Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:6688 - Rechtbank Midden-Nederland - 15 december 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2025:668815 december 2025

Uitspraak inhoud

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 24/4355 en UTR 25/179

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D.S. Muller),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
(gemachtigde: mr. J.M. Hillenaar).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers verzoeken om handhaving van erfpachtvoorwaarden en de gemeentelijke parkeernorm. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn verzoeken om handhaving en voert daartegen beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de handhavingsverzoeken terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond.

Inleiding

  1. Eiser heeft het college op 1 maart 2021 verzocht om handhavend optreden tegen schendingen van erfpachtvoorwaarden door bewoners van de percelen aan de [straat] en de [straat] in Utrecht. Deze bewoners zijn volgens eiser in overtreding, omdat ze parkeerplaatsen op het eigen terrein van hun woningen niet als zodanig gebruiken. Dat leidt volgens eiser tot een toename van parkeerdruk in de openbare ruimte.
  1. Op 26 augustus 2022 heeft eiser een tweede handhavingsverzoek bij het college ingediend. Eiser heeft het college verzocht om de parkeernorm te handhaven, omdat deze norm in de wijk niet meer wordt gehaald als gevolg van het niet parkeren op eigen terrein.
  1. Omdat een besluit op het verzoek van 26 augustus 2022 uitbleef, heeft eiser het college op 13 februari 2024 in gebreke gesteld. Omdat het college niet binnen twee weken na de ingebrekestelling alsnog op het verzoek van eiser heeft beslist, heeft eiser bij de rechtbank een beroep niet tijdig beslissen ingesteld. Dit beroep is geregistreerd met het zaaknummer UTR 24/4355.
  1. Met het besluit van 12 juli 2024 heeft het college het handhavingsverzoek van
1 maart 2021 afgewezen, omdat de naleving van erfpachtvoorwaarden volgens het college een privaatrechtelijke aangelegenheid betreft, waartegen niet bestuursrechtelijk handhavend kan worden opgetreden. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.
  1. Bij brief van 16 september 2024 heeft het college op het beroep niet tijdig beslissen gereageerd. Het college heeft hierin aangegeven dat het handhavingsverzoek van 26 augustus 2022 moet worden gezien als aanvulling op het verzoek van 1 maart 2021, waarop het college op 12 juli 2024 reeds heeft beslist.
  1. Met het besluit van 29 oktober 2024 heeft het college een besluit op het bezwaar van eiser genomen tegen de afwijzing van 12 juli 2024 en de afwijzing van het handhavingsverzoek van 1 maart 2021 in stand gelaten. Ook heeft het college daarin het handhavingsverzoek van 26 augustus 2022 afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser op 9 december 2024 pro-forma beroep ingesteld.
  1. Op 16 december 2024 heeft de rechtbank partijen geïnformeerd dat het besluit van 29 oktober 2024 zowel een besluit op bezwaar is als een primair besluit op het handhavingsverzoek van 26 augustus 2022.
  1. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn verzoek van 26 augustus 2022 en heeft zijn beroep voortgezet, zodat het beroep niet tijdig beslissen van rechtswege mede is gericht tegen het besluit van 29 oktober 2024.[1] Eiser heeft met het pro-forma beroep ook beoogd beroep in te stellen tegen het besluit van 29 oktober 2024, voor zover daarin is beslist op zijn bezwaar tegen de afwijzing van zijn handhavingsverzoek van 1 maart 2021. Het beroep tegen het besluit op bezwaar is geregistreerd met het zaaknummer UTR 24/179.
  1. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
  1. De rechtbank heeft de beroepen op 28 oktober 2025 gelijktijdig op een zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college. Op de zitting heeft de rechtbank de beroepsgronden aan het dossier in de zaak UTR 25/179 toegevoegd.

Beoordeling door de rechtbank

Beroep niet tijdig beslissen
  1. De rechtbank stelt met eiser vast dat het college niet binnen de wettelijke beslistermijn op het handhavingsverzoek van 26 augustus 2022 heeft beslist. Hierbij betrekt de rechtbank dat dit een nieuw handhavingsverzoek is en geen aanvulling van het verzoek van 1 maart 2021. In zoverre was het beroep niet tijdig beslissen terecht ingesteld. Omdat het college met het besluit van 29 oktober 2024 alsnog heeft beslist op het handhavingsverzoek van 26 augustus 2022, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank geen procesbelang bij een inhoudelijke behandeling van het beroep niet-tijdig beslissen. Dat heeft tot gevolg dat het beroep niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is.
Dwangsom
  1. Eiser heeft het college in zijn beroepschrift verzocht om een dwangsom vast te stellen, omdat het college niet binnen twee weken na de ingebrekestelling op het handhavingsverzoek van 26 augustus 2022 heeft beslist.
  1. Als het college een besluit niet op tijd neemt, dan moet het een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23, - per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35, - per dag en de overige dagen € 45, - per dag. Het college moet de dwangsom vaststellen binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was.[2]
  1. De rechtbank stelt vast dat het college met het besluit van 2 augustus 2024 een dwangsom heeft toegekend als gevolg van niet tijdig beslissen op het handhavingsverzoek van 1 maart 2021. De ingebrekestelling zag echter niet op dat verzoek, maar op het verzoek van 26 augustus 2022. Omdat de rechtbank onder 11. heeft vastgesteld dat de beslistermijn voor dit verzoek is overschreden en het college ook niet binnen twee weken na de ingebrekestelling alsnog een besluit heeft genomen, heeft eiser recht op een dwangsom. De rechtbank stelt de dwangsom vast op het maximale bedrag van € 1.442,-.[3] Het college moet deze dwangsom aan eiser betalen.
Wettelijk kader
  1. Het college is bevoegd om in geval van een overtreding daartegen met een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang handhavend op te treden.[4] Onder overtreding wordt een gedraging verstaan die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.[5] Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat het college in de regel gebruik moet maken van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden, ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving. De reden voor deze beginselplicht is dat de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Door middel van handhavend optreden wordt dit bereikt.[6]
UTR 24/4355
  1. Eiser voert aan dat het college het handhavingsverzoek ten onrechte heeft afgewezen, omdat het college op de parkeernorm uit de 'Beleidsregel parkeernormen auto 2021 gemeente Utrecht' (de beleidsregel) kan handhaven. De parkeernorm maakt volgens eiser integraal onderdeel uit van het bestemmingsplan 'Chw Algemene regels over bouwen en gebruik' en is handhaafbaar, omdat bij vergunningverlening is vastgesteld dat aan deze norm is voldaan, zodat uit de vergunningen een parkeernorm voortvloeit. Voor de woningen in de omgeving van eiser, waarop het handhavingsverzoek betrekking heeft, geldt dat met parkeerplaatsen op het eigen terrein aan de parkeernorm wordt voldaan. Dat betekent volgens eiser dat buurtbewoners moeten parkeren op hun eigen terrein. Ook uit het 'Stedenbouwkundig Plan Terwijde fase B' van 5 augustus 2003 volgt volgens eiser dat geparkeerd moet worden op het eigen terrein.
  1. De rechtbank stelt op grond van de door het college overgelegde stukken vast dat aan de omgevingsvergunningen voor de bouw van de woningen aan de [straat] en [straat] geen voorschriften zijn verbonden over parkeren/parkeerplaatsen op het eigen terrein. Het onttrekken van parkeerplaatsen op het eigen terrein is ook niet in strijd met het bestemmingsplan. Er is geen planregel die zich daartegen verzet. In de planregels is bepaald dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen moet vaststaan dat voldoende parkeergelegenheid, overeenkomstig de normen in de beleidsregels, wordt gerealiseerd.[7] De rechtbank overweegt dat deze planregel uitsluitend ziet op de situatie dat een aanvraag om een omgevingsvergunning ter beoordeling bij het college voorligt. De beoordeling van een aanvraag is dus het moment waarop het college vaststelt dat aan de parkeernorm wordt voldaan. Dat volgt ook uit de beleidsregel die niet zelfstandig handhaafbaar is tegenover burgers. Uit de planregel en/of de beleidsregel volgt niet dat de parkeersituatie, zoals die ten tijde van de aanvraag door het college is beoordeeld, op een later moment niet mag wijzigen. Dat volgt ook niet uit de verleende vergunningen. Het college heeft om die reden geen bevoegdheid om handhavend op te treden tegen bewoners die een parkeerplaats op eigen terrein niet benutten om te parkeren, en in plaats daarvan in de openbare ruimte parkeren. Het door eiser overgelegde stedenbouwkundig plan is ook geen handhaafbaar document tegenover burgers. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het college het handhavingsverzoek terecht heeft afgewezen.
UTR 25/179
  1. Tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek van 1 maart 2021 voert eiser aan dat de gemeente in de erfpachtvoorwaarden een instandhoudingsplicht heeft opgenomen om ook na vergunningverlening aan de publiekrechtelijke parkeernorm te blijven voldoen. De instandhoudingsplicht is volgens eiser een uitvloeisel van de vergunningverlening en heeft daarmee een publiekrechtelijk karakter, zodat het college daarop kan handhaven. Zonder de instandhoudingsverplichting wordt niet geborgd dat blijvend aan de parkeernorm wordt voldaan. Het college heeft dus zijn publiekrechtelijke taak met een civielrechtelijk instrument ingevuld.
  1. De rechtbank is van oordeel dat het college het handhavingsverzoek terecht heeft afgewezen. De gemeente kan als rechtspersoon bewoners houden aan voorwaarden in een tussen hen gesloten erfpachtovereenkomst, maar eiser kan dat niet afdwingen via bestuursrechtelijke handhaving. Bestuursrechtelijke handhaving kan alleen plaatsvinden wanneer een bij of krachtens een wettelijk voorschrift vastgestelde norm is overtreden. Een erfpachtovereenkomst is een civielrechtelijke overeenkomst tussen twee partijen en geen publiekrechtelijke norm die is vastgelegd bij of krachtens een wettelijk voorschrift, zodat van een overtreding als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht geen sprake is.

Conclusie en gevolgen

  1. Het college heeft de verzoeken om handhaving terecht afgewezen. De beroepen zijn daarom ongegrond.
  1. Het college moet wel het griffierecht aan eiser vergoeden omdat het college pas na het door eiser ingestelde beroep niet tijdig beslissen een besluit heeft genomen. Ook krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten voor het indienen van het beroep niet tijdig beslissen. Het college moet deze vergoeding betalen.
  1. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-, bij een wegingsfactor 1,0. Toegekend wordt € 907,-. Omdat het reële besluit door het college voorafgaand aan de zitting is genomen, kent de rechtbank geen punt toe voor het bijwonen van de zitting.

Beslissing

De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 4:17 en 4:18, eerste lid, van de Awb.
Artikel 8:55c van de Awb.
Artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:32 van Awb.
Artikel 5:1, eerste lid, van de Awb.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, rechtsoverweging 6.1.
Artikel 4.3 van de planregels. - - - ## Voetnoten
Artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 4:17 en 4:18, eerste lid, van de Awb.
Artikel 8:55c van de Awb.
Artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:32 van Awb.
Artikel 5:1, eerste lid, van de Awb.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, rechtsoverweging 6.1.
Artikel 4.3 van de planregels.