Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:7036 - Rechtbank Midden-Nederland - 17 december 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2025:703617 december 2025

Uitspraak inhoud

RECHTBANK
  **MIDDEN-NEDERLAND**
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11772432 \ UC EXPL 25-5575
Vonnis van 17 december 2025
in de zaak van
ENECO WARMTE & KOUDE LEVERINGSBEDRIJF B.V.,
in Rotterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Eneco,
gemachtigde: Bierens Incasso Advocaten,
tegen
[gedaagde] B.V.,
in [vestigingsplaas] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: Bekkering Fiscaal & Juridisch Advies.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding, - de conclusie van antwoord, - de conclusie van repliek, - de conclusie van dupliek.
1.2. Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.

2 De kern van de zaak

2.1. Eneco levert warmte aan een pand van [gedaagde] in Rotterdam. Eind 2024 en begin 2024 heeft Eneco die leveringen aan [gedaagde] in rekening gebracht met drie facturen[1], in totaal € 18.476,30. [gedaagde] heeft die facturen in eerste instantie over het hoofd gezien. Bij brief van 26 maart 2025 is [gedaagde] aangemaand door de gemachtigde van Eneco, waarbij incassokosten, "Dossierkosten" en verschenen rente in rekening is gebracht. [gedaagde] heeft daarop een bedrag betaald ter grootte van de facturen (dus € 18.476,30). Eneco vordert in deze zaak nog betaling van een bedrag ter grootte van de wettelijke incassokosten en verschenen rente, samen € 1.322,97, plus rente. De kantonrechter wijst € 403,21 toe.

3 De beoordeling

Eneco is vorderingsgerechtigd
3.1. Bij haar conclusie van dupliek voert [gedaagde] aan dat de conclusie van repliek van Eneco is gestuurd vanuit "Eneco Zakelijk", terwijl de vordering is ingesteld door "Eneco Warmte & Koude Leveringsbedrijf B.V." Volgens [gedaagde] moet eerst opheldering komen over de identiteit van de schuldeiser, voordat vonnis zou kunnen worden gewezen. Dat verweer faalt. Bij de dagvaarding heeft Eneco de facturen aan [gedaagde] bijgevoegd. Daarop staat "Eneco Zakelijk" als afzender vermeld, en op de factuur zelf staat de zin "Hierbij ontvangt u namens Eneco Warmte en Koudeleveringsbedrijf B.V. uw nota (…)". [gedaagde] had haar verweer dus direct bij haar antwoord kunnen voeren. Door dit pas te doen bij haar conclusie van dupliek, is zij daarmee te laat[2].
[gedaagde] is in verzuim en moet de wettelijke handelsrente betalen
3.2. Tussen partijen staat niet ter discussie dat [gedaagde] de hoofdsom (€ 18.476,30) had moeten betalen toen de betalingstermijn van de facturen was verstreken. [gedaagde] stelt onterecht dat zij geen rente zou zijn verschuldigd totdat zij tot betaling werd aangemaand. De rente (in dit geval de wettelijke handelsrente) is direct verschuldigd na de vervaldatum van de facturen. Dat [gedaagde] de facturen in eerste instantie over het hoofd heeft gezien en deze niet direct heeft betaald, blijft voor haar rekening en risico.
3.3. Eneco vordert € 363,21 aan verschenen rente tot en met 9 juni 2025, plus de wettelijke handelsrente over het restant van de hoofdsom vanaf 10 juni 2025. Dat wordt toegewezen.
[gedaagde] moet € 40,00 aan incassokosten betalen
3.4. De gemachtigde van Eneco heeft in het buitengerechtelijke incassotraject [gedaagde] gesommeerd om € 2.771,45 aan incassokosten te betalen en € 40,00 aan "Dossierkosten". Naar nu blijkt, was het gevorderde bedrag aan incassokosten veel te hoog. Tussen partijen bestaat geen regeling waarbij afgeweken wordt van de wettelijke bepalingen. Volgens de staffel van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is € 959,76 een redelijk bedrag, dus ongeveer slechts een derde van het door Eneco bij de aanmaning genoemde bedrag. Verder was er kennelijk geen rechtsgrond voor het in rekening brengen van "Dossierkosten", want Eneco laat dit in deze rechtsprocedure geheel buiten beschouwing. Eneco heeft dus terecht de betaling van de in de aanmaning genoemde incassokosten en "Dossierkosten" achterwege kunnen laten. Eneco heeft [gedaagde] slechts aangemaand voor bedragen die zij niet in rekening mocht brengen. De kantonrechter oordeelt dat deze omstandigheid te vergelijken is met de situatie zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 4 BW, tweede volzin. Daarin staat dat de schuldenaar ( [gedaagde] ) zonder aanmaning minimaal € 40,00 is verschuldigd. Dat bedrag wordt daarom toegewezen.
Slotsom en proceskosten
3.5. In totaal moet [gedaagde] dus betalen:
3.6. De wettelijke handelsrente wordt dus vanaf 10 juni 2025 toegewezen over € 403,21, tot de betaling.
3.7. Beide partijen zijn gedeeltelijk in het gelijk en gedeeltelijk in het ongelijk gesteld. De kantonrechter ziet daarom aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De kantonrechter
4.1. veroordeelt [gedaagde] om aan Eneco te betalen een bedrag van € 403,21, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 10 juni 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2. compenseert de proceskosten, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt,
4.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.
RW1368
Productie 1 van Eneco
Artikel 128 lid 3 Rv - - - ## Voetnoten
Productie 1 van Eneco
Artikel 128 lid 3 Rv