Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2025:7603 - Rechtbank Midden-Nederland - 21 november 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2025:7603•21 november 2025
Uitspraak inhoud
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1638
en
(gemachtigden: [gemachtigden] ).
- Deze uitspraak gaat over het bedrag van €6.783, - dat eiser terug moet betalen aan Dienst Toeslagen omdat hij over het jaar 2024 te veel kindgebonden budget heeft ontvangen. Eiser is het er niet mee eens dat hij zoveel moet terugbetalen. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de terugvordering kwijtgescholden of gematigd moet worden.
Procesverloop
- Met het besluit van 20 februari 2025 op het bezwaar van eiser is Dienst Toeslagen gebleven bij de terugvordering van het kindgebonden budget ter hoogte van €6.783,-. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.1. De rechtbank heeft het beroep op 29 augustus 2025 op zitting behandeld. De gemachtigden van Dienst Toeslagen waren in de rechtbank aanwezig. Eiser en zijn dochter [A] , die als tolk optrad, hebben via een beeldverbinding deelgenomen aan de zitting.
2.2. De rechtbank heeft het onderzoek aan het eind van de zitting gesloten. Eiser heeft daarna nog een brief naar de rechtbank gestuurd over een invorderingsbesluit dat hij heeft ontvangen van de Dienst Toeslagen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen, omdat het invorderingsbesluit gaat over een ander jaar dan de terugvordering in deze beroepsprocedure. De rechtbank heeft de brief van eiser doorgestuurd naar de Dienst Toeslagen voor behandeling als bezwaarschrift tegen het invorderingsbesluit.
Beoordeling door de rechtbank
- Eiser is in 2023 met zijn gezin verhuisd naar Groot-Brittanië vanwege de problemen die zij ondervonden in Nederland. Omdat eiser niet meer in Nederland woont, heeft hij geen recht meer op kinderbijslag en heeft de Sociale Verzekeringsbank de uitbetaling hiervan stopgezet. Het ontvangen van kinderbijslag is een voorwaarde voor het ontvangen van het kindgebonden budget. Omdat eiser geen recht meer heeft op kinderbijslag, heeft eiser als gevolg daarvan ook geen recht meer op kindgebonden budget*.*Om deze reden heeft Dienst Toeslagen het bedrag dat eiser in 2024 aan kindgebonden budget zou ontvangen op €0, - gezet. De voorschotten die al aan eiser waren betaald zijn van eiser teruggevorderd.
- Eiser voert aan dat het voor hem onmogelijk is om het volledige bedrag terug te betalen en dat de terugvordering daarom gematigd moet worden. Hierbij verwijst hij naar artikel 26, tweede lid van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), waarin staat dat Dienst Toeslagen de terugvordering kan matigen als deze onevenredig is in verhouding tot de met de terugvordering te dienen doelen. De volledige terugvordering is onevenredig omdat hij op dit moment geen inkomen heeft en door de Brexit maar beperkte financiële ondersteuning krijgt, waardoor de terugvordering een onredelijke financiële last is. Eiser heeft ook gewezen op de gevolgen van de terugvordering voor zijn gezin.
- Het Verzamelbesluit Toeslagen van 17 oktober 2024 (Stcrt. 2024, 34466) (hierna: Verzamelbesluit) bevat het beleid over de terugvorderingen van toeslagen. Hierin is opgenomen dat een terugvordering alleen gematigd kan worden in het geval van bijzondere omstandigheden en als de gehele terugvordering daardoor onevenredig is. In dit Verzamelbesluit zijn ook voorbeelden van bijzondere omstandigheden opgenomen. Daarbij is uitdrukkelijk vermeldt dat de financiële situatie of de financiële problemen van een betrokkene over het algemeen niet leiden tot een matiging van de terugvordering. In deze gevallen bestaat er namelijk een betalingsregeling.
- De rechtbank is van oordeel dat Dienst Toeslagen de terugvordering niet hoeft te matigen. In het Verzamelbesluit staat expliciet genoemd dat financiële problemen (in principe) geen aanleiding zijn om de terugvordering te matigen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat beleid niet onevenredig. Reden hiervoor is dat eiser Dienst Toeslagen nog kan verzoeken om een persoonlijke betalingsregeling te treffen. Dienst Toeslagen zal dan op basis van eisers financiële gegevens nagaan welk bedrag eiser per maand kan missen om de vordering terug te betalen. Hierbij gaat Dienst Toeslagen uit van de huidige financiële situatie van eiser. Bovendien geldt dat als de betalingscapaciteit van eiser niet voldoende is om het gehele bedrag binnen twee jaar te voldoen, er voor het openstaande bedrag geen invorderingsmaatregelen meer zullen worden genomen.
[1] De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen reden waarom terugvordering in zijn specifieke geval toch onevenredig zou zijn.
6.1. Eiser doet ook nog een beroep op de hardheidsclausule uit artikel 47 van de Awir. Zoals Dienst Toeslagen ook heeft uitgelegd in het verweerschrift zijn zij niet bevoegd om te beslissen op dit verzoek. Er is namelijk geen sprake van een hardheidsclausule die door Dienst Toeslagen in een individueel geval kan worden toegepast. Op grond van artikel 47 van de Awir is het wel mogelijk voor de Minister van Financiën om, in bepaalde gevallen, beleidsregels te geven om tegemoet te kunnen komen aan onbillijkheden van overwegende aard, die zich bij toepassing van de wetgeving kunnen voordoen. Uit de beleidsregels, zoals omschreven onder rechtsoverweging 5, blijkt dat er al rekening is gehouden met situaties waarin sprake is van financiële problemen. Omdat er al rekening is gehouden met de situatie waarin eiser zich bevindt, hoeft Dienst Toeslagen dit verzoek ook niet meer door te sturen naar de minister.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bedrag niet gematigd wordt en eiser het gehele bedrag zal moeten terugbetalen. Eiser heeft de mogelijkheid om hiervoor bij Dienst Toeslagen een betalingsregeling te vragen. Omdat het beroep ongegrond is krijgt eiser het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. E.S. Dorsman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie hiervoor artikel 79.9 van de Leidraad Invordering 2008. - - - ## Voetnoten