Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:7534 - Rechtbank Midden-Nederland - 24 november 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2025:753424 november 2025

Uitspraak inhoud

Toezicht
locatie Lelystad
zaaknummer: C/16/25/249 R
uitspraakdatum: 24 november 2025
uitspraak op grond van artikel 288 lid 1 van de Faillissementswet
( "toepassing schuldsanering")
enkelvoudige kamer
[verzoeker] ,
wonende [woonplaats 1]
[postcode 1] [woonplaats 2] ,
verzoeker.

1 De procedure

1.1. Verzoeker heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
1.2. Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 24 november 2025. Daarbij is verzoeker gehoord. Bij deze zitting waren verder aanwezig de heer [A] en de heer [B] (beschermingsbewindvoerder) en mevrouw [C] (schuldhulpverlener).

2 De beoordeling

2.1. Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
2.2. Ten aanzien van verzoeker is voldaan aan het bepaalde in artikel 288 lid 1 van de Faillissementswet. Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken.
De ingangsdatum
2.3.1. De Faillissementswet (Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
2.3.2. Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
2.3.3. De rechtbank stelt vast dat verzoeker gedurende het voorafgaande schuldhulpverleningstraject op basis van zijn inkomen geen afloscapaciteit heeft gehad. Bovendien is er een periode sprake geweest van beslag. Desondanks heeft verzoeker volgens opgave van zijn beschermingsbewindvoerder gedurende 14 maanden € 64 per maand gespaard. Daarnaast is, voor zover de rechtbank nu heeft kunnen constateren, gedurende de periode van het schuldhulpverleningstraject ook voldaan aan de inspanningsverplichting.
2.3.4. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald. Uit het verzoekschrift volgt dat op 12 maart 2024 een moratorium is uitgesproken. Op dat moment was er dus al sprake van schuldhulpverleningsovereenkomst. Nu die termijn langer dan 18 maanden voor de datum van dit vonnis ligt zal de rechtbank de ingangsdatum vaststellen op 25 mei 2024 (18 maanden voor de datum van het einde van de regeling). Dit laatste wordt gedaan om de boedel te kunnen fixeren tot en met de dag na deze uitspraak.

3 De (controle van) verplichtingen in de WSNP

3.1. De looptijd van de regeling van verzoeker is veel eerder ingegaan dan de datum van dit vonnis. De bewindvoerder kan nu pas starten met zijn taken, terwijl de materiële looptijd van regeling (vooralsnog) verstrijkt op 25 november 2025. Van belang is dat verzoeker ook na die datum verplicht blijft om mee te werken aan de afwikkeling. Hij is ook verplicht om daarvoor informatie aan de bewindvoerder aan te leveren. Tot de boedel behorende goederen moeten worden afgedragen. Na de materiële looptijd (dus 25 november 2025) geldt er geen inspanningsverplichting (art. 288 Fw) en ook geen verplichting om inkomsten boven het vtlb af te dragen (art. 295 Fw).
3.2. De rechtbank draagt de bewindvoerder op om – in afwijking van artikel 351a Fw - uiterlijk binnen vijf maanden na datum van dit vonnis eindverslag uit te brengen.
3.3. Als verzoeker zich tijdens het WSNP-traject heeft gehouden aan de in r.o. 3.1 opgesomde verplichtingen van de WSNP (kort gezegd, de verplichting om mee te werken aan de afwikkeling en de informatieplicht) eindigt het traject met een zogenaamde 'schone lei', Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de WSNP werkt niet meer op de verzoeker kunnen verhalen. De 'schone lei' geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden (het formele einde van de WSNP).

4 De beslissing

De rechtbank: - spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ,
wonende [woonplaats 1] , [postcode 1] [woonplaats 2] , - benoemt tot rechter-commissaris mr. K.G. van de Streek,
en tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,
[adres] ,
[postcode 2] [plaats] ; - stelt vast dat door deze uitspraak alle gelegde beslagen komen te vervallen; - wijst het verzoek tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum toe; - stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 25 mei 2024 en de duur op achttien maanden; - stelt vast dat er na de einddatum van de looptijd een medewerkingsplicht en een informatieplicht blijft gelden tot het verbindend worden van de slotuitdelingslijst; - draagt de bewindvoerder op om uiterlijk vijf maanden na de datum van dit vonnis eindverslag uit te brengen; - bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.G. van de Streek en is in het openbaar uitgesproken op
24 november 2025.