Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:7081 - Rechtbank Midden-Nederland - 24 december 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2025:708124 december 2025

Uitspraak inhoud

RECHTBANK
  **MIDDEN-NEDERLAND**
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11793817 \ MC EXPL 25-4022
Vonnis van 24 december 2025
in de zaak van
HILTERMANN LEASE B.V.,
statutair gevestigd en kantoorhoudende te Hoofddorp,
eisende partij in de hoofdzaak en in het incident,
hierna te noemen: Hiltermann,
gemachtigde: VD&P juristen,
tegen
[gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak en in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het incidenteel vonnis van 3 september 2025 en de daarin genoemde stukken; - de conclusie van repliek tevens akte wijziging van eis met producties 6 tot en met 11; - de conclusie van dupliek.
1.2. De kantonrechter heeft besloten dat vandaag de uitspraak is.

2 De verdere beoordeling

De verklaring voor recht wordt toegewezen
2.1. De kantonrechter wijst de verklaring voor recht dat de huurkoopovereenkomst is ontbonden toe en wel om het volgende.
2.2. [gedaagde] is op grond van de huurkoopovereenkomst gehouden om maandelijks de leasetermijn van € 141,97 bij vooruitbetaling aan Hiltermann betalen. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. Op 4 juni 2025 had [gedaagde] een betalingsachterstand van € 728,41 (= ruim vijf maanden). Op grond van artikel 43 van de algemene voorwaarden had Hiltermann daarom het recht om de huurkoopovereenkomst op 4 juni 2025 te ontbinden.
2.3. Voor zover [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat zij de leasetermijnen niet heeft betaald, omdat de auto binnen twee maanden stuk was, leidt dit niet tot een ander oordeel. Hiltermann heeft onweersproken gesteld dat zij slechts de financier van de auto was. Bovendien volgt uit artikel 4.1. van de huurkoopovereenkomst dat [bedrijf] B.V. tegenover [gedaagde] aansprakelijk is voor de verplichtingen van de aflevering van de auto en eventuele garantieverplichtingen uit de huurkoop.
2.4. Het voorgaande leidt ertoe dat de verklaring voor recht dat de huurkoopovereenkomst voor de auto is ontbonden wordt toegewezen.
[gedaagde] moet de hoofdsom van € 3.467,81 betalen
De opbouw van de hoofdsom
2.5. Toen Hiltermann de huurkoopovereenkomst op 4 juni 2025 ontbond, had [gedaagde] een betalingsachterstand van € 728,41 (= ruim vijf maanden achterstand) (zie de e-mail 27 mei 2025 en sommatie van 27 juni 2025 in productie 3 van Hiltermann). Dit bedrag moet [gedaagde] alsnog aan Hiltermann betalen. In artikel 43 van de algemene voorwaarden staat dat [gedaagde] ook de toekomstige leasetermijnen aan Hiltermann moet betalen. Uit de sommatie van 27 juni 2025 volgt dat het om het bedrag van € 4.839,40 gaat (zie productie 3 van Hiltermann). Dat betekent dat [gedaagde] in beginsel in totaal nog € 5.567,81 (= € 728,41 + € 4.829,40) aan Hiltermann verschuldigd is.
De verrekening van de openstaande leasesom met de verkoopopbrengst van de auto
2.6. Hiltermann heeft na het incidentele vonnis van 3 september 2025, waarin is bepaald dat Hiltermann de auto mocht innemen, de auto ingenomen en de auto met toestemming van [gedaagde] op 16 oktober 2025 verkocht. De verkoopopbrengst was € 2.100,00 (zie productie 10 van Hiltermann).
2.7. [gedaagde] is het niet eens met de betaling. Volgens [gedaagde] zou Hiltermann alle kosten uit het verleden en toekomst daarmee moeten dekken en haar volledig moeten compenseren voor haar geleden schade. De kantonrechter begrijpt het verweer van [gedaagde] zo dat zij meent dat de opbrengst van de auto te laag is. De kantonrechter volgt dit standpunt van [gedaagde] niet. [gedaagde] heeft niet toegelicht en onderbouwd dát en wáarom de verkoopopbrengst van de auto hoger moet zijn dan € 2.100,00. Dit had wel op de weg van [gedaagde] gelegen om haar standpunt op dit punt nader te onderbouwen. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan, zodat de kantonrechter voorbij gaat aan dit deel van het verweer.
2.8. Op grond van artikel 44 van de algemene voorwaarden (laatste volzin) wordt de verkoopopbrengst in mindering gebracht op de vervroegde opgeëiste leasesom. Dit betekent dat de hoofdsom toewijsbaar is tot het bedrag van € 3.467,81 (= € 5.567,81 - / - € 2.100,00). Dit bedrag wordt dan ook toegewezen.
[gedaagde] moet de rente betalen
2.9. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] rente over de hoofdsom is verschuldigd, omdat [gedaagde] te laat is met het betalen van de leasetermijnen, waardoor zij in verzuim is komen te verkeren.
2.10. Hiltermann vordert een contractuele rente van 18% per jaar over de totale hoofdsom (= achterstand tot 4 juni 2025 en de toekomstige leasetermijnen tot einde van de huurkoopovereenkomst). Deze vordering is alleen toewijsbaar over de betalingsachterstand tot de datum van ontbinding (4 juni 2025). Die was toen € 728,41. De kantonrechter gaat ervan uit dat het bedrag aan verschenen rente tot en met 22 oktober 2025 van € 411,87, dat in de conclusie van repliek tevens akte wijziging van eis staat, daarom niet juist is berekend. De contractuele rente van 18% per jaar wordt toegewezen over de betalingsachterstand van € 728,41 vanaf de verschillende vervaldata van de leasetermijnen/facturen tot en met 16 oktober 2025 (vanwege de volledige voldoening van dit bedrag door de verrekening met een deel van de verkoopopbrengst van de auto op 16 oktober 2025, zie rechtsoverweging 2.8.).
2.11. Omdat de huurkoopovereenkomst (en daarmee ook de algemene voorwaarden) per 4 juni 2025 is ontbonden, kan Hiltermann geen aanspraak maken op de contractuele rente van 18% per jaar over de leasetermijnen na ontbinding. Ook is toewijzing van de gevorderde wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) niet mogelijk. Het bedrag aan leasetermijnen na ontbinding is namelijk een schadevergoeding, waarover geen wettelijke handelsrente verschuldigd kan zijn. Gelet hierop zal de kantonrechter over het bedrag van € 4.839,40 (= de leasetermijnen na de ontbinding) de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW toewijzen. De wettelijke rente over het bedrag van € 4.839,40 wordt toegewezen vanaf 4 juni 2025 (datum van ontbinding) tot en met 16 oktober 2025 (vanwege gedeeltelijke voldoening van dit bedrag door de verrekening met een deel van de verkoopopbrengst van de auto op 16 oktober 2025, zie rechtsoverweging 2.8.) en de wettelijke rente over het restantbedrag van € 3.467,81 (= € 4.839,40 - € 1.371,59 (= € 2.100,00 - € 728,41 aan achterstand tot 4 juni 2025) vanaf 17 oktober 2025 tot en met de dag van volledige betaling.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
2.12. [gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen, omdat [gedaagde] de leasetermijnen niet heeft betaald. Op grond van artikel 53 van de algemene voorwaarden is [gedaagde] de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. Hiltermann heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat zij buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verricht. De vordering van € 556,78 wordt als niet betwist toegewezen.
[gedaagde] wordt niet veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten voor het vonnis in incident
2.13. Hiltermann vordert betaling van de betekeningskosten voor het vonnis in het incident van € 157,30. [gedaagde] wordt niet veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten in het incident, omdat [gedaagde] in het vonnis in het incident al veroordeeld is tot betaling van die betekeningskosten (zie r.o.v. 4.2. van het vonnis in het incident). Hiltermann heeft dus al een titel voor die betekeningskosten.
[gedaagde] moet de kosten voor inname van de auto betalen
2.14. Hiltermann vordert betaling van de innamekosten van de auto van € 1.266,57. [gedaagde] moet de gemaakte innamekosten van € 1.266,57 aan Hiltermann betalen. Zij is hiertoe verplicht op grond artikel 44 van de algemene voorwaarden. [gedaagde] heeft namelijk nagelaten de auto (vrijwillig) bij Hiltermann in te leveren. Hierdoor heeft Hiltermann kosten moeten maken om de auto in te laten nemen (zie productie 8 van Hiltermann).
[gedaagde]
      __moet de proceskosten met rente betalen__
2.15. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Hiltermann worden begroot op:
2.16. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
2.17. De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Hiltermann dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 van het Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3 De beslissing

De kantonrechter
3.1. verklaart voor recht dat de huurkoopovereenkomst met betrekking tot de Smart Forfour met kenteken [kenteken] is ontbonden,
3.2. veroordeelt [gedaagde] om aan Hiltermann te betalen een bedrag van € 3.467,81, te vermeerderen met: - de contractuele rente van 18% per jaar over het bedrag van € 728,41 vanaf de vervaldata van de leasetermijnen tot en met 16 oktober 2025, - de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag van € 4.839,40, vanaf 4 juni 2025 tot en met 16 oktober 2025, - de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag van € 3,467,81, vanaf 17 oktober 2025 tot de volledige betaling,
3.3. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 556,78 aan buitengerechtelijke incassokosten,
3.4. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 1.266,57 aan gemaakte kosten voor de inname van de auto,
3.5. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.479,73, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.6. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.7. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.8. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.
HHt/37278