Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2025:7554 - Rechtbank Midden-Nederland - 8 augustus 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2025:7554•8 augustus 2025
Uitspraak inhoud
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16-292308-24 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 8 augustus 2025
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] (Suriname)
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [postcode] [plaats 1]
nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats 2]
hierna te noemen: de verdachte
1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 17 december 2024, 11 februari 2025, 30 april 2025 en 25 juli 2025.
De inhoudelijke behandeling van de zaak heeft op 30 april 2025 en 25 juli 2025 plaatsgevonden.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.P. Altena en van hetgeen de verdachte en zijn advocaat, mr. C. Willekes, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
2 TENLASTELEGGING
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
feit 1 in de periode van 30 juli 2024 tot en met 4 augustus 2024 in Utrecht [slachtoffer 1] heeft bedreigd door via WhatsApp (spraak)berichten te sturen;
feit 2 op 9 september 2024 in Utrecht opzettelijk 112,29 gram MDMA en 10 zegels LSD aanwezig heeft gehad;
feit 3 op 28 februari 2024 in Utrecht [slachtoffer 2] heeft bedreigd;
feit 4 op 9 september 2024 in Utrecht een gasdrukpistool in zijn bezit heeft gehad;
feit 5 op 9 september 2024 in Utrecht 2 stroomstootwapens in zijn bezit heeft gehad;
feit 6 op 9 september 2024 in Utrecht 2 ploertendoders in zijn bezit heeft gehad.
3 VOORVRAGEN
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van de verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4 WAARDERING VAN HET BEWIJS
4.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen.
4.2 Het standpunt van de verdediging
De advocaat heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 3 ten laste gelegde en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte zou in de woning al schreeuwend en wijzend in de richting van aangeefster zijn bedreiging hebben geuit. Aangeefster heeft de bedreiging echter niet zelf gehoord, terwijl de woning van de verdachte niet groot is. De meest logische verklaring voor de omstandigheid dat aangeefster zelf de bedreiging niet heeft gehoord is dat zij de woning al verlaten had. In dat geval kan niet worden vastgesteld dat de verdachte in de richting van aangeefster heeft gewezen en op dat moment de bedreiging heeft geuit. Mevrouw [getuige] was eveneens in de woning aanwezig ten tijde van het incident. In een door de verdediging overgelegde verklaring verklaart zij dat de verdachte niets verkeerds heeft gedaan.
Gelet op het voorgaande is de verdediging van oordeel dat er in ieder geval onvoldoende overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring van feit 3 te kunnen komen.
De advocaat heeft bij de onder 1, 2 4, 5 en 6 tenlastegelegde feiten geen bewijsverweer gevoerd en het oordeel over het bewijs overgelaten aan de rechtbank.
4.3 Het oordeel van de rechtbank
4.3.1. Bewijsmiddelen feit 3
<footnoteReference id="_6657d605-a663-49a9-8543-5e1ab8f22cf1">[1]</footnoteReference>
Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2]
Ik ben werkzaam als medewerker bij Veilig Thuis Utrecht. Vanuit die hoedanigheid was ik op 28 februari 2024 aanwezig op de [adres] te [plaats 1] . Toen ik met de wijkagent [verbalisant 1] de woning betrad zag ik dat verdachte [verdachte]
aanwezig was in de woning..[2] Toen ik naar de gang liep riep de verdachte: "Ik maak je dood". Ik heb dit zelf niet gehoord maar de wijkagent hoorde dit wel.[3]
Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 1]
Op 28 februari 2024 uur ben ik samen met mevrouw [slachtoffer 2] op bezoek gegaan op de [adres] te [plaats 1] . .[4] Ik zag dat [slachtoffer 2] de woonkamer uitliep. Ik zag dat [verdachte] zich half omdraaide, in de richting van [slachtoffer 2] . Ik hoorde [verdachte] schreeuwen, terwijl hij met zijn vinger naar [slachtoffer 2] wees, "Ik maak je dood!".[5]
Bewijsoverweging
Uit voornoemde bewijsmiddelen volgt wettig en overtuigend dat de verdachte aangeefster heeft bedreigd. Agent [verbalisant 1] heeft in een ambtsedig proces-verbaal vastgelegd dat de verdachte wees in de richting van [slachtoffer 2] en riep "Ik maak je dood". Er zijn ook geen omstandigheden die maken dat er twijfel zou kunnen bestaan over de juistheid van de inhoud van het proces-verbaal van [verbalisant 1] . Sterker nog, de rechtbank ziet steun voor de waarneming van de agent in de verklaring van de verdachte bij de politie. De verdachte heeft tijdens het verhoor op 28 februari 2024 namelijk verklaard dat hij boos was op aangeefster en daarbij mogelijk "dingen in een opwelling" heeft gezegd. De door de verdediging overgelegde schriftelijke verklaring van mevrouw [getuige] leidt niet tot een ander oordeel. Haar verklaring - dat de verdachte niets verkeerd heeft gedaan - wordt weerlegd door voornoemde bewijsmiddelen.
Of aangeefster op het moment van het uiten van de bedreiging door de verdachte nog in de woning was of deze net verlaten had, is bovendien niet van belang. De bedreiging heeft aangeefster namelijk via de agent bereikt.
De rechtbank vindt gelet op het vorenstaande, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aangeefster heeft bedreigd.
4.3.2 Feit 1, 2, 4, 5 en 6
De rechtbank acht de feiten 1, 2, 4, 5 en 6 wettig en overtuigend bewezen. De verdachte heeft op de zitting bekend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de bedreiging van [slachtoffer 1] , het bezit van de MDMA en de LSD en het bezit van het gasdrukpistool, de stroomstootwapens en de ploertendoders. De verdediging heeft voor de feiten, zoals hierna bewezen verklaard, geen vrijspraak bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden, gelet op artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen: - een proces-verbaal van bevindingen van 10 september 2024[7] ); - een proces-verbaal van bevindingen van 12 september 2024[8] ; - proces-verbaal van bevindingen van 12 september 2024[9] ; - een proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen van 17 september 2024[10] ; - een proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen van 17 september 2024[11] ; - een geschrift, te weten een afschrift van het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 17 september 2025, zaaknummer 2024.09.17.125 (aanvraag 001), opgemaakt door C.M.M. Diever-Hezen, rapporteur[12] ); - een geschrift, te weten een afschrift van het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 17 september 2025, zaaknummer 2024.09.17.125 (aanvraag 002), opgemaakt door C.M.M. Diever-Hezen, rapporteur.[13]
Aanvullende bewijsoverweging feit 2 over de LSD
Uit het dossier blijkt niet dat de in de woning van de verdachte in beslag genomen LSD-zegels daadwerkelijk LSD (lysergide) bevatten, nu zich in het dossier geen rapport van het NFI bevindt over onderzoek aan deze zegels.
Op 12 september 2024 zijn de zegels door verbalisant [verbalisant 2] onderzocht en getest met de zogenaamde Ehrlich Reagens methode. De zegels testten hierbij positief op LSD.
De verdachte heeft op de zitting van 30 april 2025 verklaard dat hij sinds zijn achttiende al LSD gebruikt en de LSD gebruikte die in zijn woning is aangetroffen.
De rechtbank vindt gelet op het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat de in de woning van de verdachte aangetroffen zegels LSD bevatten.
De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben geen betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.
5 BEWEZENVERKLARING
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:
1op meerdere tijdstippen in de periode van 30 juli 2024 tot en met 4 augustus 2024 te Utrecht, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met - enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen ontstaat, en - enig misdrijf tegen het leven gericht, en - zware mishandeling, en - brandstichting,door middels Whatsapp meerdere (spraak)berichten naar die [slachtoffer 1] te sturen met onder meer de woorden: - "ik slacht je af", - "stop een bom onder je auto en blaas je op", - "snij je tollie er af", en/of - "ga breken je botten alles";
2op 9 september 2024 te Utrecht opzettelijk aanwezig heeft gehad 112,29 gram van een materiaal bevattende MDMA en 10 zegels van een materiaal bevattende LSD (lysergide), zijnde MDMA en LSD (lysergide) (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3op 28 februari 2024 te Utrecht, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "ik maak je dood";
4op 9 september 2024 te Utrecht een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een gasdrukpistool, voorhanden heeft gehad;
5op 9 september 2024 te Utrecht meerdere wapens van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten 2 stroomstootwapens, zijnde voorwerpen waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht, voorhanden heeft gehad;
6op 9 september 2024 te Utrecht, meerdere wapens, van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten 2 ploertendoders, voorhanden heeft gehad.
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal - en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat onder feiten 1, 2, 3, 4, 5 en 6 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:
feit 1 bedreiging met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen ontstaat;
en
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
en
bedreiging met zware mishandeling;
feit 2 opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 3 bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
feit 4 handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
feit 5 handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd;
feit 6 handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.
7 STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE
Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.
8 OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL
8.1 De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 30 dagen, met aftrek van het voorarrest en te gelasten dat de verdachte, voor de duur van maximaal vier jaren, ter beschikking wordt gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege.
Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel, als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), gevorderd.
8.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit aan de verdachte geen (voorwaardelijke) maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) op te leggen en heeft daarbij gewezen op de adviezen van de Pro Justitia-rapporteurs. De deskundigen komen weliswaar tot de vaststelling van een aantal stoornissen en het advies de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen, maar zij oordelen beiden dat oplegging van een tbs-maatregel met dwangverpleging te ver gaat. Zij verwijzen hierbij met name naar de inschatting dat het risico op escalatie van het delictgedrag naar meer gewelddadig gedrag beperkt is. De officier van justitie heeft in verband met het risico op escalatie benoemd dat de verdachte volgens aangever [slachtoffer 1] hem eerder een wapen getoond zou hebben. Dit kan echter op geen enkele wijze worden vastgesteld.
Een tbs-maatregel met dwang resteert bovendien alleen indien de verdachte weigert mee te werken aan een klinische behandeling. De verdachte heeft zich inmiddels, in tegenstelling tot zijn eerdere standpunt, wel bereid verklaard mee te werken aan een klinische opname.
De verdediging verzoekt de rechtbank om ook geen tbs met voorwaarden op te leggen. De tbs-maatregel, ook in de vorm van tbs met voorwaarden, is een zeer ingrijpende maatregel die niet lichtvaardig dient te worden opgelegd. Zeker waar het gaat om strafbare feiten waar het in deze zaak om draait – bedreigingen, waarvan een deel via WhatsApp en waarbij géén wapens zijn gebruikt – dient in de visie van de verdediging zeer terughoudend met de oplegging van tbs te worden omgegaan.
Een tbs-maatregel is bedoeld ter bescherming van de maatschappij. Indien deze bescherming ook op andere wijze kan worden gewaarborgd, heeft dat absoluut de voorkeur. Gelet op de ten laste gelegde feiten, het beperkte risico op toekomstige geweldsmisdrijven en omdat de verdachte openstaat voor hulpverlening waaronder een klinische opname, moet in de visie van de verdediging heel duidelijk uit andere feiten en omstandigheden blijken waarom tbs met voorwaarden de geëigende route zou zijn, in plaats van een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. Wat de verdediging betreft, blijft deze duidelijkheid uit.
Dat de verdachte niet intrinsiek tot verandering gemotiveerd zou zijn en geen ziekte-inzicht en probleembesef zou hebben, zoals geconcludeerd wordt door de reclassering in haar negatieve advies over tbs met voorwaarden, maakt oplegging van voorwaarden overigens niet onmogelijk. In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat het ontbreken van probleembesef dan wel ziekte-inzicht onderdeel kan zijn van bepaalde psychische problematiek en dat juist een klinische opname en daaruit voortvloeiende behandeling daar verandering in kan brengen.
Een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden biedt in de zaak van de verdachte een afdoende alternatief om het recidiverisico in voldoende mate in te perken. De verdediging verzoekt de rechtbank uit te gaan van een gemiddeld algemeen recidiverisico en – conform de adviezen van de Pro Justitia-rapporteurs – een laag recidiverisico waar het gaat om geweld/letsel.
De reclassering vindt een voorwaardelijk kader niet haalbaar, omdat het in een eerder toezicht niet mogelijk zou zijn geweest te werken aan gedragsverandering. De verdachte zou niet over het betreffende delict hebben willen praten en niet gemotiveerd zijn geweest voor behandeling. Wel kwam hij alle afspraken na. Deze zaak betrof echter een compleet ander misdrijf dan in onderhavige strafzaak aan de orde is. Dat het specifieke toezicht en de behandeling destijds niet zou hebben geleid tot gedragsverandering, heeft niet automatisch tot gevolg dat dit bij een volgende toezicht en behandeling hetzelfde zal zijn. Deze omstandigheden zijn ontoereikend om een voorwaardelijk kader als onhaalbaar terzijde te schuiven.
Concluderend maken de motivatie van de verdachte, de hulpvraag voor zijn trauma's, het netwerk dat achter hem staat en de dreiging van het opnieuw gedetineerd kunnen raken bij het overtreden van de voorwaarden, dat het recidiverisico (op korte en langere termijn) voldoende kan worden ingeperkt middels een voorwaardelijk strafdeel met de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden.
De verdediging verzoekt een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest, gecombineerd met een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden. De verdediging heeft geen bezwaar tegen de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden.
Tot slot heeft de verdediging verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte te schorsen. De verdachte zit al lange tijd gedetineerd, heeft woonruimte en de reclassering heeft voorwaarden geformuleerd voor een strafrechtelijk kader.
8.3 Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals op de zitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van [slachtoffer 1] en van [slachtoffer 2] . Bedreigingen vormen een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en roepen bij hen gevoelens van angst en onveiligheid op. Daarnaast heeft de verdachte verschillende verboden wapens, zoals een op een echt vuurwapen gelijkend gasdrukpistool, stroomstootwapens en ploertendoders, in zijn bezit gehad. Zoals bekend veroorzaakt (vuur)wapenbezit een groot risico voor de veiligheid van personen en versterkt het de al bestaande gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Verder heeft de verdachte een hoeveelheid MDMA en LSD in zijn bezit gehad. Het is algemeen bekend dat die verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met: - een uittreksel justitiële documentatie (strafblad) over de verdachte van 16 september 2024; - een schrijven van de Reclassering Nederland van 22 juli 2025, opgesteld door M. Bakker, reclasseringswerker; - reclasseringsadviezen van de Reclassering Nederland van 31 maart 2025 en 7 juli 2025, uitgebracht door M. Bakker, reclasseringswerker; - een psychiatrisch rapport van 31 januari 2025, uitgebracht door C.M. Gouverneur; - een psychologisch rapport van 31 januari 2025, uitgebracht door M. Jager.
De psycholoog en psychiater (hierna tezamen ook wel genoemd: de deskundigen) concluderen dat bij de verdachte sprake is van een zwakbegaafdheid, een psychotische stoornis en een stoornis in cannabisgebruik. De psychotische stoornis en zwakbegaafdheid maken hem bij oplopende stressoren en overvraging kwetsbaar voor decompensatie (uit evenwicht raken) met toename van psychotische denkbeelden. Ten tijde van het ten laste gelegde waren de genoemde stoornissen aanwezig en van invloed op de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte.
Geadviseerd wordt om het onder 1 ten laste gelegde in sterk verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. De psycholoog adviseert om het onder 2 ten laste gelegde in (licht) verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. De psychiater ziet vanuit gedragsdeskundig oogpunt geen argumenten om dit feit verminderd aan de verdachte toe te rekenen. De psychiater adviseert het onder 3 ten laste gelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen omdat aannemelijk is dat de pathologie in ieder geval in enige mate heeft doorgewerkt. De psycholoog onthoudt zich voor het onder 3 ten laste gelegde van een uitspraak over de toerekenbaarheid omdat de verdachte dit feit ontkent. Beide deskundigen adviseren om het onder 4 tot en met 6 ten laste gelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
Het recidiverisico komt voort uit een combinatie van opeenstapeling van stressoren die bij de verdachte leiden tot overvraging en het versterken van psychotische klachten. Het risico op terugval in verbale dreiging met geweld, zonder inzet van interventies, is matig-hoog. Het risico op escalatie van dreiging naar meer gewelddadig gedrag met lichamelijk letsel wordt als beperkt ingeschat. Ondanks dat er een beperkt risico op escalatie wordt gezien, kan dit ook niet geheel uitgesloten worden.
Beschermende factoren zijn in beperkte mate aanwezig. Er zijn in de afgelopen jaren een opeenstapeling van stressoren geweest. De verdachte woont bij en zorgt al lange tijd voor [getuige] De verdachte wordt hiervoor betaald vanuit de WLZ-indicatie. Vanuit het eerder betrokken wijkteam is de aanzegging gedaan dat zij, vanwege zorgen over de kwaliteit van geleverde zorg, mentorschap en bewindvoering voor mevrouw. M. zouden aanvragen, wat voor de verdachte zou betekenen dat hij zijn inkomen en woning kwijt zou kunnen raken. Daarbij is de zorglast voor [getuige] sinds medio 2024 toegenomen en is de eigen fysieke draagkracht van de verdachte afgenomen als gevolg van fysieke klachten.
Verder is de verdachte in januari 2024 gewaarschuwd dat er een dreiging op zijn leven zou zijn. De psycholoog geeft verder aan dat de verdachte, tezamen met psychotische gevoeligheid en gebrekkige probleemoplossing vanuit zwakbegaafdheid, zich sterk is gaan isoleren en zelfzorg en dagstructuur zijn afgenomen. Voor zover bekend is er na zijn (eerdere) detentie geen professionele hulpverlening meer betrokken geweest. Zijn sociale netwerk is beperkt.
De verdachte is zonder hulp van derden niet in staat om de opeenstapeling van stressoren het hoofd te bieden. Tegelijkertijd is hij vanuit achterdocht en cognitieve beperkingen geneigd het zelf op te willen lossen.
Om het recidivegevaar te beperken is het vooral van belang om, naast het stabiliseren van de
psychotische stoornis, in te zetten op factoren die de overvraging (en daaruit volgende
decompensatie) in de hand werken. Daarvoor wordt allereerst een klinische opname geadviseerd. Daarnaast worden ook interventies geadviseerd op het gebied van werk, inkomen en huisvesting. Daarvoor wordt na klinische opname resocialisatie met ondersteuning van een forensisch FACT geadviseerd, waarbij de verdachte ondersteuning krijgt bij maatschappelijke doelen, monitoring van de psychose en begeleiding bij probleemoplossing.
Voornoemde interventies zouden kunnen worden ingezet als bijzondere voorwaarden binnen een voorwaardelijk strafdeel. De verdachte heeft echter aangegeven niet mee te willen werken aan een klinische opname. Althans, hij is ervan overtuigd dat kort na opname in een kliniek geconcludeerd zal worden dat er niets met hem aan de hand is en heeft aangegeven niet te zullen meewerken aan het innemen van bepaalde medicatie. Om die reden zien klinieken opname in een vrijwillig kader, ook als dat tbs met voorwaarden is, niet zitten. Verder ontbreekt bij de verdachte de intrinsieke motivering om mee te werken aan een ambulante behandeling, nu hij hier enkel aan mee wil werken ter voorkoming van een tbs-maatregel.
De deskundigen geven in overweging om de mogelijkheden tot een zorgmachtiging te laten onderzoeken, Een nadeel van verplichte zorg is, is dat deze primair niet gericht is op voorkoming van recidive.
Indien de verdachte feitelijk volhardt bij zijn weigering volledig mee te werken aan een klinische behandeling, dan is een tbs-maatregel met voorwaarden niet haalbaar en rest alleen een tbs-maatregel met dwangverpleging. Hierbij is overwogen dat, gelet op het risicoprofiel waarbij het risico op verbaal geweld op matig-hoog wordt ingeschat, maar het risico op escalatie danwel uitbreiding naar fysiek geweld als beperkt wordt ingeschat, het risico zich niet volledig verhoudt tot de stringentheid van de maatregel.
De reclassering
Uit het rapport van 31 maart 2025 blijkt dat de reclassering zich aansluit bij de bevindingen en conclusies van de deskundigen. In februari 2024 is een eerder opgelegd reclasseringstoezicht afgesloten. Hoewel de verdachte zijn afspraken nakwam, kon er tijdens dit toezicht niet gewerkt worden aan gedragsverandering. De verdachte werd boos zodra er over het delict gesproken werd, was niet ontvankelijk voor forensische behandeling en er kon enkel gekeken worden naar begeleiding op praktische punten in de hoop om stressoren te verminderen. Een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden acht de reclassering daarom niet haalbaar.
Het risico op recidive wordt ingeschat op matig tot hoog. Het risico zal toenemen als er voor de verdachte belangrijke factoren, zoals wonen en inkomen, wegvallen omdat dan het risico op decompensatie toeneemt. Uit het pro Justitia-rapport kwam naar voren dat tbs met voorwaarden het best passende kader zou zijn, maar de verdachte geeft aan niet geheel mee te willen werken aan een klinische opname, wat een noodzakelijke interventie zou zijn om de risico's te verlagen. Het toezeggen mee te zullen werken aan de geadviseerde voorwaarden is van belang om tot een positief advies te komen ten aanzien van de maatregel tbs met voorwaarden. Een klinische opname is nodig om de psychotische klachten te stabiliseren, somatische zorg te verlenen, te werken aan coping en emotie regulatie vaardigheden, het middelengebruik te bekijken en alvast een start te maken aan de maatschappelijke doelen om de stress zo laag mogelijk te houden bij uitstroom.Omdat de verdachte heeft aangegeven niet mee te willen werken aan klinische opname, adviseert de reclassering negatief over tbs met voorwaarden.
In het rapport van 7 juli 2025 adviseert de reclassering negatief over oplegging van tbs met voorwaarden, ondanks de toezegging van de verdachte tijdens de zitting van 30 april 2025 wel mee te werken aan een klinische behandeling. Bij de verdachte is geen sprake van probleembesef of ziekte inzicht of motivatie om tot verandering te komen, waardoor de reclassering de responsiviteit van de verdachte als laag inschat en het risico op onttrekken aan de voorwaarden als hoog. De verdachte is niet intrinsiek gemotiveerd aan de maatregel mee te werken en gaat ervan uit dat de opname maximaal zes maanden zal duren en hij daarna weer voor [getuige] kan zorgen. Hierdoor wordt betwijfeld of de verdachte zich voor langere tijd kan houden aan de voorwaarden als het er niet toe leidt dat hij op korte termijn weer mag wonen bij [getuige] Verder is de verdachte van mening dat een kliniek zal zien dat er niks waar is van het pro Justitia-rapport en hem zal ontslaan. Ingeschat wordt dat er een langer traject nodig zal zijn, eventueel met begeleid wonen volgend op de opname, en hierop ontstaat in het adviesgesprek weerstand. Gezien de zorgen die er waren over de woonsituatie bij [getuige] weet de reclassering niet of het verstandig is hiernaar terug te keren en dat de verdachte weer de zorg op zich zal nemen. Voor de aanhouding van de verdachte waren er bij het sociaal wijkteam zorgen over de situatie. Daarnaast baart de houding van de verdachte de reclassering zorgen. Hij is van mening dat de reclassering dit hem expres aandoet en neemt hierdoor een dreigende houding aan naar de reclassering. Dit getuigt niet van een meewerkende houding die nodig is om uitvoering te geven aan deze maatregel of een ander voorwaardelijk kader.
Mocht de rechtbank toch tbs met voorwaarden willen opleggen dan adviseert de reclassering de voorwaarden zoals deze zijn opgenomen in het rapport.
Uit het schrijven van de reclassering van 22 juli 2025 blijkt dat de verdachte is afgewezen door de [instelling A] , omdat de verdachte niet gemotiveerd is voor behandeling en hij niet openstaat voor anti-psychotische medicatie. Daarnaast is de verdachte door de [instelling B] afgewezen. Omdat de verdachte geen anti-psychotische medicatie wil nemen, kan hij daar niet in een vrijwillig kader worden behandeld.
Bij een veroordeling tot tbs of (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt door de reclassering geadviseerd een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden na de tbs of gevangenisstraf.
De maatregel en straf
TBS-maatregel
De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over en maakt die tot de hare. Hoewel de rechtbank beseft dat tbs met dwang een ingrijpende maatregel is, ziet zij zich in deze zaak genoodzaakt over te gaan tot oplegging daarvan. De rechtbank licht haar oordeel als volgt toe.
Voor het kunnen opleggen van een tbs-maatregel moet aan een aantal vereisten zijn voldaan: - er dient sprake te zijn van een tbs-waardig delict: een misdrijf bedreigd met ten minste vier jaar gevangenisstraf of dat is genoemd in artikel 37a, eerste lid onder 1, Sr; - er dient sprake te zijn van een verdachte bij wie ten tijde van het delict sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens; - de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen vereist het opleggen van de maatregel (gevaarscriterium);
De rechtbank stelt vast dat de onder 1, 2, 3 en 5 bewezen verklaarde feiten misdrijven zijn waarvoor op grond van artikel 37a, eerste lid, Sr, oplegging van de tbs-maatregel mogelijk is. Met betrekking tot de bewezen verklaarde feiten is onderzoek door deskundigen gedaan, die hebben geconstateerd dat ten tijde van het plegen van die feiten sprake was van een zwakbegaafdheid, een psychotische stoornis en een stoornis in cannabisgebruik. De rechtbank rekent deze feiten aan de verdachte (licht) verminderd toe, waarbij de rechtbank het advies van de deskundigen volgt.
Vervolgens ligt de vraag ter beantwoording voor of – ter bescherming van de maatschappij – een tbs-maatregel aangewezen is. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Zij licht dat als volgt toe.
Het risico op terugval in verbale dreiging met geweld, zonder inzet van interventies, is matig-hoog. Het risico op escalatie van dreiging naar meer gewelddadig gedrag met lichamelijk letsel wordt als beperkt ingeschat. Ondanks dat er een beperkt risico op escalatie wordt gezien, kan dit ook niet geheel uitgesloten worden volgens de deskundigen.
Gelet op de adviezen van de deskundigen is een klinische opname noodzakelijk is om de – tot nu toe – onbehandelde problematiek van de verdachte te behandelen en daarmee het risico op recidive te beperken. Verder zijn interventies nodig op het gebied van werk, inkomen en huisvesting. Daarvoor is, na klinische opname, ondersteuning van een forensisch FACT nodig, waarbij de verdachte ondersteuning krijgt bij maatschappelijke doelen, monitoring van de psychose en begeleiding bij probleemoplossing.
De verdachte heeft vanaf het begin af aan aangegeven niet bereid te zijn mee te werken aan een klinische behandeling en geen medicatie te willen innemen. Pas bij de inhoudelijke behandeling van zijn zaak op 30 april 2025 gaf de verdachte aan wel bereid te zijn mee te werken aan een klinische behandeling. Deze bereidheid van de verdachte lijkt enkel ingegeven om het opleggen van een tbs-maatregel met dwangverpleging te vermijden.
Daarbij heeft de verdachte aangegeven dat hij ervan uit gaat dat de opname maximaal zes maanden zal duren en is hij van mening dat een kliniek zal zien dat er niks waar is van het Pro Justitia-rapport en hem zal ontslaan. De verdachte verwacht daarna weer bij [getuige] te kunnen gaan wonen en voor haar te zorgen.
In een eerder opgelegd kader heeft de verdachte zich weliswaar aan de afspraken gehouden en meegewerkt aan begeleiding, maar eveneens geweigerd mee te werken aan behandeling.
De verdachte is in juli 2025 afgewezen door [instelling A] en de [instelling B] omdat hij niet gemotiveerd is voor behandeling en/of niet openstaat voor het innemen van medicatie.
Gelet op het bovenstaande, met name de houding van de verdachte (ook ten aanzien van medicatiegebruik) en de verwachting van de verdachte over het verloop van de klinische behandeling, is niet te verwachten dat de verdachte in voldoende mate zal meewerken aan een klinische behandeling om tot enig resultaat te komen. Het is bovendien niet realistisch te verwachten dat de verdachte na zijn detentie opnieuw naar de woning van [getuige] terug kan keren en de zorg voor haar op zich kan nemen. De verdachte woonde in bij [getuige] en is voor zijn inkomen en woonruimte afhankelijk van de zorg die hij aan [getuige] biedt. Het is echter niet aannemelijk dat [getuige] in haar woning kan blijven wonen gelet op haar verslechterende gezondheid en toenemende zorglast. Daarnaast bestaan er al langer twijfels over de kwaliteit van zorg die de verdachte aan [getuige] geboden heeft. Verder is de fysieke draagkracht van de verdachte afgenomen ten gevolge van zijn fysieke klachten. De kans is dan ook groot dat de verdachte zijn woonruimte en inkomen hoe dan ook zal verliezen.
Het verlies van inkomen en woonruimte zijn stressverhogende factoren die, in combinatie met de onbehandelde problematiek van de verdachte en zijn gebruik van verdovende middelen, de kans op decompensatie zullen vergroten en daarmee de kans op recidive zal verhogen al dan niet met een escalatie naar meer gewelddadig gedrag. De rechtbank weegt daar bij mee dat de problemen die hebben geleid tot de door de verdachte geuite bedreigingen van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde tot op heden nog steeds bestaan en niet opgelost zijn.
Aangever [slachtoffer 1] heeft bovendien in zijn aangifte verklaard dat de verdachte hem op 19 juli 2024 een wapen toonde, een wapen dat hij herkende als een Glock17 (de rechtbank begrijpt dat hiermee een vuurwapen wordt bedoeld). De verdachte laadde dit wapen door en vuurde het af. Op dat moment zat er geen kogel in het wapen. Bij de doorzoeking van de woning van de verdachte zijn meerdere verboden wapens aangetroffen, waaronder een gasdrukpistool dat een sprekende gelijkenis vertoonde met een echt bestaand vuurwapen, namelijk een pistool, merk Glock. De rechtbank vindt het zeer zorgelijk dat de verdachte zich bewapent en kennelijk bereid is dit wapen in het openbaar bij zich te hebben en dit te tonen in een conflictsituatie.
De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, geen mogelijkheden om met bijzondere voorwaarden, gekoppeld aan een voorwaardelijk strafdeel dan wel tbs met voorwaarden, de verdachte een behandeling en begeleiding op te leggen. Het enkel meewerken aan praktische punten en het zich houden aan afspraken is, gelet op de onbehandelde problematiek van de verdachte en zijn gebrek aan ziekte-inzicht en probleembesefbesef, volstrekt onvoldoende om het risico op recidive te beperken. De rechtbank merkt daarbij nog op dat, gelet op de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis zit, er ook geen ruimte meer is voor een voorwaardelijk strafdeel.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een tbs-maatregel met dwangverpleging de enige manier is om de verdachte de noodzakelijke behandeling voor zijn problematiek te geven en het risico op recidive te beperken.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat aan de verdachte voor wat betreft de onder 1, 2, 3 en 5 bewezen verklaarde feiten een tbs-maatregel met dwangverpleging opgelegd dient te worden.
Gemaximeerde tbs
De omstandigheden zoals die uit het dossier naar voren komen en die een rol hebben gespeeld bij het bewezen verklaarde zijn zorgwekkend, maar er was op dat moment geen sprake van gedragingen van de verdachte die onmiskenbaar waren gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen als bedoeld in artikel 38e Sr. Dit brengt met zich dat de termijn van de tbs in beginsel geldt voor de tijd van twee jaar, te rekenen van de dag waarop de rechterlijke uitspraak waarbij zij is opgelegd onherroepelijk is geworden. De termijn van de tbs kan, behoudens het bepaalde in artikel 38e of artikel 38j, door de rechter, op vordering van het openbaar ministerie, telkens of met een jaar of met twee jaar worden verlengd, indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen die verlenging eist. De totale duur van de maatregel van tbs met bevel tot verpleging van overheidswege zal de periode van vier jaar niet te boven gaan.
Gevangenisstraf
De rechtbank legt de verdachte, naast de voornoemde tbs-maatregel, voor het onder feit 1 tot en met 6 bewezen verklaarde een gevangenisstraf op voor de duur van 30 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Voorlopige hechtenis
Omdat de rechtbank een maatregel oplegt die vrijheidsbeneming met zich brengt, zal zij het bevel voorlopige hechtenis niet opheffen en wijst het verzoek daartoe af.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel
De rechtbank zal niet overgaan tot het opleggen van de gevorderde maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het doel en de strekking van deze maatregel is om de samenleving te beschermen tegen daders van zware geweldsdelicten en zedendelicten en ervoor te zorgen dat delinquenten met een hoog recidiverisico met het oog op de veiligheid van de samenleving langdurig – en indien noodzakelijk zelfs levenslang – onder toezicht kunnen blijven staan teneinde dreigende recidive te signaleren. Nu in deze zaak geen sprake is van een zwaar gewelds - of zedendelict, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van de maatregel niet strookt met de bedoeling van de wetgever. In deze zaak ziet zij ook geen redenen om, in weerwil van die bedoeling, toch over te gaan tot oplegging van de maatregel.
De rechtbank acht, gelet ook op de tijd die reeds met de opleggen van de gemaximeerde tbs-maatregel gemoeid zal zijn, een dergelijke maatregel niet proportioneel.
9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
De beslissing berust op de artikelen
zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
10 BESLISSING
De rechtbank:
Bewezenverklaring - verklaart het onder feiten 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld; - verklaart het onder feiten 1, 2, 3, 4, 5 en 6 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid - verklaart het hiervoor bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart de verdachte strafbaar;
Oplegging straf en maatregel - veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 30 dagen; - bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
feiten 1. 2, 3 en 5 - gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld voor de duur van maximaal vier jaren en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd;
Voorlopige hechtenis - wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. van Ommeren, voorzitter, mrs. L.M.M. Heppe en G.K.L. de Wijkerslooth de Weerdesteijn, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 8 augustus 2025.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
1hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 juli 2024 tot en met 4 augustus 2024 te Utrecht , althans in Nederland [slachtoffer 1] heeft bedreigd met - enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen en/of goederen ontstaat, en/of - enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of - zware mishandeling, en/of - brandstichting,door middels Whatsapp meerdere (spraak)berichten naar die [slachtoffer 1] te sturen met onder meer de woorden en/of teksten - "ik slacht je af", - "stop een bom onder je auto en blaas je op", - "snij je tollie er af", en/of - "ga breken je botten alles",althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2hij op of omstreeks 9 september 2024 te Utrecht opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 112,29 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of ongeveer 10 zegels, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende LSD (lysergide), zijnde MDMA en/of LSD (lysergide) (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet )
3hij op of omstreeks 28 februari 2024 te Utrecht , [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
4hij op of omstreeks 9 september 2024 te Utrecht een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een gasdrukpistool heeft voorhanden gehad;( art 13 lid 1 Wet wapens en munitie )
5hij op of omstreeks 9 september 2024 te Utrecht meerdere wapens van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten 2 stroomstootwapens, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht voorhanden heeft gehad;
( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )
6hij op of omstreeks 9 september 2024 te Utrecht , meerdere wapens, van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten 2 ploertendoders, voorhanden heeft gehad;( art 13 lid 1 Wet wapens en munitie )
Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina's van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van voorgeleiding raadkamer van 18 september 2024, genummerd PL0900-2024287216, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 28. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
Pagina 16.
Pagina 17.
Pagina 20.
Pagina 21.
Pagina 10 en 11 p-v van voorgeleiding rechter-commissaris.
Pagina 15 en 16 p-v van voorgeleiding rechter-commissaris.
Pagina 79 en 80 p-v van voorgeleiding rechter-commissaris.
Pagina 94 tot en met 98 p-v van voorgeleiding rechter-commissaris.
Pagina 7 tot en met 9 p-v van voorgeleiding raadkamer.
Pagina 11 tot en met 3 p-v van voorgeleiding raadkamer.
Pagina 14 p-v van voorgeleiding raadkamer.
Pagina 15 p-v van voorgeleiding raadkamer. - - - ## Voetnoten