Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:7084 - Rechtbank Midden-Nederland - 24 december 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2025:708424 december 2025

Uitspraak inhoud

Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 11956260 UV EXPL 25-282 LvdH/1470
Kort geding vonnis van 24 december 2025
in de zaak van
[eiseres],
wonend in [woonplaats] (Duitsland),
verder ook te noemen [eiseres] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. R.R.F.J. Palmen,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] (kvK [KvK nummer] ),
verder ook te noemen [gedaagde] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. E.F.M. Baert.

1 De procedure

1.1. De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken: - de dagvaarding met producties 1 tot en met 22; - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 7.
1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 december 2025. Daarbij is [eiseres] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Namens [gedaagde] zijn verschenen de heer [A] , de heer [B] en de heer [C] . Zij werden bijgestaan door de gemachtigde.
Beide partijen hebben hun standpunten toegelicht. Zij hebben de vragen van de kantonrechter beantwoord en hebben op elkaar kunnen reageren.
1.3. Na afloop van de mondelinge behandeling trof de kantonrechter een schrijven met aanvullende producties aan van mr. Palmen. Van de inhoud hiervan heeft de kantonrechter geen kennisgenomen, nu mr. Baert tijdens de mondelinge behandeling aangaf niet bekend te zijn met deze stukken.
1.4. De kantonrechter heeft bepaald dat in deze zaak een vonnis zal komen.

2 De kern van de zaak

[eiseres] is op 8 september 2023 in dienst getreden bij de besloten vennootschap [gedaagde] B.V. ( [adres] [plaats] , kvK [KvK nummer] ) als [functie] , locatie [locatie] (hierna; [bedrijf] ). Deze arbeidsovereenkomst is op 6 september 2024 verlengd voor de duur van één jaar en zou van rechtswege eindigen op 7 september 2025. Op 8 september 2025 is er een nieuwe arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten tussen [eiseres] en [gedaagde] . Op 12 september 2025 heeft [eiseres] zich ziek gemeld. [eiseres] vordert betaling van zijn loon vanaf 8 september 2025. [gedaagde] heeft geen loon meer betaald aan [eiseres] , omdat [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat er op 7 september 2025 van rechtswege een einde is gekomen aan de arbeidsovereenkomst met [bedrijf] en de arbeidsovereenkomst met [gedaagde] is door [eiseres] op 9 september 2025 zelf opgezegd.
De kantonrechter stelt [eiseres] in het gelijk en de vordering tot betaling van zijn loon wordt toegewezen.

3 De beoordeling

Een beoordeling in kort geding
3.1. Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Verder is bij de beoordeling belangrijk hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen.
Spoedeisend belang
3.2. Een spoedeisend belang is aanwezig als van [eiseres] niet verwacht kan worden dat hij de uitkomst van een normale, uitgebreide procedure (bodemprocedure) afwacht. Dat is hier het geval. [eiseres] heeft sinds september 2025 geen loon meer ontvangen van [gedaagde] en is voor zijn levensonderhoud van dit loon afhankelijk.
[gedaagde] moet vanaf september 2025 het loon betalen aan [eiseres]
3.3. Tussen partijen staat niet ter discussie dat zij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met elkaar hebben gesloten op 8 september 2025. Dat blijkt ook uit de door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst die bij de dagvaarding zit.
3.4. Volgens [gedaagde] is de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten met [gedaagde] en de daaraan voorafgaande arbeidsovereenkomsten met [bedrijf] en betreft dit twee verschillende juridische entiteiten. De vraag of dit zo is en in hoeverre dit juridische consequenties heeft, kan binnen het bestek van deze procedure grotendeels in het midden blijven. Onbetwist is namelijk dat er tussen [gedaagde] en [eiseres] een ondertekende arbeidsovereenkomst bestaat voor onbepaalde tijd vanaf 8 september 2025. [eiseres] vordert betaling van het loon uit hoofde van deze arbeidsovereenkomst.
3.5. [gedaagde] stelt dat [eiseres] zijn arbeidsovereenkomst op 9 september 2025 zou hebben opgezegd. Volgens [gedaagde] zou [eiseres] in een telefoongesprek hebben gezegd dat hij er niet mee door wilde gaan of woorden van gelijke strekking. [eiseres] betwist nadrukkelijk iets dergelijks te hebben gezegd. Uit de overgelegde schriftelijke verklaring van [B] , die stelt dit gesprek in de auto via de speaker te hebben kunnen meeluisteren, blijkt niet met zoveel woorden dat [eiseres] dergelijke bewoordingen heeft gebruikt en hiermee zelf zijn arbeidsovereenkomst heeft beëindigd. Daarbij geldt nog dat als een werknemer wel bewoordingen gebruikt waaruit afgeleid zou kunnen worden dat de werknemer zijn arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang opzegt, een werkgever vanuit goed werkgeverschap moet nagaan of dit daadwerkelijk zo bedoeld is en of de werknemer de gevolgen hiervan ook overziet. Niet is komen vast te staan dat [gedaagde] dit heeft gedaan. Ook ontbreekt hierbij een schriftelijke bevestiging door [gedaagde] van de gestelde opzegging door [eiseres] terwijl dit wel voor de hand had gelegen, gelet op het feit dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd pas een dag ervoor was gesloten.
3.6. [gedaagde] beroept zich voorts op de proeftijd, zoals opgenomen in de CAO Retail Non-Food, en stelt dat de arbeidsovereenkomst met [eiseres] in de proeftijd door [gedaagde] is beëindigd, waardoor [gedaagde] niet langer gehouden is het loon aan [eiseres] te betalen. [eiseres] betwist dit.
3.7. Ook in het geval er sprake zou zijn van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met een andere juridische entiteit dan voorheen, slaagt een beroep op ontslag tijdens de proeftijd niet, omdat het voorshands oordeel van de kantonrechter is dat in dat geval sprake is van opvolgend werkgeverschap. [eiseres] heeft namelijk voor en na het aangaan van de arbeidsovereenkomst de functie van [functie] in [locatie] vervuld. Onbetwist is dat zijn takenpakket ongewijzigd is gebleven. Niet in debat is verder dat het initiatief voor een nieuwe werkgever, de andere entiteit van [gedaagde] , geheel bij [gedaagde] lag. Voorshands oordelend bestaan er tot slot tussen de nieuwe en oude werkgever zodanige banden dat het inzicht in de hoedanigheid en het functioneren van [eiseres] dat dit kan worden toegerekend aan de nieuwe werkgever. Immers, beide entiteiten van [gedaagde] maken onderdeel uit van hetzelfde concern.
3.8. Namens [gedaagde] is ter zitting nog aangevoerd dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou zijn gesloten onder bepaalde voorwaarden, zoals de aanwezigheid van [eiseres] bij een vergadering elke maandag in [vestigingsplaats] , en dat als hij zich daar na het aangaan van de arbeidsovereenkomst toch niet in zouden kunnen vinden, ze de overeenkomst nog zouden kunnen verscheuren. Dat de overeenkomst onder bepaalde voorwaarden zou zijn gesloten, is voorshands niet komen vast te staan.
Door [eiseres] wordt dit uitdrukkelijk betwist en in de arbeidsovereenkomst staan deze voorwaarden niet. Door [gedaagde] is tijdens de zitting ook bevestigd dat het een standaard overeenkomst was.
3.9. [gedaagde] stelt dat niet is komen vast te staan dat [eiseres] daadwerkelijk heeft gewerkt van 8 tot en met 11 september 2025 en dat ook daarom geen loon verschuldigd is over deze periode. Uit de inlog-/inkloktag van [eiseres] volgt volgens [gedaagde] ook niet dat er toen door hem is gewerkt. Allereerst is niet in debat dat [eiseres] beschikbaar was in die periode. [eiseres] heeft ter onderbouwing van zijn werkzaamheden in die periode voorts een aantal appberichten en een verklaring van een collega overgelegd waaruit zou volgen dat hij wel degelijk heeft gewerkt. Ter zitting heeft de heer [A] toegelicht dat hij niet aanwezig was op de vestiging waar [eiseres] werkte en dat hij niet van alle 200 werknemers kan weten waar zij zich bevinden. Niet in debat is dat [eiseres] ook vanuit huis werkzaamheden verrichtte. Gelet hierop is voorshands voldoende komen vast te staan dat [eiseres] werkzaamheden heeft verricht in de periode van 8 tot en met 11 september 2025. [eiseres] heeft van 8 tot en met 11 september 2025 dan ook recht op doorbetaling van zijn loon.
3.10. [eiseres] heeft zich op 12 september 2025 ziek gemeld. Op 17 september 2025 heeft [eiseres] zijn huisarts in Duitsland bezocht en deze heeft de arbeidsongeschiktheid van [eiseres] vastgesteld. De door de huisarts van [eiseres] opgestelde "arbeitsunfähigkeitsbescheinigungen" zijn door [eiseres] bij de dagvaarding gevoegd.
3.11. [eiseres] vordert in deze procedure doorbetaling van zijn loon op grond van artikel 7:629 lid 1 BW. In dat artikel is bepaald dat een werknemer recht heeft op doorbetaling van loon, indien hij de bedongen arbeid niet heeft verricht omdat hij in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling daartoe verhinderd was.
3.12. Door [gedaagde] is na de ziekmelding van [eiseres] geen bedrijfsarts ingeschakeld om de arbeidsongeschiktheid van [eiseres] vast te stellen. Dat [gedaagde] dit niet heeft gedaan, omdat zij er – naar nu blijkt ten onrechte – vanuit ging dat er geen dienstverband meer bestond tussen partijen, komt voor rekening en risico van [gedaagde] . Uit de stukken die namens [eiseres] zijn overgelegd, de vaststellingen van de huisarts, leidt de kantonrechter af dat [eiseres] wegens ziekte als bedoeld in artikel 7:629 lid 1 BW ongeschikt was om zijn werk te kunnen doen. Het vereiste van het overleggen van een deskundigenoordeel van het UWV, zoals beschreven in artikel 7:629a lid 1 BW, is niet van toepassing omdat het hier om een kort geding-procedure gaat.
3.13. [eiseres] heeft dan ook recht op doorbetaling van zijn loon vanaf het moment dat hij zich ziek heeft gemeld, te weten vanaf 12 september 2025.
Wettelijke verhoging en wettelijke rente
3.14. [gedaagde] heeft vanaf 8 september 2025 geen loon meer aan [eiseres] betaald, terwijl hij daar wel recht op had. Dat betekent dat [eiseres] aanspraak heeft op een verhoging wegens de vertraging (artikel 7:625 lid 1 BW). Die beperkt de kantonrechter tot 25%, omdat dat percentage gelet op de omstandigheden billijk voorkomt. Ook de gevorderde rente wordt toegewezen.
Overlegging loonspecificaties
3.15. [eiseres] vordert een veroordeling van [gedaagde] tot afgifte van juiste en volledige loonspecificaties van de bedragen die [gedaagde] vanwege dit vonnis aan hem moet betalen. Dit onderdeel van de vordering wordt toegewezen. De kantonrechter ziet geen aanleiding hieraan een dwangsom te verbinden.
Buitengerechtelijke incassokosten
3.16. [eiseres] vordert een bedrag van € 843,75 aan buitengerechtelijke incassokosten. Door [eiseres] is niet gesteld en onderbouwd dat deze kosten zijn gemaakt. De vordering wordt daarom afgewezen.
Proceskosten
3.17. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief de nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op: - dagvaarding € 148,04 - griffierecht € 90,00 - salaris gemachtigde € 814,00 (1 punten x tarief € 814,00) - nakosten €135,00
Totaal € 1.187,04
3.18. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4 De beslissing

De kantonrechter, rechtdoende in kort geding:
4.1. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van het loon van € 3.750,00 bruto per maand over de periode van 8 september 2025 tot het moment van de datum van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke verhoging zoals bedoeld in artikel 7:625 BW tot een maximum van 25% en met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de opeisbaarheid van elk van deze bedragen tot het moment van volledige betaling;
4.2. veroordeelt [gedaagde] tot overlegging van juiste en volledige loonspecificaties van de betalingen die zij op grond van de veroordeling onder 4.1. aan [eiseres] dient te betalen;
4.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.187,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend , dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;
4.4. veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
4.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.6. wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.J.M. Hendriks, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.