Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:7539 - Rechtbank Midden-Nederland - 10 september 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2025:753910 september 2025

Uitspraak inhoud

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/3793

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht
(gemachtigde: mr. D.J. Koopmans).

Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 19 juni 2023.
1.1. De heffingsambtenaar heeft op 15 juli 2022 aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd met aanslagnummer [nummer] . Eiser heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
1.2. De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 19 juni 2023, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd. Eiser heeft beroep ingesteld.
1.3. De zaak is behandeld op de zitting van 18 juni 2025. Eiser was niet op de zitting aanwezig. De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft deelgenomen aan de zitting.

Overwegingen

Feiten
  1. Op 21 juni 2022 om 13:20 uur stond de auto met het kenteken [kenteken] geparkeerd aan de Burg. Fockema Andreaelaan in Utrecht zonder dat parkeerbelasting was betaald voor het parkeren. In geschil is of op de plek waar de auto stond geparkeerd, betaald moest worden voor het parkeren en of de uitspraak op bezwaar voldoende is gemotiveerd.

Beoordeling door de rechtbank

Termijn van de uitspraak op bezwaar
  1. Eiser stelt dat niet binnen de wettelijke termijn is beslist op het bezwaar tegen de betreffende naheffing parkeerbelasting, zodat de uitspraak zonder gevolg dient te blijven. Eiser beroept zich daarbij op de wettelijke termijn zoals bedoeld in artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
  1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De termijnen van artikel 7:10 van de Awb zijn geen fatale termijnen, maar termijnen van orde. Bij overschrijding van deze termijnen kan tegen het niet tijdig nemen van een besluit beroep bij de rechtbank worden ingesteld. Overschrijding van de termijnen betekent daarom niet dat de beslissing op bezwaar reeds op die grond voor vernietiging in aanmerking komt. Er is geen wettelijk voorschrift dat bepaalt dat in een dergelijk geval het desbetreffende besluit niet in stand kan blijven. Gelet hierop komt de bestreden uitspraak op bezwaar niet voor vernietiging in aanmerking.
Motivering uitspraak op bezwaar
  1. Eiser voert aan dat niet inhoudelijk op zijn bezwaren is ingegaan waardoor de uitspraak op bezwaar onvoldoende gemotiveerd is afgewezen. De heffingsambtenaar stelt op zitting dat in de uitspraak op bezwaar voldoende duidelijk wordt op welke grond en op welke verordeningen de parkeerbelasting geheven worden. Dat is bedoeld om de bevoegdheid aan te tonen. De verordeningen zijn na te zoeken op het internet. Verweerder gaat in zijn uitspraak in op de inhoudelijke gronden van eiser over het ter plaatse geldende parkeerregime. De rechtbank is daarmee van oordeel dat verweerder door het verwijzen naar de verordeningen voldoende is ingegaan op eisers bezwaargrond dat de naheffingsaanslag is opgelegd door een niet-bevoegd persoon.
Bevoegdheid
  1. Eiser voert aan dat de naheffing niet is opgelegd door de daartoe bevoegde persoon. De heffingsambtenaar verwijst naar het delegatiebesluit van de gemeente Utrecht van 9 februari 2016, gepubliceerd naar het Gemeenteblad 13 juni 2016, nr. 77000. De heffingsambtenaar stelt dat het feit dat uit de naheffingsaanslag niet blijkt wie deze aanslag heeft opgelegd niet maakt dat deze nietig of vernietigbaar is aangezien dit geen wettelijke eis is. Uitgangspunt in het fiscale recht is dat in dat geval uitgegaan wordt van een bevoegd opgelegde aanslag.
  1. Op grond van artikel 231, tweede lid, onder b, van de Gemeentewet is de heffingsambtenaar bevoegd om gemeentelijke belastingen, zoals parkeerbelasting, te heffen. Het college van burgemeester en wethouders wijst de heffingsambtenaar aan.
  1. Allereerst stelt de rechtbank vast dat de uitspraak op bezwaar is gedaan door een medewerker namens de heffings - en invorderingsambtenaar van Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht. In de uitspraak op bezwaar staat geen naam van die medewerker vermeld.
  1. In deze zaak is het Aanwijzingsbesluit bevoegde ambtenaren belastingen BghU 2020 van toepassing. In artikel 2, eerste lid, van dit aanwijzingsbesluit heeft het college van burgemeester en wethouders de directeur van Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht aangewezen als heffingsambtenaar in de zin van artikel 231, lid 2, onderdeel b, van de Gemeentewet. Dat betekent dat de directeur-bestuurder bevoegd is om op het bezwaar te beslissen. De conclusie is dat de uitspraak op bezwaar bevoegd is genomen.
Parkeerzone
  1. Eiser voert aan dat het hem niet duidelijk was dat de plaats waar zijn auto stond onder betaald parkeren viel. De rechtbank overweegt als volgt. Op verweerder rust de plicht om parkeerders te informeren over de locaties waar voor het parkeren parkeerbelasting is verschuldigd. Van een automobilist die parkeert mag verwacht worden dat hij bij aanvang van het parkeren voldoende onderzoekt of parkeerbelasting verschuldigd is. Dit houdt in dat eiser oplet of hij bebording 'betaald parkeren' of een parkeerautomaat ziet en dat hij zich – nadat hij heeft geparkeerd – inspant om te onderzoeken of voor het parkeren parkeerbelasting verschuldigd is. Gezien eiser in de buurt van het centrum van Utrecht op een doordeweekse dag rondom het middaguur parkeerde, mag het uitgangspunt zijn dat daar betaald parkeren geldt. De rechtbank vindt dat eiser onvoldoende zorgvuldig is geweest.
  1. De Burg. Fockema Andreaelaan is gelegen in de Utrechtse wijk Abstede. Uit de informatie over het betaald parkeren in Utrecht blijkt dat sinds 24 maart 2016 de Burg. Fockema Andreaelaan is gemarkeerd als een 'betaald parkeren-zone'. Uit de bebording 'zone betaald parkeren' aan de invalswegen van deze zone is duidelijk zichtbaar dat het een betaald parkeerzone is. Er kan redelijkerwijs geen misverstand bestaan over de verschuldigdheid van de parkeerbelasting en de rechtbank heeft ook geen reden om te twijfelen dat de situatie ten tijde van het parkeren van de auto van eiser anders was. Eiser heeft dit ook niet onderbouwd. Gelet hierop mocht eiser er niet vanuit gaan dat hij zijn auto kon parkeren zonder parkeerbelasting te voldoen en is de naheffingsaanslag terecht opgelegd.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Vermeer griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.