Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:7748 - Rechtbank Midden-Nederland - 12 december 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2025:774812 december 2025

Uitspraak inhoud

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/2154, UTR 25/3447 en UTR 25/3362

[eiser 1] , uit [woonplaats] , eiser 1,

[eiseres 1], uit [woonplaats] , eiseres 1,
Stichting SOLGU, statutair gevestigd in Utrecht, eiseres 2,
[eiseres 3], uit [woonplaats] , eiseres 3,
(gemachtigde van eiseres 1, 2 en 3: [eiser 1] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, het college,
(gemachtigden: D. Rietberg en R. Ditewig).

Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het verkeersbesluit dat gaat over de opheffing van vier gehandicaptenparkeerplaatsen.
1.1. Het college heeft bij besluit van 11 april 2023, gepubliceerd in het Gemeenteblad van 14 april 2023[1] besloten om met ingang van 15 april 2023 bij de Mariaplaats[2] vier gehandicaptenparkeerplaatsen op te heffen.
1.2. Eiser 1, eiseres 1 en eiseres 2 hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
1.3. Het college heeft bij bestreden besluit van 11 februari 2025 het bezwaar van eiseres 3 niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij geen belanghebbende is. Het college heeft de bezwaren van eiser 1, eiseres 1 en eiseres 2 ongegrond verklaard.
1.4. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
1.5. De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en de gemachtigden van het college.
1.6. Na sluiting van het onderzoek heeft eiser 1 met toestemming van partijen namens Stichting SOLGU stukken ingediend.

Beoordeling door de rechtbank

Is eiseres 3 belanghebbende?
  1. Op grond van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Alleen degene die een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft, kan als belanghebbende worden aangemerkt. Voor verkeersbesluiten betekent dit dat alleen diegenen belanghebbende zijn die een bijzonder, individueel belang hebben bij dat besluit, dat zich in voldoende mate onderscheidt van de belangen van andere weggebruikers of bewoners.[3]
  1. Eiseres 3 stelt dat het college haar bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij stelt dat zij wel belanghebbende is bij het besluit, omdat zij als houder van een gehandicaptenparkeerkaart wordt geraakt door het besluit. Als de parkeerplaatsen worden opgeheven, kan zij niet meer dicht bij de winkels parkeren.
  1. De rechtbank is van oordeel dat eiseres 3 geen belanghebbende is bij het verkeersbesluit. Eiseres 3 is weliswaar houder van een gehandicaptenparkeerkaart, maar dat maakt nog niet dat zij een belanghebbende is bij verkeersbesluiten betreffende de aanwijzing of opheffing van algemene gehandicaptenparkeerplaatsen in de gemeente Utrecht. Eiseres 3 heeft geen bijzonder, individueel belang bij het besluit, dat zich in voldoende mate onderscheidt van andere gebruikers van de gehandicaptenparkeerplaats. Zij woont niet in de buurt van de Mariaplaats. Haar belang verschilt niet van iedere andere potentiële gebruiker van de desbetreffende gehandicaptenparkeerplaats. Het college heeft eiseres 3 terecht niet-ontvankelijk verklaard in bezwaar. De rechtbank zal het beroep van eiseres 3 ongegrond verklaren.
Zijn eiser 1, eiseres 1 en eiseres 2 belanghebbenden?
  1. De rechtbank moet, voordat de beroepen van eiser 1, eiseres 1 en eiseres 2 inhoudelijk kunnen worden behandeld, eerst beoordelen of zij kunnen worden aangemerkt als belanghebbende bij het verkeersbesluit.
5.1. Uit het bestreden besluit volgt dat het college de bezwaarschriften van eiseres 1 en eiser 1 ontvankelijk heeft verklaard, omdat eiseres 1 en eiser 1 de organisaties U op leeftijd en Stichting SOLGU vertegenwoordigen en U op leeftijd en Stichting SOLGU als belanghebbende zijn aan te merken bij het bestreden besluit. Deze organisaties behartigen namelijk de belangen voor mensen met een lichamelijk beperking en/of chronische ziekte in de stad Utrecht. Het college heeft in de bezwaarfase niet de statuten van de stichtingen opgevraagd.
5.2. Het college heeft is er met het bestreden besluit ten onrechte vanuit gegaan dat eiser 1 en eiseres 1 belanghebbenden zijn. Voor hen geldt hetzelfde als voor eiseres 3: zij hebben geen bijzonder, individueel belang bij het besluit, dat zich in voldoende mate onderscheidt van andere gebruikers van de gehandicaptenparkeerplaats. Ook eiser 1 en eiseres 1 wonen niet in de buurt van de Mariaplaats en ook hun belangen verschillen dus niet van iedere andere potentiële gebruiker van de desbetreffende gehandicaptenparkeerplaats. Het college had de bezwaren van eiser 1 en eiseres 1 dus niet-ontvankelijk moeten verklaren. Omdat het college dat niet heeft gedaan, is het bestreden besluit gebrekkig op dit punt en zijn de beroepen van eiser 1 en eiseres 1 gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover eiser 1 en eiseres 1 niet niet-ontvankelijk zijn verklaard. Omdat duidelijk is wat de uitkomst moet zijn van de bezwaren van eiser 1 en eiseres 1, zal de rechtbank zelf een beslissing nemen en deze bezwaren niet-ontvankelijk verklaren. Het beroep van eiser 1 en eiseres 1 is dus gegrond, omdat het college in de bezwaarfase iets niet goed heeft gedaan, maar zij krijgen inhoudelijk geen gelijk. Wel moet het college het door eiser 1 betaalde griffierecht vergoeden.
5.3. Omdat eiseres 2 ook in beroep is gekomen tegen het bestreden besluit, zal de rechtbank beoordelen of zij belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb. Dat doet de rechtbank aan de hand van de statuten, die na de zitting in de procedure zijn gebracht. Op grond van artikel 1:2, derde lid, van de Awb geldt namelijk dat ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd worden de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. .
5.4. Uit de statuten van eiseres 2 volgt dat deze stichting (onder andere) het doel heeft om de belangen van mensen met een beperking te behartigen en om mensen met een beperking in staat te stellen op basis van hun eigen mogelijkheden optimaal deel te nemen aan de samenleving.[4] Het kunnen bereiken van de binnenstad raakt aan die belangen. De rechtbank is daarom van oordeel dat uit het belang van de stichting rechtstreeks is betrokken bij het besluit om vier gehandicaptenparkeerplaatsen op te heffen. Omdat het beroep van eiseres 2 ontvankelijk is, zal de rechtbank het beroep inhoudelijk beoordelen.
Heeft het college in redelijkheid het verkeersbesluit kunnen nemen?
  1. Volgens het college zorgen de gehandicaptenparkeerplaatsen bij de Mariaplaats al jaren voor klachten van omwonenden en ondernemers. De plekken trekken namelijk foutparkeerders aan, de stoep staat vol met auto's en er is sprake van laden en lossen op de stoep. De Mariaplaats is daarnaast een verbinding tussen Utrecht Centraal en het kernwinkelgebied en dat betekent dat het een drukke voetgangersroute is. Het college wil met het intrekken van de gehandicaptenparkeerplaatsen de door verkeer veroorzaakte overlast en hinder beperken[5] en de veiligheid op de weg en de weggebruikers en passagiers beschermen[6].
  1. Eiseres 2 stelt zich op het standpunt dat de belangenafweging en het doel van het verkeersbesluit onduidelijk is. Eiseres 2 vindt het laakbaar dat het college voorrang en voorkeur verleent aan andere belangen. Die belangen worden ook niet onderbouwd en zijn gebaseerd op verwachtingen. Eiseres 2 stelt zich samengevat op het standpunt dat de openbare ruimte in het licht van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap inclusief moet zijn voor iedereen. Daar is in het verkeersbesluit geen rekening mee gehouden. Tot slot stelt eiseres 2 dat het feit dat de parkeerplaatsen foutparkeerders aantrekt niet ter zake doet. Het foutparkeren wordt namelijk veroorzaakt omdat een witte omranding en kruismarkering ontbreekt. Eiseres 2 vindt dat het college handhavend moet optreden tegen de foutparkeerders.
  1. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het bestuursorgaan bij het nemen van een verkeersbesluit een ruime beoordelingsmarge toekomt. Verder geldt dat een bestuursorgaan niet de absolute noodzaak van een verkeersbesluit hoeft aan te tonen. Voldoende is dat met het verkeersbesluit de daaraan ten grondslag gelegde doelen worden gediend en dat het bestuursorgaan inzichtelijk maakt op welke wijze de betrokken belangen tegen elkaar zijn afgewogen. De rechter dient zich bij de beoordeling van een dergelijk besluit dan ook terughoudend op te stellen en te toetsen of het besluit niet strijdig is met wettelijke voorschriften, dan wel of de afweging van de betrokken belangen niet zodanig onevenwichtig is, dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.[7]
8.1. Het college vindt dat het verbeteren van de verkeersveiligheid en de overlast van geparkeerde auto's op de stoep zwaarder wegen dan de belangen van eiseres 2. Het college heeft in de bezwaarfase met verschillende partijen, waaronder eiseres 2, gesproken over het besluit en over alternatieve locaties. Het college geeft aan dat zij de impact van het intrekken van de parkeerplaatsen op de gehandicaptenkaarthouders begrijpt, maar het college heeft ook gekeken naar de voordelen van het besluit voor de bredere gemeenschap en of het besluit de belangen dient zoals die zijn voorgeschreven in de Wegenverkeerswet. Het college vindt het belang van de verkeersveiligheid maar ook het belang van een goede bereikbaarheid van de binnenstad zwaarder wegen. Daarbij gaat het om vier gehandicaptenparkeerplaatsen die worden ingetrokken, waarvoor 7,5 gehandicaptenparkeerplaatsen terugkomen. Deze plaatsen zijn minder dicht bij het winkelgebied achter de Mariaplaats, maar op sommige plekken juist dichter bij andere winkels. Ook heeft het college toegelicht dat de nieuwe gehandicaptenparkeerplaatsen voldoen aan de geldende normen en richtlijnen. De rechtbank is gelet op de motivering van het college van oordeel dat het college de bij het verkeersbesluit betrokken belangen zorgvuldig heeft afgewogen en in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot intrekking van de vier gehandicaptenparkeerplaatsen bij de Mariaplaats. De rechtbank zal daarom het beroep van eiseres 2 ongegrond verklaren.
Alternatieve locaties
  1. Eiseres 2 voert aan dat zij het niet eens is met het voornemen van het college om twee van de vier gehandicaptenparkeerplaatsen naar de hoek en het smalste deel van de Mariaplaats. Volgens haar is die locatie geen gelijkwaardig alternatief voor de op te heffen parkeerplaatsen.
  1. De rechtbank stelt voorop dat zij het besluit om vier gehandicaptenparkeerplaatsen op te heffen moet beoordelen, niet het voornemen van het college om op een andere plek op de Mariaplaats twee nieuwe gehandicaptenparkeerplaatsen aan te leggen. De rechtbank kan daar dus geen oordeel over geven. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
  1. De rechtbank merkt nog wel op dat het college op de zitting heeft toegezegd dat de vier parkeerplekken bij de Mariaplaats aanwezig blijven, totdat een oplossing is gevonden voor een alternatieve locatie. Ook hebben partijen aangegeven dat zij ten tijde van de zitting nog in overleg zijn met elkaar over een oplossing en dat het college ook als de rechtbank deze uitspraak doet, dit overleg laat doorgaan.

Conclusie en gevolgen

  1. De rechtbank komt tot de conclusie dat het college het bezwaar van eiseres 3 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep van eiseres 3 is daarom ongegrond. De beroepsgronden van eiseres 2 slagen niet. Haar beroep is dus ook ongegrond. Het college had het bezwaar van eiser 1 en eiseres 1 niet-ontvankelijk moeten verklaren en heeft dat ten onrechte niet gedaan. Het beroep van eiser 1 en eiseres 1 is daarom gegrond. Zij krijgen inhoudelijk echter geen gelijk, want de rechtbank vernietigt het bestreden besluit op dat punt en neemt zelf een beslissing op het bezwaar van eiser 1 en eiseres 1 door hun bezwaren niet-ontvankelijk te verklaren.
  1. Omdat het beroep van eiser 1 en eiseres 1 gegrond is, moet het college wel het griffierecht van € 194, - vergoeden. De rechtbank heeft voor de drie beroepen maar één keer griffierecht geheven, dat is voldaan door eiser 1. De college moet het bedrag van € 194, - dus aan eiser 1 vergoeden. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding, omdat niet is gebleken dat eiser 1 en eiseres 1 proceskosten hebben gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank: - verklaart het beroep van eiseres 2 en eiseres 3 ongegrond; - verklaart het beroep van eiser 1 en eiseres 1 gegrond; - vernietigt het bestreden besluit voor zover het college eiser 1 en eiseres 1 daarin niet niet-ontvankelijk heeft verklaard; - verklaart het bezwaar van eiser 1 en eiseres 1 niet-ontvankelijk; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 194, aan eiser 1 te vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Utrecht Gemeenteblad 2023, 165013.
Ter hoogte van huisnummers [nummeraanduiding 1] en [nummeraanduiding 2] nabij het Maria Majorplein , het wegvak tussen de Mariahoek en het Maria Majorplein .
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 10 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2310.
Zie artikel 3 van de Statuten inzake Solgu.
Artikel 2, tweede lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2, eerste lid, onder a en b, van de Wegenverkeerswet 1994.
Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ2650 en van 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4475. - - - ## Voetnoten
Utrecht Gemeenteblad 2023, 165013.
Ter hoogte van huisnummers [nummeraanduiding 1] en [nummeraanduiding 2] nabij het Maria Majorplein , het wegvak tussen de Mariahoek en het Maria Majorplein .
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 10 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2310.
Zie artikel 3 van de Statuten inzake Solgu.
Artikel 2, tweede lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2, eerste lid, onder a en b, van de Wegenverkeerswet 1994.
Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ2650 en van 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4475.