Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2025:7607 - Rechtbank Midden-Nederland - 2 oktober 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2025:7607•2 oktober 2025
Uitspraak inhoud
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/3856
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R. Grijpstra),
en
De Minister van Financiën, T.a.v. de Programmadirecteur Schulden, de minister.
Inleiding
Eiser is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. In dat kader heeft hij een schuldenlijst toegezonden aan Sociale Banken Nederland (SBN) met het verzoek om overname van zijn schuld. Dit betreft een schuld aan DEFAM ter hoogte van € 5000, - (hierna: de schuld).
De aanvraag van eiser is op 22 november 2023 afgewezen door SBN. Met het bestreden besluit van 27 maart 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. De minister stelt namelijk dat er geen sprake is van een betalingsachterstand en de schuld niet opeisbaar is geworden binnen de peildata van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Daarom komt de schuld niet in aanmerking voor overname.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister op 2 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van eiser. De minister was niet aanwezig. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank overweegt verder dat de wet heeft bepaald dat alleen opeisbare schulden in het kader van een geldlening in aanmerking komen voor overname. Het gehele bedrag van de lening, ook wel de hoofdsom genoemd, is in dit geval niet opeisbaar omdat er geen betalingsachterstanden zijn. De rechtbank begrijpt dat eiser maandelijks een bedrag verschuldigd is aan de schuldeiser, namelijk de € 62, - en dat voor eiser dit bedrag wel maandelijks betaald moet worden. Dat betekent alleen nog niet dat de totale resterende hoofdsom opeisbaar is, wat een vereiste is voor overname.
[2] In het vierde lid van artikel 4.1 van de Wht worden ook een aantal categorieën opgesomd van schulden die niet worden overgenomen. Onder b wordt genoemd dat de resterende hoofdsommen van leningen niet worden overgenomen tenzij er een betalingsachterstand is. Het gaat in dit geval om die categorie. Eiser heeft verzocht om de hoofdsom over te nemen, maar er is geen betalingsachterstand. Als er al twijfel bestaat over de opeisbaarheid, heeft de wetgever hiermee duidelijk gemaakt dat eisers schuld niet in aanmerking komt voor overname.
- De rechtbank begrijpt dat eiser dit oneerlijk vindt. Eiser heeft er namelijk alles aan gedaan om het bedrag iedere maand op tijd te betalen en daardoor komt hij nu niet in aanmerking voor overname. Dat terwijl iemand die de achterstand laat oplopen wel wordt 'beloond'. Dit kan oneerlijk voelen, echter heeft dit te maken met waar dit gedeelte van de regeling voor het herstel van de toeslagenaffaire voor bedoeld is. Dit is namelijk niet bedoeld om onrecht te herstellen en iemand volledig te vrijwaren van alle schulden. Het overnemen van de schulden is bedoeld om grotere problemen te voorkomen en om mensen niet nog dieper in het moeras te laten zakken. Dat is bijvoorbeeld wel het geval bij opeisbare schulden waarbij een incassobureau is ingeschakeld, dan worden de kosten ook steeds hoger. Omdat eiser wel betaald heeft en niet het risico loopt op incassomaatregelen, valt hij buiten dit gedeelte van de regeling en dat past ook bij de achterliggende gedachte van de wetgever.
- Daarnaast overweegt de rechtbank dat het beroep op de hardheidsclausule niet slaagt. Eiser heeft ter zitting aangegeven het nu al financieel moeilijk te hebben en dat hij het nog moeilijker krijgt zodra hij met pre pensioen gaat. De rechtbank begrijpt dat dit een lastige situatie is en dat eiser zich hier zorgen over maakt. De rechtbank is echter van oordeel dat eiser niet voldoet aan de strenge regels die er zijn om te zeggen dat het anders moet dan de wet heeft bepaald. Om een geslaagd beroep te doen op de hardheidsclausule moet het namelijk gaan om een financiële en serieuze noodsituatie. De rechtbank is er niet van overtuigd dat eisers situatie op dit moment dusdanig ernstig is. Eiser heeft namelijk geen andere schulden. Het is voor hem moeilijk om alles te betalen, maar dat is niet voldoende om een beroep op de hardheidsclausule te laten slagen. Eiser heeft zijn situatie ook niet concreet onderbouwd, de rechtbank heeft daar in ieder geval geen stukken van gezien. Daarnaast heeft de hoogste bestuursrechter (de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State) ook geoordeeld dat deze regeling in beginsel niet in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de schuld van eiser niet wordt overgenomen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
- Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2025 door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. E.S. Dorsman, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uit artikel 4.1, tweede lid van de Wht blijkt dat het moet gaan om een schuld die ontstaan is na 31 december 2005 en opeisbaar is geworden voor 1 juni 2021.
Dit volgt uit artikel 4.1, eerste lid van de Wht. - - - ## Voetnoten