Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:7553 - Rechtbank Midden-Nederland - 15 augustus 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2025:755315 augustus 2025

Uitspraak inhoud

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16-180444-24 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 15 augustus 2025
in de strafzaak tegen
[verdachte]
    geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats] (Syrië)wonende op de [adres] , [locatie 1] [plaats 1] ,nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting, [plaats 2] , [locatie 2] hierna te noemen: de verdachte.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 augustus 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. S. Mirshahi en van wat verdachte en zijn raadsman mr. A.R. Jaarsma, advocaat in Vinkeveen naar voren hebben gebracht. De rechtbank heeft ook kennis genomen van wat L. van de Sande, klinisch-psycholoog, [A] , medewerker Slachtofferhulp Nederland, namens de benadeelde partij [benadeelde/slachtoffer] , en mr. S.N. de Jager namens de benadeelde partij [slachtoffer 1] , naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 31 mei 2024 in Utrecht:
feit 1 geprobeerd heeft om [slachtoffer 2] te doden door hem meermalen op het hoofd en het lichaam te slaan en, toen hij op de grond lag, tegen het hoofd en de borstkas te schoppen, of (subsidiair) geprobeerd heeft om aan [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, of (meer subsidiair) [slachtoffer 2] heeft mishandeld;
feit 2 [benadeelde/slachtoffer] heeft mishandeld door hem op het hoofd te slaan;
feit 3 [slachtoffer 3] heeft mishandeld door een stuk hout tegen zijn rug en zijn been te gooien;
feit 4 [slachtoffer 3] heeft bedreigd;
feit 5 heeft geprobeerd om aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met een stuk hout in de richting van het hoofd en de nek te slaan en tegen de rug van [slachtoffer 1] te gooien, of (subsidiair) die [slachtoffer 1] heeft mishandeld;
feit 6 heeft geprobeerd om aan [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met een stuk hout in richting van het hoofd en de keel van [slachtoffer 4] te slaan, of (subsidiair) die [slachtoffer 4] heeft mishandeld;
feit 7 een deur van [benadeelde/slachtoffer] en/of [bedrijf] B.V. heeft vernield.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van de verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het onder feiten 1 subsidiair, 2, 3, 4, 5 primair, 6 primair en 7 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder feit 1 primair ten laste gelegde.
4.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder feiten 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. Ten aanzien van de overige ten laste gelegde feiten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.3 Het oordeel van de rechtbank
4.3.1 vrijspraak feit 1 primair, feit 5 primair en feit 6 primair
feit 1 primair
De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat het onder feit 1 primair ten laste gelegde (poging tot doodslag) niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Op grond van de bewijsmiddelen staat vast dat de verdachte meerdere malen op het hoofd en lichaam van [slachtoffer 2] heeft geslagen en, toen die op de grond lag, tegen het hoofd en de borstkas van [slachtoffer 2] heeft geschopt en geslagen.
Dat de verdachte daarbij de intentie (vol opzet) had om [slachtoffer 2] te doden kan niet worden bewezen. De rechtbank kan aan de hand van algemene ervaringsregels ook niet vaststellen dat door de handelingen van de verdachte de aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer 2] zou overlijden. Daarmee kan de rechtbank ook niet vaststellen dat de verdachte die aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard. Er is dus ook geen bewijs dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het doden van [slachtoffer 2] . De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde.
feit 5 primair en feit 6 primair
De rechtbank is van oordeel dat de onder de feiten 5 en 6 primair ten laste gelegde pogingen tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Op grond van de bewijsmiddelen staat vast dat de verdachte met een afgebroken plank richting de nek van [slachtoffer 1] heeft geslagen en de plank vervolgens tegen de rug van [slachtoffer 1] heeft gegooid. Ook heeft de verdachte met de plank richting de keel van [slachtoffer 4] geslagen. Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 4] heeft de slaande beweging kunnen afwenden met de arm.
Dat de verdachte bij zijn handelen (vol) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] kan niet worden bewezen. Dit geldt ook voor voorwaardelijk opzet hierop. De plank waarmee de verdachte heeft geslagen was niet van massief hout. Het was een afgebroken deel van een plank van geperst hout (van een meubel). De rechtbank is van oordeel dat het slaan met of gooien van zo'n voorwerp, naar algemene ervaringsregels, niet leidt tot een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel, ook niet als met de afgebroken zijde van de plank de nek of keel zou worden geraakt. Daarmee kan de rechtbank ook niet vaststellen dat de verdachte die aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard.
De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder feit 5 primair en 6 primair tenlastegelegde.
4.3.2 bewezenverklaring
De rechtbank acht het onder feiten 1 subsidiair, 2, 3, 4, 5 subsidiair, 6 subsidiair en 7 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank grondt deze beslissing op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Als tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring alsnog opgenomen in een aanvulling. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
Bewijsoverweging feit 1 subsidiair
De verdachte heeft [slachtoffer 2] meerdere keren met kracht tegen het hoofd geschopt en met zijn vuist tegen het hoofd geslagen. Toen [slachtoffer 2] op de grond lag, is hij door de verdachte tegen zijn hoofd getrapt en gestompt. Ook heeft de verdachte [slachtoffer 2] aan zijn haren naar zich toegetrokken en vervolgens tegen zijn hoofd gestompt.
Met het herhaaldelijk en met kracht schoppen en slaan tegen het hoofd van [slachtoffer 2] heeft de verdachte, naar algemene ervaringsregels, de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat [slachtoffer 2] daardoor zwaar lichamelijk letsel, zoals hersenletsel, zou oplopen. De doelgerichte handelingen van de verdachte waren naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. Er was daarom sprake van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 2] . Daarmee is het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde (poging zware mishandeling) wettig en overtuigend bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:
  1. subsidiair
op 31 mei 2024 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 2] - meerdere malen op/tegen het hoofd en het lichaam met kracht heeft geslagen en - meerdere malen met kracht (terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag) op/tegen het hoofd en de borstkas heeft geschopt en geslagen
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
op 31 mei 2024 te Utrecht, [benadeelde/slachtoffer] heeft mishandeld door die [benadeelde/slachtoffer] meerdere malen tegen het hoofd te slaan;
3
hij op of omstreeks 31 mei 2024 te Utrecht, [slachtoffer 3] heeft mishandeld door een stuk hout tegen de rug van die [slachtoffer 3] te gooien;
4
hij op of omstreeks 31 mei 2024 te Utrecht, [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door - met een afgebroken stuk hout op die [slachtoffer 3] af te lopen en - die [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen "Blaas mij maar op, haal haar weg ik ga haar vermoorden",
althans gedragingen en woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
5 subsidiair
op 31 mei 2024 te Utrecht [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] met een afgebroken stuk hout tegen de arm te slaan en de rug te gooien;
6 subsidiair
hij op of omstreeks 31 mei 2024 te Utrecht [slachtoffer 4] heeft mishandeld door die [slachtoffer 4] met een afgebroken stuk hout tegen de arm slaan;
7
op 31 mei 2024 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk een deur die geheel [bedrijf] B.V., toebehoorde heeft beschadigd;
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal - en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat onder 1 subsidiair, 2, 3, 4, 5 subsidiair, 6 subsidiair en 7 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:
feit 1 subsidiair
poging tot zware mishandeling;
feit 2, feit 3, feit 5 subsidiair, feit 6 subsidiair
telkens: mishandeling;
feit 4 bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
feit 7 wederrechtelijk een goed dat aan een ander toebehoort beschadigen.

7 STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

7.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt, op basis van het advies van de Pro Justitia-rapporteur, dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
7.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ook verzocht om ontslag van alle rechtsvervolging.
7.3 Het oordeel van de rechtbank
Over de verdachte is op 22 april 2025 een Pro Justitia-rapport uitgebracht door deskundige psychiater L.W. Schallenberg. Het rapport houdt, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende in.
Bij verdachte is sprake van een bipolaire I stoornis. De stoornis is chronisch en was aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde; de verdachte verkeerde toen in een manisch psychotische decompensatie.
De stoornis beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde. Het ging al langere tijd niet goed met hem, waarbij hij in toenemende mate manisch-psychotisch decompenseerde. Er was sprake van een euforische stemming afgewisseld met forse prikkelbaarheid, verhoogde activiteit, verminderde slaapbehoefte, ontremming, een hyperfocus op de huidige situatie in Gaza met akoestische en visuele hallucinaties en betrekkings - en paranoïde wanen.
Op de dag van de ten laste gelegde feiten was de verdachte ernstig verward en angstig, had hij forse hallucinaties en wanen, betrok hij alles op zichzelf en is hij, gedreven door psychotische symptomen waarbij hij overtuigd was dat anderen hem wilden vermoorden, mensen gaan aanvallen. De agitatie en angst, voortkomend uit de psychotische klachten, de verhoogde activiteit en het verstoorde oordeelsvermogen waarbij hij dacht zich te moeten verdedigen tegen anderen die hem zouden gaan vermoorden komen allen voort uit de toen aanwezige manisch-psychotische episode in het kader van zijn bipolaire 1 stoornis.
Het is aannemelijk dat het denken en handelen van de verdachte volledig samenhing met de manisch-psychotische symptomen en daaruit te verklaren valt. De deskundige vindt het aannemelijk dat de verdachte volledig beperkt was in zijn wilsvrijheid en dus niet vrij was andere keuzes te maken. De deskundige adviseert daarom het ten laste gelegde niet aan de verdachte niet toe te rekenen.
De kans dat de verdachte, indien hij geen verdere behandeling of begeleiding krijgt, in de komende periode tot gewelddadig handelen zal komen wordt ingeschat als hoog. Het risico wordt wel beduidend verlaagd wanneer de verdachte adequaat wordt behandeld en medicatietrouw is. De deskundige adviseert verder om de mogelijkheden voor verplichte zorg op basis van een zorgmachtiging te onderzoeken
De rechtbank neemt de conclusies van de deskundige over. De rechtbank stelt op basis van deze rapportage vast dat er ten tijde van het bewezen verklaarde bij de verdachte sprake was van een psychische stoornis. De staat waarin de verdachte vanuit die stoornis verkeerde (manisch psychotische decompensatie) had op dat moment een duidelijke en allesbepalende invloed op zijn gedragskeuzes en gedragingen. Het causaal verband tussen het bewezen verklaarde en de psychische toestand van de verdachte is dan ook voldoende aannemelijk.
De rechtbank is daarom van oordeel dat het bewezen verklaarde in het geheel niet aan de verdachte kan worden toegerekend en dat hij vanwege die volledige ontoerekeningsvatbaarheid niet strafbaar is. De rechtbank zal de verdachte daarom voor het bewezen verklaarde ontslaan van alle rechtsvervolging. Dat heeft tot gevolg dat de rechtbank niet meer toekomt aan de vraag of aan de verdachte een straf moet worden opgelegd.
Het verzoekschrift van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging is gelijktijdig met deze strafzaak behandeld. In de beschikking die de rechtbank tegelijk met dit vonnis wijst, wordt dat verzoek toegewezen en de zorgmachtiging verleend.
Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven. De opheffing van de voorlopige hechtenis betekent niet dat verdachte vrij zal komen. Gelet op de verleende zorgmachtiging kan de verdachte gedetineerd blijven tot aan het moment dat hij in een geschikte kliniek wordt geplaatst.[1]

8 BENADEELDE PARTIJEN

[benadeelde/slachtoffer]
heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 450, - bestaande uit immateriële schade, ten gevolge van het aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde feit.
[slachtoffer 1]
heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 1.500, - bestaande uit immateriële schade, ten gevolge van het aan de verdachte onder 5 ten laste gelegde feit.
[slachtoffer 4]
heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van
€ 300, - bestaande uit immateriële schade, ten gevolge van het aan de verdachte onder 6 ten laste gelegde feit.
8.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen van de benadeelde partijen geheel toe te wijzen, met daarbij de gevorderde wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de vorderingen van de benadeelde partijen niet betwist en heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging heeft verzocht om aan de (eventueel) op te leggen schadevergoedingsmaatregel geen gijzeling te verbinden.
8.3 Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op basis van de door de benadeelde partijen [benadeelde/slachtoffer] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] gegeven onderbouwing vast dat de benadeelde partijen als gevolg van de hiervoor onder respectievelijk 2, 5 subsidiair en 6 subsidiair bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade hebben geleden. Het lichamelijk letsel dat zij hebben opgelopen vormt de grondslag voor toewijzing van (een deel van) de vorderingen.
[benadeelde/slachtoffer]
is door de verdachte meerdere keren in zijn gezicht geslagen toen hij een ander wilde helpen die door de verdachte werd mishandeld. [benadeelde/slachtoffer] heeft hierdoor (licht) letsel opgelopen aan zijn gezicht en heeft een week lang last gehad van hoofdpijn en duizeligheid. Ook geeft hij aan dat hij angst ervaart en lange tijd nauwelijks naar buiten durfde. De rechtbank vindt dat aannemelijk gelet op het onverhoedse karakter en de hevigheid van het geweld in combinatie met het gegeven dat dit direct voor de deur van de woning van [benadeelde/slachtoffer] plaatsvond.
De rechtbank stelt de immateriële schade naar billijkheid vast op € 450, - en zal de vordering van de benadeelde partij tot dat bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2024 tot de dag van volledige betaling.
[slachtoffer 1]
is, uit het niets, door de verdachte aangevallen met een plank. [slachtoffer 1] heeft door het handelen van verdachte letsel opgelopen, bestaande uit kneuzingen aan de rug, rechterarm en pink van de rechterhand. De huisarts beschrijft dat er daarnaast sprake is van een stressreactie waarvoor mogelijk EMDR-therapie nodig zal zijn. [slachtoffer 1] heeft hiervoor, zo blijkt uit de onderbouwing van de vordering, een intakegesprek gehad bij een behandelaar.
De rechtbank stelt de immateriële schade naar billijkheid vast op € 750, - en zal de vordering van de benadeelde partij tot dat bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2024 tot de dag van volledige betaling.
De rechtbank verklaart [slachtoffer 1] in de rest van zijn vordering niet-ontvankelijk omdat onvoldoende is gebleken dat hij daadwerkelijk is behandeld voor de stressreactie (en dat behandeling dus nodig was). Daarnaast kan op basis van de beschikbare stukken (visitekaartje met daarop drie handgeschreven data, zonder vermelding van jaartal) niet worden vastgesteld dat de afspraken bij de fysiotherapeut verband houden met het letsel dat hij opliep als gevolg van het handelen van de verdachte.
[slachtoffer 4]
werd, zonder aanleiding, door de verdachte geslagen met een plank toen hij hem benaderde. [slachtoffer 4] verzoekt om schadevergoeding vanwege letsel aan zijn knie en hals. De rechtbank kan dat letsel niet relateren aan de bewezen verklaarde mishandeling, omdat dat letsel niet het gevolg is geweest van het slaan met de plank op de arm van [slachtoffer 4] . Wanneer dit het letsel aan de knie en hals is ontstaan is, zoals [slachtoffer 4] heeft opgeschreven in een proces-verbaal, onduidelijk. Dit is mogelijk ontstaan tijdens de aanhouding van de verdachte en staat daarmee in onvoldoende rechtstreeks verband met het bewezen verklaarde feit. [slachtoffer 4] is in zoverre niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot schadevergoeding.
Wel is de rechtbank gebleken dat [slachtoffer 4] door het slaan met de plank een schaafverwonding aan zijn rechter onderarm heeft opgelopen. Daarvoor stelt de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid vast op € 50, - en zal de vordering van de benadeelde partij tot dat bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2024 tot de dag van volledige betaling.
Deels niet-ontvankelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4]
[slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] hebben meer gevorderd dan wordt toegewezen. De rechtbank acht het meer gevorderde zonder nadere stukken niet voldoende onderbouwd. De behandeling van de vorderingen leveren voor het overige deel van de gevorderde immateriële schade een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] in dat deel van de vorderingen niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vorderingen voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht.
Kosten
De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partijen aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van de in het dictum te noemen bedragen. Bij niet betaling steeds bij elke vordering aan te vullen met het daarachter vermelde aantal dagen gijzeling. De rechtbank ziet in de ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte geen aanleiding de gijzeling geheel achterwege te laten. De schadevergoedingsmaatregel is niet bedoeld als straf. Bij oplegging van een maatregel speelt, anders dan bij een straf, de mate van verwijtbaarheid geen rol. Bovendien wordt bij de tenuitvoerlegging van de maatregel rekening gehouden met draagkracht. Gijzeling wordt namelijk niet toegepast als de veroordeelde aannemelijk maakt dat hij niet in staat is te voldoen aan de verplichting tot betaling.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 57, 285, 300, 302, 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:
Vrijspraak - verklaart het onder 1 primair, 5 primair en 6 primair ten laste gelegde niet bewezen en
spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring - verklaart het onder 1 subsidiair, 2, 3, 4, 5 subsidiair, 6 subsidiair en 7 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld; - verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde niet strafbaar enontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;
Voorlopige hechtenis - heft op het bevel tot voorlopige hechtenis;
Benadeelde partijen
[benadeelde/slachtoffer] feit 2
[slachtoffer 1] feit 5 subsidiair
[slachtoffer 4] feit 6 subsidiair
Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.M. Heppe, voorzitter, mrs. K. de Meulder en
S.T. Könning, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 augustus 2025.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 31 mei 2024 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven die [slachtoffer 2] - een of meerdere malen op/tegen het hoofd en/of het lichaam met kracht heeft geslagen en/of - een of meerdere malen met kracht (terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag) op/tegen het hoofd en/of de borstkas, althans op/tegen het lichaam heeft geschopt
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 31 mei 2024 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 2] - een of meerdere malen op/tegen het hoofd en/of het lichaam met kracht heeft geslagen en/of - een of meerdere malen met kracht (terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag) op/tegen het hoofd en/of de borstkas, althans op/tegen het lichaam heeft geschopt en/of geslagen
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 31 mei 2024 te Utrecht, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] - tegen het lichaam te duwen en/of - een of meerdere malen tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of - een of meerdere malen (terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag) op/tegen het hoofd en/of de borstkas, althans op/tegen het lichaam te schoppen;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 31 mei 2024 te Utrecht, [benadeelde/slachtoffer] heeft mishandeld door die [benadeelde/slachtoffer] een of meerdere malen tegen het hoofd te slaan;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
3
hij op of omstreeks 31 mei 2024 te Utrecht, [slachtoffer 3] heeft mishandeld door een stuk hout tegen de rug en/of het been, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer 3] te gooien;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
4
hij op of omstreeks 31 mei 2024 te Utrecht, [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door - met een afgebroken stuk hout op die [slachtoffer 3] af te lopen en/of - die [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen "Blaas mij maar op, haal haar weg ik ga haar vermoorden"
althans gedragingen en/of woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
5
hij op of omstreeks 31 mei 2024 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen - met een afgebroken stuk hout met kracht richting het hoofd en/of de nek en/of nek van die [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of - met een afgebroken stuk hout met kracht tegen de rug van die [slachtoffer 1] heeft gegooid
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 31 mei 2024 te Utrecht [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] een of meerdere malen met een afgebroken stuk hout tegen de arm en/of rug te slaan en/of te gooien;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
6
hij op of omstreeks 31 mei 2024 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen - een afgebroken stuk hout met kracht richting het hoofd en/of de keel van die [slachtoffer 4] heeft geslagen
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 31 mei 2024 te Utrecht [slachtoffer 4] heeft mishandeld door die [slachtoffer 4] met een afgebroken stuk hout tegen de arm slaan;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
7
hij op of omstreeks 31 mei 2024 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk een deur, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde/slachtoffer] en/of [bedrijf] B.V., in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;
( art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
Zie artikel 9, tweede lid, aanhef en onder h. van de Penitentiaire beginselenwet. - - - ## Voetnoten
Zie artikel 9, tweede lid, aanhef en onder h. van de Penitentiaire beginselenwet.