Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2025:7075 - Rechtbank Midden-Nederland - 24 december 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2025:7075•24 december 2025
Uitspraak inhoud
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/599103 / HL ZA 25-231
Vonnis van 24 december 2025
in de zaak van
1 [eiseres sub 1] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,2. [eiseres sub 2],
te [woonplaats 1] ,
eisende partijen,
hierna afzonderlijk te noemen [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] en samen [eiseres sub 1] c.s.,
advocaat: mr. S.K. Tuithof,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.S. Rozenbeek.
1 De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding van 20 augustus 2025 met producties 1 tot en met 6.
1.2. Tegen [gedaagde] is verstek verleend, omdat hij het griffierecht niet op tijd heeft betaald. Hij heeft het griffierecht daarna alsnog betaald, waardoor het verstek is gezuiverd. Vervolgens is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld een conclusie van antwoord te nemen op de rol van 19 november 2025. Dit heeft hij niet gedaan, waardoor het recht om deze proceshandeling te verrichten is vervallen. Daarop is bepaald dat er een vonnis zal worden gewezen. Dit geldt als een vonnis op tegenspraak.
2 De kern van de zaak
2.1. [gedaagde] heeft € 50.000,00 van [eiseres sub 1] geleend, maar niet volledig terugbetaald. In deze procedure vordert [eiseres sub 1] dat het bedrag alsnog wordt terugbetaald, te vermeerderen met rente en kosten. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd. De rechtbank wijst de vorderingen grotendeels toe.
3 De beoordeling
[gedaagde] heeft € 50.000,00 van [eiseres sub 1] geleend
3.1. [eiseres sub 1] c.s. stelt dat er tussen partijen meerdere geldleningsovereenkomsten zijn gesloten op grond waarvan er in totaal € 50.000,00 aan [gedaagde] is uitgeleend.
3.2. Allereerst moet bepaald worden wie de contractspartijen bij deze geldleningsovereenkomsten zijn. De lener is [gedaagde] . [eiseres sub 1] c.s. vordert primair dat de geldlening aan [eiseres sub 1] (de B.V.) wordt terugbetaald. De rechtbank leidt hieruit af dat de stelling van [eiseres sub 1] c.s. is dat [eiseres sub 1] (de B.V.) de uitlener is en daarmee als contractspartij van [gedaagde] heeft te gelden (en niet [eiseres sub 2] ). Dit wordt ook wel bevestigd door het deel van de geldleningsovereenkomsten dat op schrift is gesteld, waarin [eiseres sub 1] steeds als contractspartij is opgenomen (productie 2). Omdat [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd, gaat de rechtbank ervan uit dat [eiseres sub 1] en [gedaagde] de contractspartijen zijn bij de geldleningen van in totaal € 50.000,00.
3.3. Het voorgaande betekent dat [eiseres sub 2] niet de contractspartij was bij de geldleningsovereenkomst, waardoor haar vorderingen worden afgewezen.
[gedaagde] moet het restant van de geldlening terugbetalen
3.4. [eiseres sub 1] vordert een bedrag van € 50.222,41 aan hoofdsom. Dit bedrag is niet juist. [gedaagde] heeft € 50.000,00 geleend. Uit het overzicht in randnummer 14 van de dagvaarding volgt dat er in totaal € 877,59 is afgelost. Dit betekent dat er een hoofdsom van € 49.122,41 resteert. [gedaagde] heeft niet betwist dat zij dit bedrag van de lening niet terug heeft betaald.
3.5. [eiseres sub 1] stelt dat aanvankelijk is afgesproken dat [gedaagde] met ingang van maart 2015 € 250,00 per maand zou aflossen, per juni 2015 € 100,00 per week en vanaf januari 2016 minimaal € 5.000,00 per jaar. Hiermee is de volledige lening inmiddels opeisbaar, zo volgt ook uit het door [eiseres sub 1] overgelegde betalingsschema in productie 4. [gedaagde] heeft dit niet betwist. Dit betekent dat de rechtbank de vordering tot terugbetaling van het restant van de lening van € 49.122,41 zal toewijzen.
[gedaagde] moet contractuele rente over de geldlening betalen
3.6. [eiseres sub 1] vordert € 24.176,16 aan verschenen contractuele rente over de geldlening. [gedaagde] heeft dit bedrag niet betwist, zodat deze vordering wordt toegewezen.
3.7. [eiseres sub 1] vordert ook de wettelijke rente over de geldlening. Deze vordering is niet toewijsbaar, omdat tussen partijen al een andere, hogere rente is overeengekomen en hiervoor is toegewezen (artikel 6:119 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW)).
3.8. [eiseres sub 1] vordert ook wettelijke rente over de verschenen contractuele rente. [gedaagde] is pas wettelijke rente over de verschenen contractuele rente verschuldigd vanaf het moment dat hij met de betaling daarvan in verzuim is geraakt. [eiseres sub 1] heeft niets gesteld over de uiterste dag van betaling van de verschuldigde contractuele rente, zodat de wettelijke rente pas verschuldigd zal zijn na een ingebrekestelling tot betaling van de contractuele rente. Zo'n ingebrekestelling zit niet in het dossier. De rechtbank zal de wettelijke rente daarom toewijzen vanaf de dagvaarding.
[gedaagde] moet buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.9. [eiseres sub 1] maakt aanspraak op de vergoeding van € 1.270,22 aan buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat de eisende partij voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Omdat er een lagere hoofdsom wordt toegewezen, is het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De rechtbank zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief, zijnde € 1.266,22.
3.10. De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten is toewijsbaar vanaf de datum van de dagvaarding.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.11. [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres sub 1] worden begroot op:
3.12. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4 De beoordeling
De rechtbank
4.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres sub 1] te betalen:
4.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.507,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
4.3. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
4.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.5. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.J. Schoenaker en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.
5274