Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:7339 - Rechtbank Midden-Nederland - 26 november 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2025:733926 november 2025

Uitspraak inhoud

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4243

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: J. Voorn).

Inleiding

  1. Deze uitspraak gaat over de hoogte van de uitkering die aan eiseres is toegekend wegens betalingsonmacht van haar werkgever op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW).
1.1. Eiseres was vanaf 1 oktober 2019 werkzaam bij [onderneming] B.V. (de werkgever). De werkgever is op 17 december 2024 in staat van faillissement verklaard. Op 30 december 2024 heeft eiseres bij het Uwv een aanvraag voor een uitkering ingediend voor overname van betalingsverplichtingen vanwege betalingsonmacht van de werkgever.
1.2. Met het besluit van 24 april 2025 heeft het Uwv aan eiseres een WW-uitkering wegens betalingsonmacht toegekend van € 7.307,56. Eiseres is het daarmee niet eens en heeft bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 27 juni 2025 heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het besluit van 24 april 2025 gehandhaafd.
1.3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 27 augustus 2025 heeft eiseres de gronden aangevuld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.4. De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vergezeld door [A] , en de gemachtigde van het Uwv.

Beoordeling door de rechtbank

Het geschil
  1. Het Uwv heeft eiseres een WW-uitkering toegekend voor het loon over de periode van 2 december 2024 tot en met 28 januari 2025, voor 160 vakantie-uren en voor vakantietoeslag over het loon en vakantiedagen over de periode 1 juni 2024 tot en met 28 januari 2025. Eiseres is het er niet mee eens dat slechts 160 vakantie-uren zijn vergoed. Zij vindt dat ook over voorgaande jaren vakantie-uren moeten worden vergoed op basis van het wettelijk minimumloon. Ook moeten de tijd-voor-tijd uren (TVT-uren) van vóór 2024 worden vergoed. Daarvan zijn 12,5 uren nog niet uitbetaald. In totaal komen volgens eiseres 387,03 uren vakantie-uren inclusief TVT-uren voor vergoeding in aanmerking.
Het beoordelingskader
2.1. Artikel 61 van de WW bepaalt dat een werknemer recht heeft op een uitkering op grond van dit hoofdstuk, indien hij van een werkgever, die in staat van faillissement is verklaard, aan wie surséance van betaling is verleend, ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is, of die anderszins verkeert in de blijvende toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, loon, vakantiegeld, of vakantiebijslag te vorderen heeft of indien hij geldelijk nadeel kan ondervinden doordat deze werkgever bedragen die hij in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, niet heeft betaald.
2.2. Op grond van artikel 64, eerste lid, van de WW omvat het recht op uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW:
a. het loon over ten hoogste dertien weken, onmiddellijk voorafgaande aan:
1°.de dag waarop de dienstbetrekking door ontbinding eindigt;
2°.de dag waarop de dienstbetrekking met wederzijds goedvinden eindigt;
3°.de dag waarop de dienstbetrekking van rechtswege eindigt, of
4°.de dag van opzegging van de dienstbetrekking;
b. het loon over ten hoogste de voor de werknemer geldende termijn van opzegging of de termijn van opzegging, die zou hebben gegolden als deze termijn was aangevangen op de op grond van het tweede lid door het UWV vastgestelde dag, met dien verstande dat de krachtens artikel 40 van de Faillissementswet ten aanzien van de werknemer geldende termijn, zowel in als buiten faillissement, niet wordt overschreden; en
c. het vakantiegeld, de vakantiebijslag en de bedragen, die de werkgever in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, over ten hoogste het jaar onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop de in onderdeel a, onder 1°, 2°, 3° of de in onderdeel b bedoelde termijn eindigt.
De beoordeling
  1. Het Uwv heeft zich ten aanzien van de TVT-uren op het standpunt gesteld dat TVT-uren die zijn opgebouwd in de periode waarover het loon wordt vergoed, de
periode van 18 september 2024 tot en met 28 januari 2025, voor vergoeding in aanmerking komen. Het Uwv heeft echter niet kunnen vaststellen dat de 6 TVT-uren die op de loonstrook van september 2024 staan in de genoemde periode zijn opgebouwd. Volgens het Uwv is het niet aannemelijk dat TVT-uren die zijn opgebouwd vanaf 18 september 2024 al op de loonstrook van september 2024 zijn opgenomen, maar zijn die uren waarschijnlijk al vóór (18) september 2024 opgebouwd.
  1. De rechtbank kan de aanname en de conclusie van het Uwv volgen. Eiseres heeft op de zitting verklaard dat ze de loonstrook van september 2024 het eind van die maand heeft ontvangen. Niet aannemelijk is geworden dat TVT-uren die zijn opgebouwd vanaf 18 september 2024 al in de loonstrook van september 2024 zijn verwerkt. Stukken waaruit blijkt dat de TVT-uren zijn opgebouwd vanaf 18 september 2024 ontbreken. Het Uwv heeft op de zitting nog verklaard alleen bij de werkgever, en niet bij eiseres, een uren-overzicht te hebben opgevraagd, maar die stukken zijn niet ontvangen. Eiseres heeft verklaard dat ze geen gegevens heeft met betrekking tot de opbouw van de TVT-uren.
  1. Eiseres heeft verder aangevoerd dat de vakantie-uren die zijn opgebouwd vóór de referteperiode maar nooit zijn uitbetaald op grond van coulance voor vergoeding tot aan het minimumloon in aanmerking moeten komen.
  1. De rechtbank stelt vast dat de artikelen 61en 64 van de Werkloosheidswet een regeling geven op grond van een wet in formele zin. Het Uwv heeft bij de toetsing van een aanvraag om een uitkering aan deze bepalingen geen beoordelingsruimte. Er is daarom geen ruimte om uit coulance iets anders te beslissen.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.