Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:7744 - Rechtbank Midden-Nederland - 19 december 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2025:774419 december 2025

Uitspraak inhoud

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4665
  1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring voor het verkrijgen van een woning. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

Procesverloop

  1. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring voor het verkrijgen van een woning in de gemeente Almere. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 12 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2. Eiseres heeft op 11 en 12 december 2025 aanvullende stukken ingediend.
2.3. De rechtbank heeft het beroep op 15 december 2025 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden
  1. Eiseres woonde tot augustus 2024 samen met haar twee minderjarige kinderen in een sociale huurwoning in Drenthe. Vanwege de toeslagenaffaire heeft zij die huurwoning opgezegd om in Almere een nieuwe start te maken. Daarom is zij als tussenoplossing ingetrokken bij de vader van haar kinderen. De vader van de kinderen moest per 15 januari 2025 de woning verlaten, vanwege problemen met zijn documenten en een openstaande detentie van twee maanden. Omdat de woning op de naam van de vader stond, konden eiseres en haar kinderen niet in de woning blijven wonen. Eiseres geeft aan dat zij ook niet kan terugkeren naar Drenthe, omdat de kinderen naar school gaan in Almere en eiseres in Amsterdam werkt. Hulpverlening van [instelling] heeft niet geleid tot een oplossing. Eiseres heeft daarom op 2 januari 2025 een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring voor een huurwoning. Eiseres en haar kinderen verblijven tot op heden in het [naam] hotel in Almere.
Voldoet eiseres aan de algemene voorwaarden van de huisvestingsverordening?
  1. Het college heeft het verzoek om een urgentieverklaring afgewezen omdat eiseres niet voldoet aan de algemene voorwaarden voor urgentie.[1]
  1. Eiseres voert aan dat zij tijdens de hoorzitting heeft aangegeven te erkennen dat zij niet aan de algemene voorwaarden voldoet. Eiseres stelt zich wel op het standpunt dat er maatschappelijke binding is met Almere, omdat zij en haar kinderen hier inmiddels geworteld zijn.
  1. De rechtbank overweegt als volgt. Door eiseres is niet betwist dat zij niet voldoet aan de algemene voorwaarden die zijn opgenomen in de Huisvestingsverordening Almere 2024. Met deze algemene voorwaarden in de Huisvestingsverordening brengt het college tot uitdrukking welke woningzoekenden voor urgentie in aanmerking komen. Aangenomen kan worden dat maatschappelijke binding als relevant is beschouwd bij het vaststellen van deze algemene voorwaarden. Nu eiseres hieraan niet voldoet, kan vastgesteld worden dat eiseres onvoldoende maatschappelijke binding heeft.
Slaagt een beroep op de hardheidsclausule?
  1. Eiseres doet een beroep op de hardheidsclausule. Eiseres voert aan dat er geen sprake is van een duurzame stabiele woonsituatie, omdat zij nu in het [naam] hotel verblijft. Dit levert bij haar kinderen en bij haarzelf stress op. Zij vindt dat het college ten onrechte niet de hardheidsclausule heeft toegepast.
  1. De rechtbank stelt voorop dat aan het college beoordelingsruimte - en beleidsvrijheid toe komt bij de toepassing van de hardheidsclausule.[2] De hardheidsclausule wordt slechts in zeer uitzonderlijke situaties toegepast. Het moet dan gaan om situaties waar het niet toekennen van urgentie leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij een zeer schrijnende levensbedreigende of - ontwrichtende situatie.
  1. De rechtbank heeft begrip voor de situatie van eiseres en begrijpt ook dat de situatie verre van ideaal is. De rechtbank ziet dat eiseres op verschillende woningen reageert en dat zij actief contacten onderhoudt met verschillende instanties om haar woonprobleem op te lossen. Dit betekent evenwel niet dat het college de hardheidsclausule had moeten toepassen door eiseres een urgentie te verlenen.
  1. Met een urgentieverklaring krijgt iemand voorrang op andere personen, die ook hard op zoek zijn naar een woning. Een urgentieverklaring is dus de uitzondering op de regel. De hardheidsclausule is daar weer een uitzondering op, omdat iemand dan urgentie krijgt terwijl hij of zij niet aan de voorwaarden daarvoor voldoet. Om die reden past het college de hardheidsclausule zeer terughoudend en alleen in zeer uitzonderlijke situaties toe.[3]
  1. De rechtbank kan het college volgen in het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van zeer uitzonderlijke situatie. Ook het overgelegde patiëntendossier biedt hiervoor onvoldoende aanknopingspunten. Een deel van de in het patiëntendossier opgenomen klachten zijn van na het bestreden besluit. Ook als rekening wordt gehouden met de paniekaanvallen, kan uit het patiëntendossier worden opgemaakt dat het beter gaat met eiseres en dat zij hulp ontvangt voor de medische problematiek. De in het patiëntendossier vermelde situatie van de kinderen heeft het college ook onvoldoende mogen vinden om en uitzonderlijke situatie aan te nemen. Daarvoor biedt het patiëntendossier onvoldoende informatie. Eiseres heeft verder ook geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat het huidige woonsituatie een zodanige negatieve invloed heeft op de kinderen van eiseres, dat urgentie verleend dient te worden. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat zij geen urgentieverklaring krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 11, vijfde lid, onder a, f en g, van de Huisvestingsverordening Almere 2024.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:231.
Op grond van artikel 30 van de Huisvestingsverordening Almere 2024. - - - ## Voetnoten
Artikel 11, vijfde lid, onder a, f en g, van de Huisvestingsverordening Almere 2024.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:231.
Op grond van artikel 30 van de Huisvestingsverordening Almere 2024.