Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:7747 - Rechtbank Midden-Nederland - 13 november 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2025:774713 november 2025

Uitspraak inhoud

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2575

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. R.S. Pot),
en

de Minister van Justitie en Veiligheid, de minister,

(gemachtigde: mr. P.J. van der Woude en mr. R.P. Stehouwer).

Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn wapenverlof.
1.1. Eiser heeft op 1 maart 2024 een verlof gekregen tot het voorhanden hebben van (vuur)wapens en munitie, geldig tot en met 28 februari 2025. Dit verlof heeft hij gekregen voor het uitoefenen van de schietsport.
1.2. Op 9 oktober 2024 heeft de korpschef van de politie het verlof ingetrokken op grond van de Wet wapens en munitie.
1.3. Met het bestreden besluit van 7 maart 2025 heeft de minister het door eiser daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
1.4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
1.5. De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. [A] als waarnemer van eisers gemachtigde en de gemachtigden van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

  1. De rechtbank beoordeelt het besluit van de minister aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Waarom vindt de minister dat het wapenverlof van eiser ingetrokken moest worden?
  1. Volgens de minister zijn er aanwijzingen dat het onder zich hebben van wapens en munitie niet langer aan eiser kan worden toevertrouwd.[1] Dat komt omdat het vermoeden bestaat dat in het leven van eiser sprake is van grote onrust. De minister verwijst naar een mutatierapport dat de politie heeft opgemaakt. In dat rapport staat dat eiser op 5 augustus 2024 is aangehouden in verband met een conflict tussen hem en medewerkers van [onderneming] , waarbij eiser doodsbedreigingen zou hebben geuit. Op 29 augustus 2024 heeft eiser aangifte gedaan van vernieling van zijn auto door middel van zuur. Op 30 september 2024 heeft eiser wederom aangifte gedaan van vernieling van zijn auto, waarbij eiser een handbijl heeft gevonden. Eiser heeft de verdachte herkend op camerabeelden en heeft aangegeven dat zij al langere tijd een conflict hebben. De minister acht deze feiten en omstandigheden voldoende om geringe twijfel aan te nemen dat het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer aan eiser kan worden toevertrouwd. De minister heeft in dit geval geen aanleiding gezien om een minder ingrijpende maatregel op te leggen. Ook valt de belangenafweging volgens de minister niet in het voordeel van eiser uit.
Is er sprake van geringe twijfel of aan eiser wapens en munitie kan worden toevertrouwd?
  1. Eiser stelt dat er geen daadwerkelijke grondslag is voor het besluit, dat de beslissing eenzijdig tot stand is gekomen, en dat sprake is van een selffulfilling prophecy. Eiser stelt dat tijdens het incident met [onderneming] geen sprake is geweest van doodsbedreigingen. Het incident staat ook op video. De gemoederen liepen wel wat op, maar dat is volgens eiser niet gek, want de firma kwam onaangekondigd zijn laadpaal weghalen en kon ook niet aantonen dat zij dit mochten doen. De politie heeft geen oog gehad voor eisers situatie en het kader. Ten aanzien van de geringe twijfel stelt eiser dat de aangifte tegen hem niet correct is, dan wel uit verband is getrokken en deze wordt ook niet nader onderzocht door de politie. Er was geen sprake van doodsbedreigingen, dat blijkt ook uit videobeelden van het incident. Maar deze aangifte wordt nu wel gebruikt als stok mee te slaan. Eiser stelt dat er geen sprake is van objectieve twijfel. Volgens eiser zijn er geen spanningen.
  1. Op grond van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet wapens en munitie (Wwm), kan het in de Wwm genoemde wapenverlof door het bestuursorgaan dat deze heeft verleend of door de minister worden gewijzigd of ingetrokken, indien er aanwijzingen zijn dat aan de houder daarvan het onder zich hebben van wapens en munitie niet langer kan worden toevertrouwd. Gelet op de bewoordingen van de wettekst, is sprake van een discretionaire bevoegdheid van de korpschef. De rechtbank toetst of de minister, onder afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om het wapenverlof in te trekken. Aan de korpschef komt verder beoordelingsruimte toe bij de beantwoording van de vraag of sprake is van aanwijzingen dat aan de houder van een wapenverlof het onder zich hebben van wapens en munitie niet langer kan worden toevertrouwd. De rechtbank toetst of de minister zich op het standpunt mocht stellen dat hier sprake van is in het geval van eiser.
5.1. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat iemand die een wapenverlof heeft zich in een uitzonderingspositie bevindt ten opzichte van andere burgers, voor wie het algemeen verbod op het voorhanden hebben van wapens en munitie geldt.[2] Als er ook geringe twijfel is dat het niet verantwoord is om deze uitzondering te maken, is er voldoende grond om het wapenverlof in te trekken. Deze twijfel moet wel objectief toetsbaar zijn. Voor die toetsing heeft de minister beleid vastgesteld omtrent redenen om te vrezen dat van het wapenverlof misbruik zal worden gemaakt. Dit beleid is neergelegd in de Circulaire wapens en munitie 2019 (Cwm 2019).
5.2. De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft kunnen concluderen dat er geringe twijfel is of aan eiser wapens en munitie kunnen worden toevertrouwd. De rechtbank stelt allereerst vast dat de videobeelden van het incident, waar volgens eiser uit blijkt dat geen sprake is van een doodsbedreiging, niet in het dossier zitten. Maar ook als eiser geen doodsbedreiging zou hebben geuit, is voldoende aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een conflictsituatie waarin eiser zich niet de-escalerend heeft opgesteld. De rechtbank leidt uit het mutatierapport van de politie van 5 augustus 2024 af dat eiser een zwaaiende beweging richting een van de medewerkers heeft gemaakt met een tang in zijn handen. Eiser heeft daarnaast gereedschap van de medewerkers in zijn huis gelegd. Volgens eiser heeft hij daarmee geprobeerd de medewerkers van [onderneming] tegen te houden, omdat zij op onrechtmatige wijze zijn laadpaal wilden weghalen. Volgens eiser is het je recht om op die manier je eigendommen te verdedigen als iemand onbevoegd op je terrein komt. De rechtbank denkt daar anders over. Eiser kon en had er voor moeten kiezen om naar binnen te gaan en direct contact op te nemen met de politie en de komst van de politie af te wachten. Dat heeft hij niet gedaan. Eiser is zelfs meegenomen door de politie, omdat eiser niet mee wilde werken. De rechtbank vindt dat de manier waarop eiser heeft gehandeld niet de manier is hoe iemand met een wapenverlof die in een uitzonderingspositie verkeerd dient te handelen en dat dit alleen al voldoende is voor geringe twijfel. De minister heeft kunnen tegenwerpen dat uit eisers gedrag ten opzichte van de medewerkers van [onderneming] volgt dat het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie hem niet langer kan worden toevertrouwd.[3]
5.3. De rechtbank stelt verder vast dat uit het mutatierapport van 29 augustus 2024 volgt dat eiser aangifte heeft gedaan, omdat iemand zuur over eisers auto heeft gegooid en een koplamp en achterlicht heeft beschadigd. Uit het mutatierapport van 13 oktober 2024 volgt dat eiser aangifte heeft gedaan, omdat eisers auto met een handbijl is vernield. Ook volgt hieruit dat er al langere tijd een conflict speelt over een gehuurde autogarage en dat de partner van eiser naar slachtofferhulp gaat omdat zij angstig is. De rechtbank vindt dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een stressvolle werk - of privésituatie die maakt dat het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie eiser niet langer kan worden toevertrouwd.[4] Dat eiser mogelijk niet de aanstichter is in deze situatie betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat er geen geringe twijfel kan zijn. Bij de beoordeling of aan iemand een wapen kan worden toevertrouwd wordt niet alleen rekening gehouden met omstandigheden die iemand zelf in de hand heeft, maar ook met omstandigheden waar iemand misschien niets aan kan doen, maar waarin diegene zich bevindt. Dat komt omdat ook omstandigheden waar iemand niets aan kan doen invloed kunnen hebben op de grootte van het risico dat het wapen in een onwenselijke situatie wordt gebruikt.
5.4. De rechtbank vindt dat de minister op basis van bovenstaande omstandigheden tot de conclusie heeft kunnen komen dat er geringe twijfel is of aan eiser wapens en munitie kunnen worden toevertrouwd. Dat betekent dat de minsister op grond van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wwm de bevoegdheid had om het wapenverlof van eiser in te trekken. Hierna beoordeelt de rechtbank of de minister, onder afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om het wapenverlof in te trekken.
Had de minister de belangenafweging in het voordeel van eiser moeten laten uitvallen?
  1. Eiser stelt dat het niet redelijk is dat de minister gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om het wapenverlof in te trekken en dat de minister de belangenafweging in zijn voordeel had moeten laten uitvallen. Volgens eiser had de minister in zijn geval moeten kiezen voor een minder ingrijpende maatregel dan het intrekken van zijn wapenverlof. De minister had er bijvoorbeeld voor kunnen kiezen om een waarschuwing te geven, of had als voorwaarde kunnen stellen dat eiser zijn wapens alleen op de vereniging mag gebruiken. Eiser voert verder aan dat het hebben van een eigen wapen een voorwaarde is om zijn hobby op een goede manier uit te kunnen oefenen. Een wapen gaat naar de hand van de gebruiker staan en ook heeft ieder wapen zijn eigen eigenschappen. Het is daarom niet realistisch om met een ander wapen aan een competitie mee te doen. Eiser vindt dat er ook afspraken met de vereniging hadden kunnen worden gemaakt over het wapenverlof. Ook vindt eiser dat hij juist heeft gehandeld en er alles aan heeft gedaan om binnen de lijnen te blijven.
  1. De minister heeft op zitting en in het verweerschrift toegelicht dat een waarschuwing enkel wordt toegepast indien sprake is van lichte onregelmatigheden, bijvoorbeeld in het geval dat een kluis niet goed verankerd is. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat in het geval van eiser geen sprake was van een lichte onregelmatigheid. De rechtbank is het dus niet eens met eiser dat zijn gedrag niet zo ernstig was. In dit geval zou een waarschuwing niet passend zijn geweest. De minister heeft ook toegelicht dat de voorwaarde dat het wapen de schietvereniging niet mag verlaten, onvoldoende handhaafbaar is. De rechtbank kan dat standpunt volgen. Het is voldoende aannemelijk dat toezicht op naleving van deze voorwaarde teveel politiecapaciteit kost en de rechtbank is het met de minister eens dat het voorstel van eiser om de voorzitter van de schietvereniging toezicht te laten houden onvoldoende waarborgen biedt. De rechtbank begrijpt dat het vervelend is voor eiser dat hij zijn hobby op dit moment niet met zijn eigen wapen kan uitoefenen en dat hij er belang bij heeft dat zijn verlof niet wordt ingetrokken. Aan de andere kant staat echter het algemeen belang tot bescherming van de veiligheid van de samenleving. Dit belang weegt zwaar. Bovendien kan eiser zijn hobby nog uitoefenen op vereniging, maar dan zonder zijn eigen wapen. De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden de minister het algemeen belang zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang van eiser. De minister heeft dus in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om eisers wapenverlof in te trekken.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijkt krijgt. De intrekking van het wapenverlof blijft in stand. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet wapens en munitie.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1897.
Agressief gedrag is een risicofactor als bedoeld in B1/2, onder b, van de Cwm 2019.
Stressvolle omstandigheden zijn een risicofactor als bedoeld in B1/2, onder b, van de Cwm 2019. - - - ## Voetnoten
Artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet wapens en munitie.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1897.
Agressief gedrag is een risicofactor als bedoeld in B1/2, onder b, van de Cwm 2019.
Stressvolle omstandigheden zijn een risicofactor als bedoeld in B1/2, onder b, van de Cwm 2019.