Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:7517 - Rechtbank Midden-Nederland - 21 november 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2025:751721 november 2025

Uitspraak inhoud

Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/656
(gemachtigde: mr. L. Veenman),
en
(gemachtigden: mr. J.H.S. Biervliet en K.K. Bahora).
  1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een aanvraag voor een urgentieverklaring voor de gemeente Almere. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

Procesverloop

  1. Eiseres heeft een urgentieverklaring aangevraagd op grond van mantelzorg. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 6 mei 2024 (primair besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 december 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.3. De rechtbank heeft het beroep op 6 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
  1. Op grond van artikel 11, tweede lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingsverordening Almere 2019 verleent het college een urgentieverklaring aan een woningzoekende die behoort tot een van de in artikel 12, derde lid, van de Huisvestingswet bedoelde categorieën.
  1. In Bijlage II bij de Huisvestingsverordening heeft het college de urgentieregels nader uitgewerkt. Daarin staat onder meer dat artikel 12, derde lid, van de Huisvestingswet als categorie aanmerkt: woningzoekenden die mantelzorg als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 verlenen of ontvangen. Deze woningenzoekenden moeten bij de aanvraag om urgentie aantonen dat een woning in Almere voor mantelzorger of - ontvanger de enige manier is om ervoor te zorgen dat de mantelzorgontvanger zelfstandig kan (blijven) wonen. Verder staat er dat moet zijn voldaan aan de volgende vereisten:
De besluitvorming
  1. Verweerder heeft in het primaire besluit van 6 mei 2024 de aanvraag afgewezen, onder verwijzing naar een advies van 3 mei 2024 van de externe urgentiecommissie, omdat niet is voldaan aan het vereiste in Bijlage II, onder punt iv. In het advies van de externe urgentiecommissie staat dat onvoldoende is aangetoond dat eiseres naar verwachting nog enkele jaren zorg nodig heeft. Daartoe heeft de commissie erop gewezen dat uit een brief van de huisarts blijkt dat de zorgbehoefte is gegroeid tijdens de zwangerschap en dat een zwangerschap tijdelijk is. Daarnaast is de zorg die eiseres ontvangt planbaar, wat wil zeggen dat het niet noodzakelijk is dat er altijd een mantelzorger dichtbij is.
5.1. In het bestreden besluit van 16 december 2024 is verweerder bij het primaire besluit gebleven en heeft hij de motivering aangevuld. Volgens verweerder is geen sprake van langdurige zorg. Over de behoefte van eiseres aan hulp bij het huishouden stelt verweerder dat eiseres in staat is lichte huishoudelijke taken te verrichten en dat voor schoonmaakhulp een passende voorziening beschikbaar is in de vorm van een financiële tegemoetkoming. Over de behoefte van eiseres aan zorg, stelt verweerder dat eiseres niet heeft aangetoond dat niet in onplanbare zorg kan worden voorzien, bijvoorbeeld door middel van particuliere thuiszorg.
Voldoet eiseres aan de vereisten voor het verlenen van een mantelzorgurgentie?
Wat vindt eiseres?
  1. Eiseres stelt dat zij voldoet aan alle vereisten voor een urgentieverklaring voor mantelzorg. Eiseres is afhankelijk van de mantelzorg die zij nu ontvangt en daarom genoodzaakt om - net als haar mantelzorger - in Almere te gaan wonen. Momenteel woont zij in Haarlem, wat 49 kilometer van Almere vandaan is. Eiseres heeft een chronische darmziekte en angst - en paniekklachten, en draagt als alleenstaande ouder de zorg voor twee minderjarige kinderen. Haar chronische ziekte impliceert dat zij langdurige zorg nodig heeft over minimaal 4 dagen in de week. De chronische ziekte veroorzaakt namelijk opvlammingen en buiten die opvlammingen om is eiseres nooit klachtvrij. Tijdens die opvlammingen krijgt zij last van krampen en pijnaanvallen. Deze zijn zo heftig dat eiseres daar flauw van valt. Haar mantelzorger kan op zulke momenten helpen bij de toiletgang van eiseres en bij haar persoonlijke verzorging, haar huishoudelijke taken en de zorg voor de kinderen, omdat zij daar zelf niet toe in staat is. Door de zorg die eiseres ontvangt, is zij zelfredzaam. De chronische ziekte is onvoorspelbaar, waardoor eiseres onplanbare zorg nodig heeft. De mantelzorger kan dit bieden. Door de reisafstand is dit voor de mantelzorger niet meer houdbaar. Hierdoor is het voor eiseres noodzakelijk om dichter bij haar mantelzorger te wonen. Het is voor eiseres niet mogelijk om andere hulp in te schakelen omdat haar familie ook in Almere woont en doordat er met reguliere zorg niet kan worden voorzien in de onplanbare zorg die zij nodig heeft. Een Wmo-consulent heeft bevestigd dat de zorg die eiseres van haar mantelzorger krijgt niet beschikbaar is vanuit de Wet maatschappelijke zorg 2015 (Wmo) en de zorgverzekeraar heeft laten weten dat die zorg niet kan worden geboden vanuit de zorgverzekering vanwege het onplanbare karakter. Er kan vanuit de Wmo uitsluitend huishoudelijke hulp worden ingezet die de zware huishoudelijke taken kan overnemen. Dit is onvoldoende, waardoor zij afhankelijk is van mantelzorg.
Wat vindt verweerder?
  1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet is voldaan aan het vereiste in Bijlage II, onder punt iv. Dat eiseres naar verwachting nog enkele jaren mantelzorg nodig heeft, staat niet ter discussie. Wel betwist verweerder dat eiseres minimaal 4 dagen per week mantelzorg nodig heeft. Verweerder heeft tijdens de zitting toegelicht dat in de planbare zorgbehoefte kan worden voorzien met reguliere zorg en voorzieningen op grond van de Zorgverzekeringswet en de Wmo. Daarom wordt alleen de onplanbare zorg gezien als noodzakelijke mantelzorg. Verweerder heeft ter zitting verder toegelicht dat het duidelijk is dat in onplanbare zorg voor eiseres niet kan worden voorzien met reguliere zorg, maar met particuliere zorg kan dit wel. Verweerder is daarom van mening dat eiseres niet minimaal 4 dagen per week mantelzorg nodig heeft wanneer zij particuliere zorg zal afnemen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
  1. De rechtbank stelt vast dat verweerder de aanvraag heeft afgewezen, omdat niet is voldaan aan het criterium in Bijlage II, onder punt iv. Op grond van dat criterium moet er sprake zijn van langdurige zorg. Dat wil zeggen dat de mantelzorg noodzakelijk is over minimaal vier dagen per week en naar verwachting nog enkele jaren moet worden verstrekt. Tijdens de zitting heeft verweerder toegelicht dat duidelijk is dat de zorg naar verwachting nog enkele jaren moet worden verstrekt. In beroep gaat het dus uitsluitend om de vraag of de mantelzorg minimaal 4 dagen per week noodzakelijk is. Tijdens de zitting heeft verweerder desgevraagd bevestigd dat aan de overige criteria is voldaan.
  1. De rechtbank is van oordeel dat eiseres voldoende heeft aangetoond dat mantelzorg minstens 4 dagen per week noodzakelijk is en dat zij voldoet aan het criterium van Bijlage II, onder iv. Verweerder had daarom een urgentieverklaring moeten verlenen aan eiseres. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
9.1. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier voldoende is gebleken dat eiseres op dit moment minimaal 4 dagen in de week mantelzorg ontvangt. Eiseres heeft een logboek overlegd waarin te zien is dat haar mantelzorger minimaal 4 keer per week aanwezig is op verschillende tijdstippen, soms zelfs middernacht. De mantelzorger van eiseres heeft dit ook schriftelijk en ter zitting toegelicht. Verweerder heeft hierover tijdens de zitting desgevraagd slechts te kennen gegeven dat hij niet weet hoe iemand moet aantonen dat hij of zij mantelzorg verleend. De rechtbank is echter van oordeel dat eiseres met het logboek, haar verklaringen en de verklaringen van de mantelzorger voldoende heeft aangetoond dat de mantelzorg minstens 4 dagen per week plaatsvindt.
9.2. Verder is de rechtbank van oordeel dat de mantelzorger voorziet in noodzakelijke zorg. Tijdens de zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de mantelzorg niet noodzakelijk is omdat onplanbare zorg vanzelf planbaar wordt als die zorg elke dag, wekelijks of maandelijks moet worden verleend, maar dat standpunt vindt geen steun in de feiten die uit het dossier naar voren komen. Uit de verklaringen van eiseres, haar huisarts en de medische stukken van het ziekenhuis blijkt het onvoorspelbare en ernstige karakter van de chronische ziekte die eiseres heeft, waardoor de rechtbank het aannemelijk acht dat eiseres meerdere keren per dag en op verschillende tijdstippen van de dag mantelzorg nodig heeft. Eiseres heeft soms periodes last van heftige opvlammingen, maar is buiten die periodes om nooit klachtvrij. De onvoorspelbare klachten hebben grote invloed op het dagelijks leven van eiseres en de zorg voor haar kinderen. Zij is hierdoor afhankelijk van onplanbare zorg die de mantelzorger verleend. Uit het dossier blijkt dat de mantelzorger helpt bij het huishouden, de toiletgang/verzorging van eiseres en de verzorging van de kinderen (van inmiddels [leeftijd] en [leeftijd] jaar oud) op momenten dat eiseres (een alleenstaande ouder) dat niet kan vanwege haar klachten. Volgens eiseres heeft een Wmo-consulent aan haar te kennen gegeven dat op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) geen ondersteuning kan worden geboden in de zorg die de mantelzorger verleend. Vanuit de Wmo is uitsluitend een vergoeding voor schoonmaakhulp toegekend. Verweerder heeft niet weersproken dat eiseres vanuit de Wmo geen ondersteuning kan krijgen om de zorg die de mantelzorger verleend te vervangen. De rechtbank acht het aannemelijk dat eiseres deze ondersteuning niet kan krijgen. Verder zit in het dossier een e-mail van 7 oktober 2024 van Zilveren Kruis, waarin staat dat hulp bij toiletgang onplanbare zorg is en dat deze zorg niet of nauwelijks is te realiseren binnen de wijkverpleging die vanuit de zorgverzekering wordt vergoed. Verder heeft de praktijkondersteuner-GGZ van eiseres benadrukt dat het zowel voor haar geestelijke stabiliteit als lichamelijk stabiliteit - maar ook voor de kinderen - van groot belang is dat eiseres een beroep kan doen op haar steunend netwerk in de omgeving, waaronder dus haar mantelzorger. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de mantelzorger voorziet in noodzakelijke mantelzorg.
9.3. De rechtbank volgt tot slot niet het standpunt van verweerder dat eiseres particuliere zorg kan inschakelen en dat de mantelzorg daarom niet noodzakelijk is. De rechtbank is van oordeel dat het feit dat eiseres voor de benodigde onplanbare zorg geen beroep kan doen op reguliere zorg, niet betekent dat verweeerder van haar mag verwachten dat zij daarin zelf voorziet met particuliere zorg. Particuliere zorg wordt niet vergoed vanuit de basisverzekering en eiseres heeft aangegeven dat zij de kosten voor particuliere zorg niet zelf kan betalen. Bovendien gaat verweerder met zijn standpunt over particuliere zorg eraan voorbij dat de mantelzorger niet alleen onplanbare zorg verleend aan eiseres, maar ook zorgt voor de minderjarige kinderen op momenten dat eiseres dat niet kan vanwege haar klachten. Het gaat om twee minderjarige kinderen van 11 en 1,5 jaar, die – in het bijzonder het jongste kind – niet voor zichzelf kunnen zorgen. Dat eiseres de benodigde mantelzorg zou moeten aanvullen met of vervangen door particuliere zorg, waardoor zij minder dan 4 dagen per week mantelzorg behoeft, is dus geen (redelijke) optie. Deze beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met het motiveringsbeginsel (artikel 7:12, eerste lid, van de Awb). De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, blijkt dat namelijk eiseres voldoet aan de vereisten van Bijlage II voor een urgentieverklaring op grond van mantelzorg. De rechtbank zal daarom het bezwaar gegrond verklaren, het primaire besluit van 6 mei 2024 herroepen, bepalen dat verweerder aan eiseres een urgentieverklaring moet verlenen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.
  1. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht van €194, - aan eiseres vergoeden en de proceskosten van eiseres vergoeden. Deze proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.628, - (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907, - en een wegingsfactor 1).

Beslissing - verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 16 december 2024; - verklaart het bezwaar gegrond; - herroept het besluit van 6 mei 2024; - bepaalt dat verweerder aan eiseres een urgentieverklaring op grond van mantelzorg verleent; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van €3.628,-; - bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 194, - moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.