Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:7699 - Rechtbank Midden-Nederland - 5 december 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2025:76995 december 2025

Uitspraak inhoud

Strafrecht
Zittingsplaats: Utrecht
Parketnummer: 16/120261-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 5 december 2025 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode 1] , [plaats] ,
hierna: [verdachte] .
Op 18 april 2025 is er een vuurwerkbom van vier aan elkaar vastgemaakte Cobra's ontploft bij de woning van de familie [familie] in Woerden. [verdachte] heeft bekend dat hij de bom samen met een vriend heeft gemaakt, in de brievenbus heeft geklemd en heeft aangestoken. [verdachte] was boos op mevrouw [aangeefster] en op zijn vader, omdat zij een affaire hebben gehad.
Voor wat [verdachte] heeft gedaan, krijgt hij een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf. Hij moet blijven meewerken aan begeleiding en behandeling en hij moet een aantal van de gezinsleden van de familie [familie] een schadevergoeding betalen.

1 Zitting

De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 21 november 2025.
Op de zitting waren aanwezig:
Tijdens de zitting heeft de rechtbank vragen gesteld aan [verdachte] , aan zijn moeder, aan de jeugdreclassering en aan de Raad voor de Kinderbescherming. De rechtbank heeft geluisterd naar de standpunten van de officier van justitie en van de advocaat van [verdachte] .

2 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:
op 18 april 2025 in Woerden samen met een ander met zwaar vuurwerk een ontploffing heeft veroorzaakt bij een woning, waardoor er een levensgevaarlijke situatie, gevaar voor goederen en gevaar voor zware verwondingen konden ontstaan.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3 Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat [verdachte] het strafbare feit heeft gepleegd.
3.2. Standpunt van de verdediging
De advocaat van [verdachte] stelt zich op het standpunt dat het feit bewezen kan worden verklaard, maar dat niet zonder meer bewezen kan worden dat er ook levensgevaar voor anderen kon zijn.
3.3. Oordeel van de rechtbank
3.3.1. Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat het strafbare feit is bewezen. [verdachte] bekent dat hij de ontploffing samen met iemand anders heeft veroorzaakt, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. [verdachte] en zijn advocaat hebben ook niet om vrijspraak gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: [1] - het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] ;[2] - het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] ;[3] - het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict;[4] - de vakbijlage van het NFI 'Gevaarzetting Super Cobra 6 en vergelijkbare artikelen';[5] - de verklaring van [verdachte] op de zitting.
3.3.2. Bewijsoverwegingen
Vrijspraak van levensgevaar
De bewoners van de woning waren op het moment van de ontploffing thuis, op de bovenverdieping. [verdachte] en de medeverdachte hebben meerdere Cobra's in de brievenbus bij de voordeur geplaatst, op de benedenverdieping. Op grond van het dossier oordeelt de rechtbank dat er onvoldoende bewijs is dat er daadwerkelijk levensgevaar had kunnen ontstaan. [verdachte] zal dan ook worden vrijgesproken van dat onderdeel van de beschuldiging.
3.4. Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :
op 18 april 2025 te Woerden tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door meerdere stuks zwaar vuurwerk in een brievenbus van de woning aan de [adres 2] te plaatsen en aan te steken, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde woning en in die voornoemde woning aanwezige goederen en naastgelegen woningen, en - gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen, te weten de bewoners van voornoemde woning, te duchten was.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.
De taal - en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt [verdachte] niet.

4 Kwalificatie en strafbaarheid

4.1. Kwalificatie
    Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
en
medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
4.2 Strafbaarheid feit en de verdachte
    [verdachte] heeft dus een strafbaar feit gepleegd en moet daarvoor ook straf krijgen.

5 Straf

5.1. Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot: - jeugddetentie van 180 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 175 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met daaraan voor de duur van
  1. jaar als bijzondere voorwaarden gekoppeld, kort gezegd: - een meldplicht; - meewerken aan het realiseren van dagbesteding; - meewerken aan een traject bij een daartoe geschikte instelling; - een contactverbod met [aangeefster] , haar echtgenoot en hun kinderen, met uitzondering van contact in het kader van eventuele mediation; - een locatieverbod voor een straal van 500 meter rondom de woning van de slachtoffers; - geen contact met de medeverdachte. - een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 120 uur, te vervangen door 60 dagen jeugddetentie als [verdachte] deze werkstraf niet of niet goed uitvoert.
De officier van justitie eist dat de bijzondere voorwaarden direct na de uitspraak van het vonnis ingaan.
5.2. Standpunt van de verdediging
De advocaat van [verdachte] verzoekt er rekening mee te houden dat er tijdens de schorsing van het voorarrest strenge voorwaarden golden waar [verdachte] zich goed aan heeft gehouden. De advocaat verzoekt daarom om de werkstraf en de voorwaardelijke gevangenisstraf te matigen.
5.3. Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder [verdachte] dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van wat [verdachte] heeft gedaan
[verdachte] heeft zich, samen met een vriend, schuldig gemaakt aan het tot ontploffing brengen van meerdere aan elkaar geplakte Cobra's die hij in de brievenbus van een woning had geplaatst. Door de ontploffing is schade ontstaan aan en in de woning van de familie [familie] . Het gezin (vader, moeder en drie kinderen) was thuis en had (zwaar) gewond kunnen raken. Hoewel de rechtbank wel gelooft dat dit niet [verdachte] 's bedoeling was, heeft hij echt helemaal niet goed nagedacht over wat er had kunnen gebeuren en dat neemt de rechtbank hem erg kwalijk. Het is overduidelijk dat zelfgemaakte bommen van dit soort zwaar vuurwerk tot veel ernstiger schade kunnen leiden en iedereen mag van geluk spreken dat het is gebleven bij schade aan de woning en aan spullen in de woning.
De familie [familie] is enorm geschrokken van de ontploffing en alle vijf de gezinsleden zijn hierdoor nog steeds erg bang. Zij moesten midden in de nacht en halsoverkop hun huis uit. Het herstel in de woning duurt lang en zij worden nog dagelijks herinnerd aan wat [verdachte] heeft gedaan. Meneer [aangever] heeft op de zitting een verklaring voorgelezen waaruit heel duidelijk naar voren kwam hoeveel indruk de ontploffing op de familie heeft gemaakt.
De rechtbank heeft ook goed gekeken naar waarom [verdachte] dit heeft gedaan en naar de achtergrond en de context hiervan. De vader van [verdachte] heeft een affaire gehad met mevrouw [aangeefster] . Dit heeft grote gevolgen gehad voor beide gezinnen, die elkaar kennen uit dezelfde kerkgemeenschap. [verdachte] 's ouders zijn nu niet meer samen en [verdachte] heeft een moeilijke verhouding met zijn vader. Hij was boos en gefrustreerd en dit heeft geleid tot het plan om juist bij de familie [familie] een vuurwerkbom te laten ontploffen. De emoties van [verdachte] zijn te begrijpen, maar die heeft hij op een totaal verkeerde manier tot uitdrukking gebracht. [verdachte] had moeten weten dat hij niet voor eigen rechter mag spelen als het gaat over het handelen van zijn vader en mevrouw [aangeefster] . Bovendien heeft hij voor lief genomen dat ook de rest van het gezin hierdoor geraakt werd, terwijl ook zij verdriet hebben gehad van de affaire tussen zijn vader en mevrouw [aangeefster] en [verdachte] het gezin bovendien kent van school en uit de kerk. De rechtbank rekent dit [verdachte] zeer aan.
Persoonlijke omstandigheden van [verdachte]
is niet eerder voor strafbare feiten veroordeeld. Zijn strafblad is daarom geen reden voor een zwaardere straf.
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft geschreven dat het belangrijkste is dat [verdachte] verder wordt behandeld en dat er thuis rust blijft. De situatie thuis en de impact van de verhouding tussen de vader van [verdachte] en mevrouw [aangeefster] , vraagt om een systemische aanpak en herstel van onderlinge banden. Daarnaast is het pedagogisch van belang dat [verdachte] op directe wijze wordt geconfronteerd met zijn gedrag door hem een passende straf op te leggen.
Het is goed dat [verdachte] wordt behandeld en naar school gaat. Daarnaast heeft zijn moeder goed zicht op hem. De Raad schat het risico dat [verdachte] opnieuw een strafbaar feit pleegt daarom in op (zeer) laag.
De Raad adviseert de rechtbank om bijzondere voorwaarden te verbinden aan een voorwaardelijk strafdeel. Het gaat dan om een meldplicht, meewerken aan het realiseren van dagbesteding, meewerken aan een traject bij een daartoe geschikte instelling, een contactverbod met de slachtoffers, een locatieverbod voor een straal van 500 meter van de woning van de slachtoffers en een contactverbod met de medeverdachte.
De rechtbank weegt ook mee dat [verdachte] spijt heeft van wat hij heeft gedaan. Hij heeft op eigen initiatief hulp gezocht om met zijn emoties om te leren gaan en volgt nu therapie. Hij heeft zich goed gehouden aan de voorwaarden die zijn gesteld bij de schorsing van zijn voorarrest. De jeugdreclasseringswerker en de Raad hebben vertrouwen in [verdachte] .
Welke straf is passend?
[verdachte] heeft direct na de dag van de ontploffing 5 dagen in voorarrest gezeten en dat was de eerste keer dat hij in een gevangenis zat. De rechtbank zal een onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen voor de duur van deze 5 dagen. Dit betekent dat [verdachte] niet opnieuw naar de jeugdgevangenis moet. De rechtbank zal [verdachte] daarnaast een onvoorwaardelijke werkstraf opleggen voor de duur van 120 uren. Als [verdachte] deze werkstraf niet of niet goed doet, dan kan deze worden vervangen door 60 dagen jeugddetentie.
De rechtbank vindt het belangrijk dat er ook een deel voorwaardelijke jeugddetentie wordt opgelegd, omdat het om een heel ernstig feit gaat en omdat bijzondere voorwaarden nodig zijn. Daaraan zullen de algemene en bijzondere voorwaarden, zoals door de Raad geadviseerd, worden verbonden. Dit moet ervoor zorgen dat [verdachte] in de toekomst niet opnieuw strafbare feiten pleegt en moet een extra motivatie zijn om mee te werken aan de jeugdreclasseringsbegeleiding en behandeling. De rechtbank zal een proeftijd opleggen voor de duur van 2 jaren, maar zal bepalen dat de proeftijd voor de bijzondere voorwaarden voor
1 jaar zal gelden, zoals geadviseerd door de jeugdreclasseringswerker en de raadsonderzoeker.
De rechtbank bepaalt dat het contactverbod met de familie [familie] geldt voor zover en zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk vindt, en niet geldt in de gevallen waarin het contact op initiatief en onder begeleiding van de jeugdreclassering plaatsvindt.
De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar verklaren, omdat de kans klein is dat [verdachte] opnieuw de fout in gaat. Dit betekent dat de bijzondere voorwaarden gaan gelden als dit vonnis onherroepelijk is, maar [verdachte] werkt al vrijwillig mee aan behandeling.

6 Vorderingen benadeelde partijen

6.1. Vorderingen van de benadeelde partijen
Alle vijf de gezinsleden uit de woning van de ontploffing hebben zich gesteld als benadeelde partij. Zij vorderen [verdachte] te veroordelen tot het betalen van schadevergoedingen, steeds te vermeerderen met de wettelijke rente. Zij verzoeken allen om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Alle vijf de gezinsleden vorderen betaling van een bedrag van € 3.000,00 aan immateriële schade (smartengeld).
[benadeelde 1] vordert daarnaast een bedrag van € 125,00 voor vergoeding van materiële schade, die bestaat gederfde inkomsten, omdat hij op 18 april 2025 door de gevolgen van het incident een geplande opdracht niet kon uitvoeren.
[aangeefster] vordert daarnaast een bedrag van € 314,18 voor vergoeding van materiële schade, vanwege schade aan de brievenbus, stomerijkosten en vernielde jassen.
6.2. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat alle vorderingen van de benadeelde partijen geheel en hoofdelijk kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.3. Standpunt van de verdediging
De advocaat van [verdachte] verzoekt de rechtbank om de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 1] niet-ontvankelijk te verklaren, omdat ze niet goed onderbouwd zijn.
De advocaat verzoekt de vorderingen van de benadeelde partijen [aangever] en [aangeefster] , voor zover deze zien op de vergoeding van immateriële schade, niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het causale verband tussen het incident en de immateriële schade van deze benadeelde partijen (deels) ontbreekt, gelet op de voorgeschiedenis van de benadeelde partijen. In dit geval zou dan ook naar de proportionele aansprakelijkheid gekeken moeten worden, maar daarvoor is in het strafproces geen ruimte.
Subsidiair verzoekt de advocaat om, mocht de rechtbank een bedrag aan immateriële schadevergoeding toewijzen, de vordering ten aanzien van [aangever] (flink) te matigen ten opzichte van het bedrag dat wordt toegewezen voor [aangeefster] , omdat uit het medisch dossier volgt dat [aangever] er eind mei 2025 al een stuk beter aan toe was.
De advocaat verzoekt de vergoeding voor materiële schade in de vordering van de benadeelde partij [aangeefster] gedeeltelijk toe te wijzen, tot een bedrag van
€ 116,35, bestaande uit € 65,85 voor de vervangende brievenbus en € 50,50 voor de stomerijkosten en voor het overige de vordering voor vergoeding van materiële schade niet-ontvankelijk te verklaren.
6.4. Oordeel van de rechtbank
[benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 1] – immateriële schade
De rechtbank oordeelt dat deze benadeelde partijen onvoldoende gegevens hebben verstrekt waaruit blijkt dat zij door de ontploffing geestelijk letsel hebben opgelopen. Ook kan de rechtbank niet vaststellen dat anderszins sprake is van een aantasting in de persoon, omdat de benadeelde partijen niet met concrete gegevens hebben onderbouwd welke gevolgen het strafbare feit voor hen heeft gehad. Van een uitzonderlijke situatie waarin het geestelijk letsel zo voor de hand ligt dat daarvoor geen onderbouwing nodig is, is in dit geval geen sprake..
De benadeelde partijen krijgen geen gelegenheid om deze vorderingen alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen en [benadeelde 1] in het deel van de vordering dat ziet op de immateriële schade. De benadeelde partijen kunnen deze vorderingen aan de burgerlijke rechter voorleggen.
[benadeelde 1] – materiële schade
De vordering tot vergoeding van materiële schade, namelijk de gederfde inkomsten van € 125,00, is voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier, de bijlagen bij de vordering en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.
[aangever] en [aangeefster] – immateriële schade
De rechtbank overweegt dat uit de onderbouwing van de vorderingen blijkt dat [aangeefster] is doorverwezen naar de praktijkondersteuner geestelijke gezondheidszorg van haar huisarts en dat is besproken om te starten met EMDR-therapie. [aangever] is ook doorverwezen naar de praktijkondersteuner geestelijke gezondheidszorg. Maar zij hadden allebei al voor de ontploffing psychische klachten, wat ook voorstelbaar is gelet op de affaire die [aangeefster] heeft gehad met de vader van [verdachte] en alle gevolgen die dat heeft gehad voor henzelf en hun gezin. Vanwege die andere, al bestaande klachten is niet objectief vast te stellen dat er sprake is van geestelijk letsel dat is veroorzaakt door het gepleegde strafbare feit. Daarvoor zijn verder onderzoek en bewijslevering noodzakelijk, waarvoor in het strafproces geen plaats is. De behandeling van dit deel van de vorderingen levert dan ook een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij [aangever] dan ook geheel niet-ontvankelijk in zijn vordering. De benadeelde partij [aangeefster] wordt eveneens niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering voor zover die ziet op de gevorderde immateriële schade. Zij kunnen – als zij dat willen – hun vorderingen, nader onderbouwd, indienen bij de burgerlijke rechter.
[aangeefster] – materiële schade
De vordering tot vergoeding van materiële schade is voldoende onderbouwd. De kosten voor een vervangende brievenbus zijn door de verdediging niet betwist en de stomerijkosten zijn deels niet betwist. Voor het overige gedeelte van de stomerijkosten oordeelt de rechtbank dat op de zitting voldoende is onderbouwd dat de brandgeur niet meer uit de jassen ging en dat het daarom nodig was om de jassen naar de stomerij te brengen. Over de vernielde jassen oordeelt de rechtbank dat op de zitting duidelijk is toegelicht dat de benadeelde partij pas op een later moment, aan de hand van de bonnetjes, een exact schadebedrag kon vaststellen, terwijl de brandverzekering toen al een lager bedrag had uitgekeerd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.
Wettelijke rente – ten aanzien van [benadeelde 1] en [aangeefster]
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 18 april 2025 (de datum van de ontploffing) tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Proceskosten – ten aanzien van [benadeelde 1] en [aangeefster]
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. In dit geval moeten alle partijen elk hun eigen kosten betalen, omdat de vorderingen van deze benadeelde partijen gedeeltelijk zijn toegewezen, maar ook gedeeltelijk niet-ontvankelijk zijn verklaard. De rechtbank begroot de kosten tot op heden op nihil.
Proceskosten – ten aanzien van [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [aangever]
De benadeelde partijen [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [aangever] worden geheel niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen, waardoor niet is komen vast te staan of en in hoeverre de vorderingen terecht zijn ingediend. De benadeelde partijen moeten daarom de kosten vergoeden die [verdachte] heeft gemaakt om tegen deze vorderingen in te gaan. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat [verdachte] daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.
Hoofdelijk – ten aanzien van [benadeelde 1] en [aangeefster]
Omdat [verdachte] het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen (dus 'hoofdelijk') aansprakelijk. Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel – ten aanzien van [benadeelde 1] en [aangeefster]
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op. Dat houdt in dat het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: CJIB) een brief gaat sturen aan [verdachte] en dat hij de schadevergoeding aan het CJIB (de Staat) moet betalen. Het CJIB geeft het geld daarna aan de benadeelde partijen. Dit zorgt ervoor dat zij het geld ook echt krijgen. Vanwege de jonge leeftijd van [verdachte] hoeft hij niet naar de gevangenis als drukmiddel (gijzeling), als hij niet zou betalen aan het CJIB.
Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen.
[verdachte] mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partijen. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan het CJIB te betalen.

7 Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straffen en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen: - artikelen 36f, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring - verklaart bewezen dat [verdachte] het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven; - verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte - verklaart [verdachte] strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf - veroordeelt [verdachte] tot een jeugddetentie van 90 dagen; - bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht; - bepaalt dat van de jeugddetentie een gedeelte van 85 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast voor de algemene voorwaarden; - stelt daarbij een proeftijd van 1 jaar vast voor de bijzondere voorwaarden; - als algemene voorwaarden gelden dat [verdachte] ; - zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - als bijzondere voorwaarden gelden dat [verdachte] ; - zich gedurende de proeftijd en op door de gecertificeerde instelling te bepalen
tijdstippen zal melden, zo frequent en zo lang die instelling dat gedurende de
proeftijd noodzakelijk acht en zijn medewerking verleent aan de daaruit
voortvloeiende afspraken; - meewerkt aan het realiseren van een pro-sociaal en gestructureerde
dagbesteding waar werk en/of sport deel van uit kunnen maken; - meewerkt aan traumaverwerking bij een door de jeugdreclassering geschikt
geachte instelling, voor zolang als dat de jeugdreclassering dat nodig acht; - meewerkt aan een traject bij een daartoe geschikte instelling, ook als dat
systemisch zou zijn, indien en voor zolang de jeugdreclassering dat
nodig acht; - op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft met het slachtoffer
mevrouw [aangeefster] , haar echtgenoot ( [aangever] ) en/of haar kinderen ( [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 1] ), voor zover en zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, behoudens de gevallen waarin het contact op initiatief en onder begeleiding van de jeugdreclassering plaatsvindt; - zich niet mag bevinden binnen een straal van 500 meter van de woning van
het slachtoffer ( [adres 2] , [postcode 2] te [plaats] ), zolang de
jeugdreclassering dit noodzakelijk acht. De politie houdt toezicht op de naleving van dit locatieverbod; - op geen enkele wijze contact heeft met de medeverdachte; - geeft aan de gecertificeerde instelling, te weten SAVE Midden-Nederland, de opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden (met uitzondering van het locatieverbod, waar de politie toezicht op zal houden) en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden; - veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf in de vorm van een werkstaf van 120 uren; - beveelt dat als [verdachte] de werkstraf niet of niet naar behoren verricht, de werkstraf wordt vervangen door 60 dagen jeugddetentie;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 2] - verklaart benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering; - veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door [verdachte] gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 3] - verklaart benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering; - veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door [verdachte] gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 1] - wijst de vordering van [benadeelde 1] toe tot een bedrag van € 125,00aan materiële schade; - veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 april 2025 tot de dag van volledige betaling; - verklaart [benadeelde 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering; - compenseert de kosten van partijen aldus, dat partijen hun eigen kosten dragen; - legt [verdachte] hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 1] aan de Staat € 125,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 april 2025 tot de dag van volledige betaling. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt geengijzeling toegepast; - bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangever] - verklaart benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering; - veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door [verdachte] gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangeefster] - wijst de vordering van [aangeefster] toe tot een bedrag van € 314,18aan materiële schade; - veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 april 2025 tot de dag van volledige betaling; - verklaart [aangeefster] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering; - compenseert de kosten van partijen aldus, dat partijen hun eigen kosten dragen; - legt [verdachte] hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [aangeefster] aan de Staat € 314,18 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 april 2025 tot de dag van volledige betaling. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt geengijzeling toegepast; - bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. de Meulder, voorzitter, tevens kinderrechter,
mr. L.R.H. Koekoek en mr. G.M.C. Klink, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van
mr. A. Benschop, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2025.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 18 april 2025 te Woerden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een of meer stuk(s) (zwaar) vuurwerk, althans een of meer explosieven, op/door een brievenbus van de woning aan de [adres 2] te plaatsen/duwen, in elk geval nabij de woning aan de [adres 2] te plaatsen, en/of met vuur in aanraking te brengen en/of aan te steken, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde woning en/of in die voornoemde woning aanwezige goederen en/of naastgelegen woningen, en/of - levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer anderen, te weten de bewoners van voornoemde woning te duchten was.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, zijn dit pagina's uit het dossier van politie Eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025125391 onder (A) voorgeleiding rechter-commissaris, genummerd pagina 1 tot en met 119, onder (B) einddossier, genummerd pagina 1 tot en met 92 of onder (C) voorgeleiding rechter-commissaris Wijnveen, genummerd pagina's 1-75. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
Pagina 11-12 (A).
Pagina 72 (A).
Pagina 55-56 (B).
Pagina 48-54 (B). - - - ## Voetnoten
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, zijn dit pagina's uit het dossier van politie Eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025125391 onder (A) voorgeleiding rechter-commissaris, genummerd pagina 1 tot en met 119, onder (B) einddossier, genummerd pagina 1 tot en met 92 of onder (C) voorgeleiding rechter-commissaris Wijnveen, genummerd pagina's 1-75. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
Pagina 11-12 (A).
Pagina 72 (A).
Pagina 55-56 (B).
Pagina 48-54 (B).