien is niet gebleken van een situatie die onomkeerbaar dreigt te worden. Van verzoeker kan daarom worden verwacht dat hij de bezwaarprocedure afwacht, die ongeveer nog 22 weken duurt.
Is het besluit evident onrechtmatig?
  1. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door de korpschef ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. Daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake. Uit het besluit volgt dat verzoeker zich niet heeft gehouden aan de voorschriften die onder meer inhouden dat wapens en munitie separaat van elkaar in een afzonderlijke deugdelijke bergplaats worden opgeslagen. Verzoeker heeft dat ook niet bestreden, maar vindt dat het overtreden van die voorschriften een lichte onregelmatigheid betreft en dat het intrekken van het wapenverlof een te vergaande maatregel is.
5.1. Vast staat dat verzoeker de opbergvoorschriften heeft overtreden omdat verzoeker de munitie niet afzonderlijk van zijn wapens in een kluisruimte heeft bewaard.[2] De korpschef voert een restrictief beleid en geringe twijfel aan de betrouwbaarheid is al voldoende om een wapenverlof in te trekken.[3] De voorzieningenrechter ziet gelet op het voorgaande daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit evident onrechtmatig is. Het standpunt van verzoeker dat de intrekking van het wapenverlof een te zware maatregel is omdat sprake is geweest van een lichte onregelmatigheid, kan verzoeker naar voren brengen in de bezwaarprocedure en is geen reden voor de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening toe te wijzen.

Conclusie en gevolgen

  1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de intrekking van het wapenverlof vooralsnog in stand blijft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
  1. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026 door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 6 van de Wet wapens en munitie, artikel 43c, eerste en derde lid, van de Regeling wapens en munitie en paragraaf B/8 van de Circulaire wapens en munitie 2019.
Artikel 7, tweede lid, onder e, van de Wet wapens en munitie jo. B1/1.2. van de Circulaire wapens en munitie 2019. - - - ## Voetnoten
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 6 van de Wet wapens en munitie, artikel 43c, eerste en derde lid, van de Regeling wapens en munitie en paragraaf B/8 van de Circulaire wapens en munitie 2019.
Artikel 7, tweede lid, onder e, van de Wet wapens en munitie jo. B1/1.2. van de Circulaire wapens en munitie 2019.