Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:7543 - Rechtbank Midden-Nederland - 28 oktober 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2025:754328 oktober 2025

Uitspraak inhoud

Strafrecht
Zittingsplaats: Utrecht
Parketnummers: 16/122541-25, 16/146731-24 (t.t.z. gevoegd), 16/310167-24 (t.t.z. gevoegd) & 16/236060-24 (t.t.z. gevoegd)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudig kamer van 28 oktober 2025 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,
gedetineerd in de justitiële jeugdinrichting [verblijfplaats] ,
hierna: [verdachte] .

1 Zitting

De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 14 oktober 2025.
Op de zitting waren aanwezig:

2 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:
In de zaak met parketnummer 16/146731-24 (zaak 1)
feit 1
op 6 oktober 2023 in Utrecht de fiets van [aangever 1] heeft vernield;
feit 2
op 30 oktober 2023 in Utrecht [aangever 1] heeft mishandeld;
In de zaak met parketnummer 16/236060-24 (zaak 2)
feit 1
in de periode van 1 juni 2024 tot en met 2 juni 2024 in Vleuten opzettelijk wederrechtelijk een snorfiets van [aangever 2] heeft bestuurd op de weg (joyriding);
In de zaak met parketnummer 16/310167-24 (zaak 3)
feit 1
op 6 september 2024 in Utrecht samen met anderen heeft geprobeerd een rugtas af te persen van [aangever 3] (primair), dan wel dat hij samen met anderen heeft geprobeerd met geweld die rugtas te stelen (subsidiair);
feit 2
op 6 september 2024 in Utrecht samen met anderen een rugtas en oordopjes heeft afgeperst van [aangever 4] (primair), dan wel dat hij samen met anderen die rugtas en oordopjes met geweld heeft gestolen (subsidiair);
feit 3
op 12 oktober 2024 in Utrecht [slachtoffer 1] heeft mishandeld;
feit 4
op 12 oktober 2024 in Utrecht [slachtoffer 1] heeft bedreigd;
In de zaak met parketnummer 16/122541-25 (zaak 4)
feit 1
in de periode van 5 april 2025 tot en met 18 april 2025 in Schiedam, Maasbergen en/of Zeist, samen met anderen, de moord, de doodslag en/of de zware mishandeling (met voorbedachten rade) op [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft voorbereid;
feit 2
in de periode van 5 april 2025 tot en met 18 april 2025 in Schiedam, Maasbergen en/of Zeist [slachtoffer 2] (indirect) heeft bedreigd;
feit 3
in de periode van 15 april 2025 tot en met 18 april 2025 in Maasbergen en/of Zeist [slachtoffer 3] (indirect) heeft bedreigd;
feit 4
op 18 april 2025 te Schiedam en/of Zeist samen met anderen een machete en/of een kapmes voorhanden heeft gehad.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in de bijlage bij dit vonnis.

3 Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat [verdachte] alle elf ten laste gelegde feiten heeft gepleegd, met dien verstande dat niet kan worden bewezen dat [verdachte] voorbereidingshandelingen heeft gepleegd om [slachtoffer 3] iets aan te doen (feit 1 van zaak 4). Ook kan volgens de officier van justitie niet worden bewezen dat de poging tot afpersing van [aangever 3] (feit 1 van zaak 3) samen met anderen is uitgevoerd.
3.2 Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat alle ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen, behalve de voorbereidingshandelingen om [slachtoffer 2] of [slachtoffer 3] te vermoorden, te doden of zwaar te verwonden (feit 1 van zaak 4). Verder wordt aangevoerd dat bij feit 1 van zaak 1 uitsluitend kan worden bewezen dat [verdachte] de fiets van [aangever 1] onbruikbaar heeft gemaakt, en niet dat hij de fiets heeft vernield. Verder merkt de verdediging op dat er voor de feiten 1 en 2 van zaak 3 weliswaar wettig bewijs is voor bedreiging met het mes, maar dat voor dit aspect, vanwege gebrek aan overtuiging, moet worden vrijgesproken gelet op de stellige ontkenning van [verdachte] dat hij een mes bij zich had.
3.3. Oordeel van de rechtbank
Zaak 1 (16/146731-24): het onbruikbaar maken van de fiets en de mishandeling van [aangever 1]
Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat beide feiten van zaak 1 zijn bewezen. [verdachte] bekent dat hij deze feiten heeft gepleegd en voor deze feiten is ook niet om vrijspraak gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank de inhoud van de bewijsmiddelen niet op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen[1] waarop zij haar oordeel baseert: - de verklaring van [verdachte] op de terechtzitting; - het proces-verbaal van de aangifte van [aangever 1] .[2]
Overweging ten aanzien van feit 1
Uit de verklaring van [verdachte] en de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] de ventielen uit de fiets van [aangever 1] heeft verwijderd en daarmee de fiets onbruikbaar heeft gemaakt. De rechtbank vindt niet bewezen dat [verdachte] de fiets heeft omgegooid of (op andere wijze) heeft vernield en spreekt hem van dat deel van de tenlastelegging van feit 1 vrij.
Zaak 2 (16/236060-24): joyriding op de snorfiets van zijn moeder
Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat het feit van zaak 2 is bewezen. [verdachte] bekent dat hij dit feit heeft gepleegd en hiervoor is ook niet om vrijspraak gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank de inhoud van de bewijsmiddelen niet op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen[3] waarop zij haar oordeel baseert: - de verklaring van [verdachte] op de terechtzitting; - het proces-verbaal van de aangifte van [aangever 2] .[4]
Zaak 3 (16/310167-24)
Bewijsmiddelen feit 1, primair en feit 2, primair: (poging tot) afpersing in vereniging van [aangever 3] en [aangever 4]
      <footnoteReference id="_608eab68-b664-492c-9088-7244360f13cf">[5]</footnoteReference>
Op basis van de volgende bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat [verdachte] feit 1, primair en feit 2, primair van zaak 3 heeft gepleegd.
Het proces-verbaal van de aangifte namens [aangever 3] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 6 september 2024 liep ik van school naar huis, via het fietspad langs de Venuslaan in Utrecht. Ik zag dat twee jongens van school naar mij toe kwamen. Dit waren [medeverdachte] en [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ). [verdachte] nam het woord en duwde mij naar de brug. Onder de brug kwam hij voor mij staan en zei [verdachte] tegen mij dat ik mijn tas aan hem moest geven. Ik zei tegen hem dat ik dat niet ging doen. [verdachte] zei dat nog een keer. Ik zag dat hij zijn jas een stukje omhoog deed en zag dat hij een mes in zijn broek had zitten. [verdachte] zei toen "als je het niet geeft dan steek ik je neer". Ik zag dat [medeverdachte] achter [verdachte] stond. Hij hield de mensen een beetje tegen en zei elke keer tegen [verdachte] "pak zijn telefoon, pak zijn telefoon". Ik zei dat ik niks aan hem ging geven. Ik ben toen doorgelopen. Ik zag dat een stuk achter mij nog een jongen liep. Ik zag dat dit [aangever 4] (de rechtbank begrijpt: aangever [aangever 4]) was. Ik zag nog dat [verdachte] en [medeverdachte] hem aanspraken.[6]
Het proces-verbaal van de aangifte door [aangever 4] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op vrijdag 9 september 2024 (de rechtbank begrijpt: vrijdag 6 september 2024) kwam ik uit school en liep ik op het fietspad langs de Venuslaan in Utrecht. Ongeveer 100 meter voor mij liep mijn klasgenoot [aangever 3] (de rechtbank begrijpt: aangever [aangever 3]). Ik zag dat er twee jongens vanaf tegengestelde richting naar [aangever 3] toe fietsten, vlak voor hem stopten en van hun fiets af stapten. Ik zag dat beide jongens weer op hun fietsen stapten.
Ik zag dat jongen 1 opeens naast mij stopte. Ik hoorde jongen 1 onder andere het volgende tegen mij zeggen: 'Ik ga je kanker doodsteken' en 'Ik ga je kankermoeder doodsteken'. Ik hoorde hem zeggen dat ik met hem moest meelopen naar de brug. Ik liep meteen met hem mee, omdat ik dacht dat als ik zou wegrennen de jongens mij op hun fietsen makkelijk konden inhalen en dan zouden doodsteken. Toen ik met jongen 1 naar het viaduct liep zag ik dat er een derde jongen kwam aanfietsen, die ik hierna jongen 3 zal noemen. Toen wij bij het viaduct stonden hoorde ik jongen 3 tegen mij zeggen 'Geef me je telo'. Daarmee bedoelde hij telefoon. Ik hoorde hem ook zeggen: 'Heb je geld in je hoesje'. Ik hoorde jongen 1 tegen mij zeggen dat ik mijn tas aan hem moest geven. Ik zag dat hij op datzelfde moment zijn jas iets omhoog trok en zijn broek iets naar beneden. Ik zag dat er een voorwerp tussen zijn broeksband en onderbroek in zat. Ik dacht dat het rode het handvat was van een schroevendraaier of een mes, in ieder geval iets van een steekwapen. Ik hoorde hem daarbij zeggen: 'Je hebt 3 seconden om je tas aan mij te geven anders steek ik je dood'. Ik schrok daarvan en gaf mijn tas meteen aan jongen 1. Jongen 1 stond op dat moment vlak voor mij. Ik zag dat hij zijn linkerarm ophief en mij opzettelijk en met kracht met zijn vlakke linkerhand tegen mijn rechterwang sloeg. Ik voelde dat dit pijn deed. Door de klap viel mijn JBL oortje uit mijn oor. Ik hoorde jongen 1 aan mij vragen waar het andere oortje was. Ik antwoordde dat die in mijn tas zat. Ik zag dat jongen 1 mijn JBL oortje van de grond pakte en in zijn rechter zak stopte. Ik zag dat hij mijn rugtas op zijn eigen rug deed. Ik hoorde hem tegen mij zeggen: 'Als je snitcht, steek ik je dood'. Ik zag dat hij op zijn fiets stapte en wegfietste en dat jongen 2 en 3 met hem meefietsten.[7]
Het proces-verbaal van het verhoor van [verdachte] bij de rechter-commisaris op 30 september 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik ben naar [aangever 3] gelopen en heb met hem gesproken, [medeverdachte] stond achter mij. Daarna zijn we naar [aangever 4] gelopen. Ik heb [aangever 4] geslagen. We hebben de tas van [aangever 4] daarna in het water gegooid.[8]
Het proces-verbaal van het verhoor van [medeverdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik heb gehoord dat [verdachte] tegen [aangever 3] en later tegen [aangever 4] zei dat ze hun tas moesten afgeven en dat hij ze anders zou neersteken. [verdachte] had ook een mes bij zich.[9]
Bewijsmiddelen feit 3 en 4: mishandeling en bedreiging van [slachtoffer 1]
      <footnoteReference id="_e33cf7f4-6bea-4457-b817-d5c2060757a2">[10]</footnoteReference>
De rechtbank oordeelt dat de feiten 3 en 4 van zaak 3 zijn bewezen. [verdachte] bekent dat hij deze feiten heeft gepleegd en hiervoor is ook niet om vrijspraak gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank de inhoud van de bewijsmiddelen niet op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: - de verklaring van [verdachte] op de terechtzitting; - het proces-verbaal van de aangifte van [slachtoffer 1] ;[11] - het proces-verbaal van het verhoor van getuige [getuige] .[12]
Zaak 4 (16/122541-25)
Vrijspraak feit 1 (voorbereidingshandelingen moord, doodslag dan wel zware mishandeling van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ) en feit 2 (bedreiging [slachtoffer 2] )
De rechtbank acht de feiten 1 en 2 van zaak 4 niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij.
Onder feit 1 is ten laste gelegd dat [verdachte] de moord, doodslag of zware mishandeling op [slachtoffer 2] heeft voorbereid, waarbij de aanleiding zou zijn dat [slachtoffer 2] [verdachte] 's vriend [C] heeft mishandeld. Uit het dossier volgt dat [verdachte] op 4 april 2025 aan [C] heeft gestuurd "we gaan die [slachtoffer 2] doodmaken" en " [slachtoffer 2] s dood neef", wat onder feit 2 ten laste is gelegd. [verdachte] heeft vervolgens een plan gemaakt om een machete te kopen en stuurde dit op 17 april 2025 aan [C] , met de opmerking dat ze "gelijk daarna naar [slachtoffer 2] " konden. Op 18 april 2025 heeft hij het eerste deel van dat plan uitgevoerd, door weg te lopen bij de gesloten inrichting, naar Schiedam te reizen en daar een machete te kopen. [verdachte] is vervolgens met de machete aangehouden in Zeist, niet ver van het werk van [slachtoffer 2] .
Hoewel dit belastend bewijs is, oordeelt de rechtbank dat onvoldoende duidelijk is dat [verdachte] in Zeist was om [slachtoffer 2] iets aan te doen. [C] woont namelijk ook in de buurt van de plek waar [verdachte] en zijn vrienden zijn aangehouden en [verdachte] kan dus een andere reden hebben gehad om in Zeist te zijn geweest, zoals [verdachte] en zijn vrienden verklaren. Bovendien is het tijdverloop tussen de chat "we gaan [slachtoffer 2] doodmaken" op 4 april en de gestelde uitvoering van dat plan op 18 april zo groot, dat niet zonder meer kan worden bewezen dat [verdachte] – die, zo blijkt ook uit het dossier, vrij makkelijk de woorden in de mond neemt dat hij iemand gaat neersteken – met de machete daadwerkelijk opzet had op het criminele doel van de moord, de doodslag of mishandeling van [slachtoffer 2] .
Onder feit 1 is ook ten laste gelegd dat [verdachte] de moord, doodslag of zware mishandeling op [slachtoffer 3] heeft voorbereid. Uit het dossier volgt dat [verdachte] op 15 april 2025 bedreigende berichten naar [slachtoffer 3] heeft gestuurd, waarin hij onder andere aangeeft dat [slachtoffer 3] een keer gestoken gaat worden. De rechtbank is, net als de officier van justitie en de advocaat, van oordeel dat ook ten aanzien van [slachtoffer 3] geldt dat het onvoldoende duidelijk is dat [verdachte] in Zeist was om [slachtoffer 3] iets aan te doen.
Onder feit 2 zijn de hiervoor genoemde chats aan [C] ten laste gelegd als bedreigingen aan [slachtoffer 2] . Voor een bewezenverklaring van de indirecte bedreigingen is vereist dat het (voorwaardelijke) opzet van [verdachte] erop gericht was dat [slachtoffer 2] op de hoogte zou raken van de inhoud van de chats. Daarvoor is ten minste nodig dat er een aanmerkelijke kans was dat [slachtoffer 2] hiervan op de hoogte zou raken, dat [verdachte] zich bewust was van die aanmerkelijke kans en dat [verdachte] die aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard. Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat het de bedoeling van [verdachte] was dat [slachtoffer 2] op de hoogte zou raken van de inhoud van de chats en ook niet dat er een aanmerkelijke kans was dat dit zou gebeuren. Er was geen aanleiding voor [C] om die berichten naar [slachtoffer 2] te sturen en [C] heeft dat ook niet gedaan. De berichten zijn pas aan het licht gekomen toen de politie de telefoon van [C] onderzocht. Met de kans daarop hoefde [verdachte] geen rekening te houden, laat staan dat hij die heeft aanvaard. Wanneer de verdachte geen opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, op het ter kennis komen van de bedreiging bij het slachtoffer, kan ook geen opzet op de bedreiging zelf worden aangenomen.
Bewijsmiddelen feit 3 (bedreiging [slachtoffer 3] ) en feit 4 (bezit machete)
De rechtbank oordeelt dat de feiten 3 en 4 van zaak 4 zijn bewezen. [verdachte] bekent dat hij deze feiten heeft gepleegd en hiervoor is ook niet om vrijspraak gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank de inhoud van de bewijsmiddelen niet op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen[13] waarop zij haar oordeel baseert: - de verklaring van [verdachte] op de terechtzitting; - het proces-verbaal van bevindingen van onderzoek aan een iPhone 11;[14] - het proces-verbaal van bevindingen van het aantreffen van de machete;[15] - het proces-verbaal van de categorisering van de machete.[16]
3.4. Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :
In de zaak met parketnummer 16/146731-24 (zaak 1)
feit 1
      op 6 oktober 2023 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk een fiets die geheel aan [aangever 1] toebehoorde, onbruikbaar heeft gemaakt;
feit 2
      op 30 oktober 2023 te Utrecht [aangever 1] heeft mishandeld door die [aangever 1] - meerdere keren te trappen tegen het hoofd en het lichaam en - meerdere keren te slaan tegen het hoofd;
In de zaak met parketnummer 16/236060-24 (zaak 2)
te Vleuten, gemeente Utrecht in de periode van 1 juni 2024 tot en met 2 juni 2024 opzettelijk wederrechtelijk een motorrijtuig (een zwarte La Souris snorfiets), toebehorende aan [aangever 2] , als bestuurder heeft gebruikt op de weg;
In de zaak met parketnummer 16/310167-24 (zaak 3)
feit 1, primair
op 6 september 2024 te Utrecht tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever 3] te dwingen tot de afgifte van een (rug)tas die geheel aan die [aangever 3] toebehoorde, tegen die [aangever 3] heeft gezegd "Geef je tas" en "Als je het niet geeft, dan steek ik je neer" en daarbij een op een mes gelijkend voorwerp heeft getoond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2, primair
op 6 september 2024 te Utrecht tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [aangever 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een (rug)tas en oordopjes die geheel aan die [aangever 4] toebehoorden door - die [aangever 4] mee te nemen onder een brug, - tegen die [aangever 4] te zeggen "Ik ga je kanker doodsteken" en "Geef je tas" en "Je hebt 3 seconden om je tas aan mij te geven, anders steek ik je dood", - daarbij aan die [aangever 4] een op een mes gelijkend voorwerp te tonen, en - die [aangever 4] tegen zijn wang te slaan;
feit 3
op 12 oktober 2024 te Utrecht [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] meermalen tegen het gezicht te slaan en/of te stompen;
feit 4
op 12 oktober 2024 te Utrecht [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "Je gaat zien. Wacht maar tot ik je weer zie, ik ga je neersteken. Of ik steek je neer of mijn vrienden steken je neer. Ik schiet je neer of mijn vrienden schieten jou neer" en "Als ik jou nog een keer zie ga ik jou neersteken of neerschieten. Laat mij het niet doen.";
In de zaak met parketnummer 16/122541-25 (zaak 4)
feit 3
      op of omstreeks 15 april 2025 te Maarsbergen en/of Zeist, althans in Nederland, [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 3] in een snapchat gesprek dreigend de woorden toe te voegen "je gaat sws voor dit 1 keer gestoken worden neef" en "jij gaat geschoten worden neef";
feit 4
      op 18 april 2025 te Schiedam en/of Zeist, terwijl hij de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, op de openbare weg een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een machete, voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid

4.1 Kwalificatie
    De bewezenverklaarde feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
In de zaak met parketnummer 16/146731-24 (zaak 1):
feit 1: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken;
feit 2: mishandeling;
In de zaak met parketnummer 16/236060-24 (zaak 2):
overtreding van artikel 11 van de Wegenverkeerswet 1994;
In de zaak met parketnummer 16/310167-24 (zaak 3):
feit 1, primair: poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 2, primair: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 3: mishandeling;
feit 4: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of bedreiging met zware mishandeling;
In de zaak met parketnummer 16/122541-25 (zaak 4):
feit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
feit 4: handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
4.2 Strafbaarheid feiten en [verdachte]
    De feiten en [verdachte] zijn strafbaar.

5 Straf en maatregel

5.1. Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de rechtbank als maatregel oplegt dat [verdachte] wordt geplaatst in een inrichting voor jeugdigen (hierna: de PIJ-maatregel). De officier van justitie eist daarnaast dat de rechtbank [verdachte] veroordeelt tot een jeugddetentie van 269 dagen met aftrek van het voorarrest. Daarmee beoogt de officier van justitie dat de jeugddetentie net zo lang duurt als het voorarrest tot aan deze uitspraak heeft geduurd.
5.2. Standpunt van de verdediging
De advocaat van [verdachte] voert aan dat moet worden volstaan met een voorwaardelijke
PIJ-maatregel, met daaraan gekoppeld de voorwaarden van op gedragsverandering gerichte behandeling.
5.3. Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan [verdachte] een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op en jeugddetentie van 6 maanden met aftrek van het voorarrest.
Bij het bepalen van deze straf en maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde strafbare feiten en de omstandigheden waaronder [verdachte] deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
[verdachte] heeft een reeks van strafbare feiten gepleegd, waarvan een aantal ernstig zijn. Hij heeft op klaarlichte dag een straatroof en een poging daartoe gepleegd, waarbij schoolgenoten het slachtoffer waren. Hierbij heeft [verdachte] een mes getoond en geweld gebruikt. Hij heeft andere schoolgenoten mishandeld en bedreigd. Nadat hij is weggelopen van de gesloten instelling waar hij moest verblijven, heeft hij een machete, een groot mes, bij zich gehad. Tot slot heeft hij een fiets onbruikbaar gemaakt en heeft hij aan joyriding gedaan op de bromfiets van zijn moeder.
Het is niet duidelijk geworden waarom [verdachte] deze misdrijven heeft begaan. Vaak lijkt de aanleiding futiel te zijn en te bestaan uit een onenigheid op school. Dat dit vervolgens steeds tot geweld en dreiging daarmee leidde, moet voor de schoolgenoten van [verdachte] heel beangstigend zijn geweest. De rechtbank rekent dit [verdachte] aan.
Persoonlijke omstandigheden van [verdachte]
heeft geen gemakkelijk leven gehad. Al op heel jonge leeftijd was zijn thuissituatie onstabiel en onveilig en [verdachte] krijgt al lang verschillende vormen van hulp voor complexe gedragsproblemen.
[verdachte] is onderzocht door een psycholoog en psychiater. Zij beschrijven dat hij een ernstige normoverschrijdende gedragsstoornis heeft, met beperkte pro-sociale emoties. Hij is opgegroeid in afwezigheid van zijn ouders (door gedragsproblemen kon hij al vanaf jonge leeftijd niet meer bij zijn moeder en stiefvader wonen), heeft problemen met onderwijs en geletterdheid en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. De psycholoog en de psychiater beschrijven dat de stoornis van [verdachte] van invloed is op wat hij doet. Zij hebben de rechtbank daarom geadviseerd om de strafbare feiten verminderd aan hem toe te rekenen. De rechtbank neemt dat advies over.
Het strafblad van [verdachte] weegt niet strafverzwarend mee. Daaruit blijkt namelijk dat [verdachte] niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
PIJ-maatregel
[verdachte] heeft vanaf september 2024 meerdere keren in voorarrest gezeten en dat voorarrest is ook meerdere keren geschorst geweest, waarbij [verdachte] zich moest houden aan voorwaarden die steeds strenger werden. Het is [verdachte] echter niet gelukt om zich aan de (steeds strengere) schorsingsvoorwaarden te houden. Er is in deze periode uiteindelijk opgeschaald naar de inzet van intensieve trajectbegeleiding (ITB) 'Harde Kern', met elektronische monitoring en een plaatsing in de gesloten jeugdzorg. Binnen het voorwaardelijke kader van het strafrecht is dit het strengst mogelijke pakket aan voorwaarden, maar desondanks is [verdachte] weggelopen uit de gesloten groep en heeft hij de laatste bedreiging gepleegd en een machete aangeschaft.
De psycholoog en de psychiater maken zich gelet hierop niet alleen zorgen over de ontwikkeling van [verdachte] , maar zij vragen zich ook af hoe de veiligheid van de maatschappij gewaarborgd moet worden als zelfs het strengste pakket aan voorwaarden niet toereikend blijkt te zijn. Zij schatten het recidiverisico op gewelddadig gedrag in op hoog. Voor vermindering van het hoge recidiverisico is intensieve en langdurige forensisch-psychologische behandeling nodig. Zij adviseren daarom om aan [verdachte] een PIJ-maatregel op te leggen.
De deskundigen geven aan dat zij gelet op de eerdere gebrekkige medewerking aan voorwaarden en behandeltrajecten en het hoge recidiverisico twijfelen of een voorwaardelijke PIJ-maatregel een voldoende stok achter de deur is voor een blijvende behandeldeelname en recidivebeheersing. Ook merken zij op dat binnen een klinische setting relatief snel wordt gefaseerd, terwijl het de vraag is of [verdachte] op het moment dat hij vrijheden krijgt al voldoende geprofiteerd heeft van behandeling zodat hij op een goede manier met deze vrijheden om kan gaan. De deskundigen vinden het daarom nodig dat [verdachte] behandeld wordt via een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, waarbinnen behandeling kan plaatsvinden.
De Raad voor de Kinderbescherming heeft ook een advies uitgebracht. Ook de Raad vindt dat [verdachte] een gevaar is voor zijn eigen veiligheid en die van de hele maatschappij. En ook de Raad vindt dat de enige mogelijkheid voor behandeling nu nog de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel is.
De rechtbank neemt deze adviezen en conclusies over. Daaruit volgt dat [verdachte] een gebrekkige ontwikkeling of stoornis heeft, dat de PIJ-maatregel nodig is voor de veiligheid van anderen en in het belang is van de zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van [verdachte] . De maatregel wordt opgelegd voor afpersing, waarop de wet een gevangenisstraf van vier jaren of meer stelt, en voor bedreiging. Hiermee wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van de PIJ-maatregel die worden genoemd in artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht.
De PIJ-maatregel geldt voor een termijn van drie jaren. Na twee jaren eindigt de maatregel van rechtswege voorwaardelijk, tenzij de maatregel wordt verlengd op de wijze zoals bedoeld in artikel 6:6:31 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank stelt vast dat de maatregel is opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Daarom kan de maatregel verlengd worden, telkens met ten hoogste twee jaren en tot een maximum van zeven jaren, als bedoeld in artikel 6:6:31 van het Wetboek van Strafvordering.
Jeugddetentie
Omdat het gaat om ernstige strafbare feiten vindt de rechtbank ook een onvoorwaardelijke jeugddetentie passend en nodig, naast de PIJ-maatregel. De rechtbank heeft bij het opleggen van deze straf rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid. Alles afwegend legt de rechtbank aan [verdachte] een jeugddetentie op van 6 maanden met aftrek van het voorarrest. Dat is korter dan is geëist door de officier van justitie, omdat de rechtbank niet alle ten laste gelegde feiten bewezen verklaart. [verdachte] heeft langer in voorarrest gezeten dan de duur van de jeugddetentie, maar dat is deels te wijten aan de omstandigheden dat hij meerdere keren niet heeft meegewerkt aan zijn schorsingsvoorwaarden en dat er onderzoek moest worden gedaan naar de juiste behandelsetting.

6 In beslag genomen voorwerpen

Onder [verdachte] zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
6.1. Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de inbeslaggenomen iPhones verbeurd te verklaren en de Samsung A23 terug te geven aan [verdachte] .
6.2. Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft de rechtbank verzocht de inbeslaggenomen telefoons aan [verdachte] terug te geven.
6.3. Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de teruggave gelasten aan [verdachte] van alle inbeslaggenomen telefoons, aangezien het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

7 Vordering benadeelde partij

7.1. Vordering van de benadeelde partijen
[slachtoffer 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 5.000, - voor feit 3 in de zaak met parketnummer 16/310167-24*,*vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Daarnaast heeft [aangever 1] zich als benadeelde partij gesteld. Hij vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 500, - aan immateriële schade voor feit 2 in de zaak met parketnummer 16/146731-24*,*vermeerderd met de wettelijke rente. Ook verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.2. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzoekt de vordering van [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk te verklaren, omdat er geen wettelijke grondslag is om deze toe te wijzen. Volgens de officier van justitie moet de vordering van [aangever 1] wel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.3. Standpunt van de verdediging
De advocaat vindt de vordering van [slachtoffer 1] onvoldoende onderbouwd. Als de rechtbank de vordering gedeeltelijk toewijst vraagt de advocaat het toe te wijzen bedrag vast te stellen op € 100,-. Ten aanzien van de vordering van [aangever 1] vraagt de advocaat om het toe te wijzen bedrag te matigen.
7.4. Oordeel van de rechtbank
Beide benadeelde partijen hebben aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade.
Vergoeding van deze schade is op grond van art. 6:106 sub b BW (onder meer) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Op basis van de aangifte, de foto van het letsel en de huisartsverklaring staat vast dat de benadeelde partij [aangever 1] lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door [verdachte] gepleegde strafbare feit. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding (€ 500,-) billijk is. De rechtbank ziet, mede gezien de ernst van het handelen van [verdachte] , onder meer het trappen tegen het hoofd van de benadeelde, geen aanleiding het toe te wijzen bedrag te matigen.
Ten aanzien van de benadeelde [slachtoffer 1] overweegt de rechtbank het volgende. In (de onderbouwing van) de vordering wordt niet expliciet benoemd dat de benadeelde letsel heeft opgelopen door het strafbare handelen van [verdachte] . Toch wijst de rechtbank de vordering van [slachtoffer 1] (gedeeltelijk) toe, omdat uit de aangifte volgt dat de benadeelde als gevolg van de mishandeling gedurende vier dagen hoofdpijn heeft gehad en gedurende vijf dagen veel pijn aan zijn keel/hals heeft gehad, waarbij hij ook moeite had met ademen. Hieruit volgt dat de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het strafbare handelen van [verdachte] . Ook in dit geval vindt de rechtbank een bedrag van € 500, - billijk. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
7.4.1. Wettelijke rente
Ten aanzien van [slachtoffer 1] wijst de rechtbank de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 12 oktober 2024 tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald. Voor [aangever 1] bepaalt de rechtbank dat de ingangsdatum 30 oktober 2023 is. Op deze data is de schade bij de benadeelden ontstaan.
7.4.2. Schadevergoedingsmaatregel
Ten behoeve van de benadeelden legt rechtbank de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op, zodat (kort gezegd) de benadeelden de schadevergoeding niet zelf bij [verdachte] hoeven te incasseren, maar dat de Staat dit voor hen doet. De rechtbank bepaalt daarom dat [verdachte] (in het kader van de (deels) toe te wijzen vordering van [slachtoffer 1] en [aangever 1] ) tweemaal een bedrag van € 500, - aan de Staat moet betalen.
Deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de in paragraaf 8.4.1. genoemde data, tot de dag dat [verdachte] de bedragen volledig heeft betaald.
Omdat [verdachte] minderjarig is zal de rechtbank geen gijzeling aan de schadevergoedingsmaatregel verbinden, als [verdachte] de schadevergoedingen niet betaalt.
7.4.3. Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vorderingen tot schadevergoeding (deels) worden toegewezen, moet [verdachte] de kosten vergoeden die de benadeelde partijen hebben gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partijen kosten hebben gemaakt voor het indienen van de vorderingen en begroot de kosten daarom op nihil.

8 Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en maatregel en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

9 De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak - verklaart niet bewezen dat [verdachte] de feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer 16/122541-25 heeft gepleegd en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring - verklaart bewezen dat [verdachte] de feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer 16/146731-24, het feit in de zaak met parketnummer 16/236060-24, de feiten 1 primair, 2 primair, 3 en 4 in de zaak met parketnummer 16/310167-24 en de feiten 3 en 4 in de zaak met parketnummer 16/122541-25 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven; - verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte - verklaart [verdachte] strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf en maatregel - veroordeelt [verdachte] tot een jeugddetentie van zes (6) maanden; - bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht; - legt op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen; - bepaalt dat deze maatregel niet gemaximeerd is;
Beslag (16/122541-25) - gelast de teruggave aan [verdachte] van de volgende voorwerpen:
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangever 1] (in de zaak met parketnummer 16-146731-24, feit 1)
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1] (in de zaak met parketnummer 16-310167-24, feit 3)
vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
Dit vonnis is gewezen door mr. I.G.C. Bij de Vaate, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. K. de Meulder en mr. S.T. Könning, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.J. van Bergeijk, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2025.
De oudste rechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage: De (gewijzigde) tenlastelegging
Aan [verdachte] is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
In de zaak met parketnummer 16/146731-24
feit 1
    hij in of omstreeks 6 oktober 2023 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk (een) fiets(band(en)), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
feit 2
    hij op of omstreeks 30 oktober 2023 te Utrecht [aangever 1] heeft mishandeld door die [aangever 1] - één of meerdere keren te trappen tegen het hoofd en/of het lichaam en/of - één of meerdere keren te slaan tegen het hoofd en/of het lichaam;
In de zaak met parketnummer 16/236060-24
hij te Vleuten, gemeente Utrecht in of omstreeks de periode van 01 juni 2024 tot en met 02 juni 2024 opzettelijk wederrechtelijk een motorrijtuig, (een zwarte La Souris snorfiets), toebehorende aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, als bestuurder heeft gebruikt op de weg, in Vleuten (Eyckenstein) en/of Zeist en/of Utrecht (centrum), in elk geval op een weg;
In de zaak met parketnummer 16/310167-24
feit 1
primair
hij op of omstreeks 6 september 2024 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 3] te dwingen tot de afgifte van een (rug) tas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever 3] en/of een derde toebehoorde(n), tegen die [aangever 3] heeft gezegd "Geef je tas" en/of "Als je het niet geeft dan steek ik je neer" en/of (daarbij) een op een mes gelijkend voorwerp, althans een sterk puntig voorwerp, heeft getoond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 6 september 2024 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een (rug)tas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te bedreiging met geweld tegen die [aangever 3] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
tegen die [aangever 3] heeft gezegd "Geef je tas" en/of "Als je het niet geeft dan steek ik je neer" en/of (daarbij) een op een mes gelijkend voorwerp, althans een sterk puntig voorwerp, heeft getoond,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2
primair
hij op of omstreeks 6 september 2024 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een (rug) tas en/of oordopjes, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever 4] en/of een derde toebehoorde(n) door - die [aangever 4] mee te nemen onder een brug, - tegen die [aangever 4] te zeggen " Ik ga je kanker doodsteken" en/of "Geef je tas" en/of" Je hebt 3 seconden om je tas aan mij te geven anders steek ik je dood", - ( daarbij) aan die [aangever 4] een op een mes gelijkend voorwerp, althans een sterk puntig voorwerp, te tonen en/of - die [aangever 4] tegen zijn wang, althans tegen zijn hoofd, te slaan;
subsidiair
hij op of omstreeks 6 september 2024 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een (rug)tas en/of oordopjes, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 4] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - die [aangever 4] mee te nemen onder een brug, en/of - tegen die [aangever 4] te zeggen "Ik ga je kanker doodsteken" en/of "Geef je tas" en/of "Je hebt 3 seconden om je tas aan mij te geven anders steek ik je dood", - ( daarbij) aan die [aangever 4] een op een mes gelijkend voorwerp, althans een sterk puntig voorwerp, te tonen, en/of - die [aangever 4] tegen zijn wang, althans tegen zijn hoofd, te slaan;
feit 3
hij op of omstreeks 12 oktober 2024 te Utrecht, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal tegen het gezicht, althans het hoofd, in ieder geval het lichaam te slaan en/of stompen;
feit 4
hij op of omstreeks 12 oktober 2024 te Utrecht, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "Je gaat zien. Wacht maar tot ik je weer zie, ik ga je neersteken. Of ik steek je neer of mijn vrienden steken je neer. Ik schiet je neer of mijn vrienden schieten jou neer" en/of "Als ik jou nog een keer zie ga ik jou neersteken of neerschieten. Laat mij het niet doen.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
In de zaak met parketnummer 16/122541-25
feit 1
hij in of omstreeks de periode van 5 april 2025 tot en met 18 april 2025 te Schiedam en/of Maarsbergen en/of Zeist, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord (artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht), althans doodslag (artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht), althans zware mishandeling, al dan niet met voorbedachten rade (artikel 302 en 303 van het Wetboek van Strafrecht) op [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , opzettelijk voorwerpen, informatiedragers, en een vervoermiddel, te weten, - een bivakmuts, althans enige vorm van gezichtsbedekking en/of - een (keuken)mes, althans een scherp voorwerp en/of - een machete, althans een scherp voorwerp,
bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft/hebben verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en voorhanden heeft/hebben gehad;
feit 2
    hij in of omstreeks de periode van 5 april 2025 tot en met 18 april 2025 te Schiedam en/of Maarsbergen en/of Zeist, althans in Nederland, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] indirect, namelijk in een gesprek met [C] , dreigend de woorden toe te voegen: - "We gaan die [slachtoffer 2] doodmaken" en/of "Ik heb gehoord wat s gebeurt, [slachtoffer 2] s dood neef"en/of - een foto te sturen naar [C] van een machete, althans een scherp voorwerp, met de tekst "kunnen we gelij daarna naar [slachtoffer 2] ",althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
feit 3
    hij in of omstreeks de periode van 15 april 2025 tot en met 18 april 2025 te Maarsbergen en/of Zeist, althans in Nederland, [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, door die [slachtoffer 3] indirect, namelijk in een gesprek met een onbekend gebleven persoon, dreigend de woorden toe te voegen: - "noh man kan zaterdag en ben middag clomp voor bitaar" en/of - "k ga die man sheffen niffo"en/ofdoor die [slachtoffer 3] in een snapchat gesprek dreigend de woorden toe te voegen "je gaat sws voor dit 1 keer gestoken worden neef" en/of "jij gaat geschoten worden neef", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
feit 4
    hij op of omstreeks 18 april 2025 te Schiedam en/of Zeist, althans in Nederland, terwijl hij de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, op de openbare weg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een machete en/of een kapmes, voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, zijn dit pagina's uit het dossier van politie-eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer 2023335380, doorgenummerd pagina 1 tot en met 30. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal.
Pagina 6.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, zijn dit pagina's uit het dossier van politie-eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer 2024183067, doorgenummerd pagina 1 tot en met 21. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal.
Pagina 5-6.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, zijn dit pagina's uit het dossier van politie-eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer 2024303875, doorgenummerd pagina 1 tot en met 121. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal.
Pagina 11-12.
Pagina 15-17.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris van 30 september 2024, pagina 1-2.
Pagina 86.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, zijn dit pagina's uit het dossier van politie-eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer2024324504, doorgenummerd pagina 1 tot en met 69. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal.
Pagina 6-7.
Pagina 11-12.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, zijn dit pagina's uit het dossier van politie-eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer 2025129372 en 2025129372-A, doorgenummerd pagina 1 tot en met 184. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal.
Pagina 183.
Pagina 18.
Pagina 58-59. - - - ## Voetnoten
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, zijn dit pagina's uit het dossier van politie-eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer 2023335380, doorgenummerd pagina 1 tot en met 30. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal.
Pagina 6.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, zijn dit pagina's uit het dossier van politie-eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer 2024183067, doorgenummerd pagina 1 tot en met 21. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal.
Pagina 5-6.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, zijn dit pagina's uit het dossier van politie-eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer 2024303875, doorgenummerd pagina 1 tot en met 121. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal.
Pagina 11-12.
Pagina 15-17.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris van 30 september 2024, pagina 1-2.
Pagina 86.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, zijn dit pagina's uit het dossier van politie-eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer2024324504, doorgenummerd pagina 1 tot en met 69. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal.
Pagina 6-7.
Pagina 11-12.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, zijn dit pagina's uit het dossier van politie-eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer 2025129372 en 2025129372-A, doorgenummerd pagina 1 tot en met 184. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal.
Pagina 183.
Pagina 18.
Pagina 58-59.