Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:7605 - Rechtbank Midden-Nederland - 31 oktober 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2025:760531 oktober 2025

Uitspraak inhoud

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/8398
en
(gemachtigde: mr. P.M.L. van der Schot).
  1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van eiser tot openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo). De korpschef heeft in dit kader één document gedeeltelijk openbaar gemaakt. Eiser is het niet eens met de gedeeltelijke openbaarmaking hiervan. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
  1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de korpschef zich mag beroepen op de relatieve uitzonderingsgrond van de bescherming van concurrentiegevoelige bedrijfs - en fabricagegegevens. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

  1. Eiser heeft een Woo-verzoek gedaan, waarbij hij heeft verzocht om de openbaarmaking van documenten waaruit blijkt wat de politie aan het GVB heeft betaald voor het vervoer van de coronademonstranten per arrestant (per enkele reis) naar cellencomplex Bijlmer in de periode tussen januari 2020 en mei 2021. De korpschef heeft besloten om één document deels openbaar te maken: een Excelsheet met een overzicht van facturen van het GVB. In dat overzicht zijn onder meer de bedragen weggelakt. Met de beslissing op het bezwaar van eiser van 2 december 2024 is de korpschef bij dat besluit gebleven.
3.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De korpschef heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.2. De rechtbank heeft het beroep op 19 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de korpschef.

Beoordeling door de rechtbank

  1. Eiser voert aan dat de korpschef het document volledig openbaar moet maken. De korpschef kan zich namelijk niet beroepen op het concurrentie-argument, want de GVB is een gemeentelijk vervoersbedrijf en verzorgt als enige het naar buiten de stadsgrenzen vervoeren van ongewensten. Als dit bedrijf van de gemeente wordt gezien als private organisatie zou dit in strijd zijn met het Laka/CROVA arrest.[1] Amsterdam heeft namelijk rechtstreekse invloed op wat er bij het GVB gebeurt en een burger moet kunnen controleren waar het belastinggeld aan wordt besteed.
  1. De korpschef heeft zich voor het weglakken van de bedragen beroepen op artikel 5.1, tweede lid aanhef en onder f van de Woo. Deze bepaling bevat een relatieve uitzonderingsgrond, die ervoor bedoeld is om concurrentiegevoelige bedrijfs - en fabricagegegevens te beschermen. Hierbij moet de korpschef een belangenafweging maken, waarbij het belang van de openbaarmaking en het belang van het beschermen van deze gegevens tegen elkaar worden afgewogen.
  1. De korpschef heeft zich in het verweerschrift en tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat het verzoek eigenlijk afgewezen had moeten worden en dat het overzicht helemaal niet verschaft had hoeven worden. Een bestuursorgaan hoeft namelijk geen documenten te fabriceren in het kader van een Woo-verzoek. Dit is uiteindelijk wel gebeurd, want het overzicht van de facturen is voor dit Woo-verzoek gemaakt. Op dit overzicht staat bovendien ook niet de informatie waar eiser om heeft verzocht.
  1. De rechtbank is van oordeel dat het verschafte overzicht nu wel onder het Woo-verzoek van eiser valt. Eiser heeft zijn Woo-verzoek meerdere malen gespecificeerd en uiteindelijk teruggebracht tot openbaarmaking van documenten waaruit blijkt wat de politie aan het GVB heeft betaald voor het vervoer van de coronademonstranten per arrestant (per enkele reis) naar cellencomplex Bijlmer in de periode januari 2020 en mei 2021. In het primaire besluit is dit verzoek kennelijk zo opgevat dat eiser ook op zoek was naar een overzicht van de facturen van het GVB. De korpschef mag het Woo-verzoek dan in de beslissing op bezwaar niet alsnog beperkter gaan interpreteren. Bovendien is het document inmiddels (in gelakte vorm) al openbaar gemaakt. De rechtbank zal daarom beoordelen of dit document dan ook volledig openbaar gemaakt moet worden.
7.1. De rechtbank is van oordeel dat de korpschef het document niet volledig openbaar hoeft te maken. Het college heeft zich beroepen op het concurrentiebelang van zowel het GVB als de politie. Tijdens de zitting heeft de korpschef nader toegelicht hoe deze belangenafweging is gemaakt en waarom er sprake is van concurrentiegevoelige bedrijfs - en fabricagegegevens. Zowel de politie als het GVB hebben er belang bij dat deze concurrentiegevoelige gegevens niet openbaar worden. Het GVB is inderdaad veel actief in Amsterdam, maar dat betekent nog niet dat de politie geen ander bedrijf in zou kunnen schakelen voor regionaal vervoer. De politie gaat bovendien niet alleen contracten met vervoerders aan in Amsterdam, maar ook in andere regio's met andere vervoersbedrijven. Voor zowel het GVB als de politie geldt daarom dat als deze informatie openbaar wordt dit nadelige gevolgen kan hebben voor hun concurrentiepositie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de korpschef bij de belangenafweging het belang van de concurrentiepositie van het GVB en de politie zwaarder mogen laten wegen dan het belang van de openbaarmaking van deze gegevens.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het overzicht deels openbaar gemaakt wordt en de korpschef de bedrijfs - en fabricagegegevens heeft mogen weglakken. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. E.S. Dorsman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2025.
De griffier is verhinderd deze
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De uitspraak van 18 januari 2023 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2023:184. - - - ## Voetnoten
De uitspraak van 18 januari 2023 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2023:184.