Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2024:7811 - Rechtbank Midden-Nederland - 30 april 2024
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2024:7811•30 april 2024
Uitspraak inhoud
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 16/152787-23; 16/117652-23 (gev. ttz); 16/041360-22 (vord. tul) (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 30 april 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte]
**,**
geboren op [1988] in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] ( [postcode 1] ) in [woonplaats] , hierna: verdachte.
1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 april 2024 en voor wat betreft de zaak met parketnummer 16/117652-23 mede naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van de politierechter van 31 juli 2023.
De zaak met parketnummer 16/117652-23 is eerder op 19 mei 2023 op terechtzitting van de politierechter behandeld. Voorts zijn de zaken met bovengenoemde parketnummers op de terechtzitting van de meervoudige kamer behandeld op 4 oktober 2023, 20 oktober 2023, 17 november 2023, 9 januari 2024 en 16 februari 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie mr. S. Lanning-Stein, van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. F.S. Baardman, advocaat te Utrecht, alsmede de advocaat van de benadeelde partij, mr. F.H. Batavier*,*advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.
2 TENLASTELEGGING
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
16/152787-23
feit 1:
op 17 juni 2023 in Breukelen [slachtoffer] heeft mishandeld;
feit 2:
in de periode van 1 februari 2023 tot en met 20 juni 2023 in Breukelen [slachtoffer] heeft belaagd;
16/117652-23
In de periode van 14 april 2023 tot en met 18 april 2023 in Breukelen [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling.
3 VOORVRAGEN
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4 WAARDERING VAN HET BEWIJS
4.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen. Ten aanzien van de belaging stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de omstandigheid dat mevrouw [slachtoffer] (hierna: aangeefster) in de onder parketnummer 16/152787-23 feit 2 ten laste gelegde periode zelf ook contact heeft gezocht met verdachte, niet maakt dat geen sprake is van belaging. Verdachte neemt (in verhouding) namelijk veel vaker contact op met aangeefster dan andersom.
4.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal vrijgesproken dient te worden van de ten laste gelegde feiten.
Ten aanzien van het onder parketnummer 16/152787-23 feit 1 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw het volgende bepleit. Dat verdachte aangeefster een kopstoot zou hebben gegeven, kan niet wettig en overtuigend bewezen worden. Zo is er door de verbalisant ter plaatse geen letsel op het hoofd van aangeefster waargenomen en op de geluidsopname van de camerabeelden van 17 juni 2023 is niet te horen dat er (mogelijk) een kopstoot gegeven wordt. Voor wat betreft het vastpakken van de armen van aangeefster komt verdachte een geslaagd beroep op noodweer toe. Volgens verdachte greep aangeefster hem ineens bij zijn keel, waarop hij ter verdediging haar armen heeft vastgepakt om haar naar achteren te duwen. Er was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf, waartegen verdediging geboden was. De verdediging van verdachte was proportioneel en, gelet op het onverhoedse karakter van de aanranding, had verdachte redelijkerwijs geen mogelijkheid zich te onttrekken.
Ten aanzien van het onder 16/152787-23 feit 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw primair bepleit dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen, nu de verklaringen van aangeefster inconsistent, en derhalve onbetrouwbaar zijn. Haar verklaringen kunnen dan ook niet worden gebruikt voor het bewijs. Verdachte stelt dat de verhouding tussen hem en aangeefster veel gelijkwaardiger was dan aangeefster (ten onrechte) probeert te schetsen. Dat er veelvuldig wederzijds contact is geweest tussen verdachte en aangeefster blijkt ook uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van aangeefster. Zo is te zien dat aangeefster zelf veelvuldig (waaronder ook midden in de nacht) contact met verdachte heeft opgenomen.
Voor een bewezenverklaring van belaging is vereist dat wederrechtelijk inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster met als doel haar vrees aan te jagen en/of iets te laten doen of na te laten. Dat is volgens verdachte niet de strekking van de gesprekken geweest, aangezien (ook volgens aangeefster zelf) sprake was van liefdevol contact. Dat de gesprekken tussen verdachte en aangeefster liefdevol waren zou volgens verdachte ook blijken uit de telefoongesprekken die hij vanuit de [penitentiare inrichting] (hierna: [penitentiare inrichting] ) in de periode 22 juni 2023 tot en met 22 juli 2023 met aangeefster heeft gevoerd. De verdediging heeft dan ook de gespreksgeschiedenis van deze (getapte) telefoonlijn opgevraagd. De gesprekken bleken echter niet meer beschikbaar te zijn. Het toetsen van de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster is hierdoor feitelijk onmogelijk gebleken en raakt volgens de raadsvrouw het recht op een eerlijk proces ex artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM).
Tot slot heeft de raadsvrouw bepleit dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat aangeefster (eenduidig) aan verdachte heeft aangegeven dat zij geen contact meer met hem wenste te hebben.
Ten aanzien van het onder parketnummer 16/117652-23 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de uitlatingen van verdachte opgevat dienen te worden als een emotionele ontlading als gevolg van de gevoelde frustratie en onmacht in de complexe relatie met aangeefster. De uitlatingen zijn in een zodanige context gedaan dat bij aangeefster niet redelijkerwijs de vrees heeft (kunnen) bestaan dat hetgeen gezegd werd daadwerkelijk zou worden uitgevoerd. Vanwege het ontbreken van deze redelijke vrees moet verdachte worden vrijgesproken.
Voorwaardelijk verzoek tot het horen van aangeefster ter terechtzitting
De raadsvrouw heeft verzocht om, indien de rechtbank niet tot een integrale vrijspraak komt van de ten laste gelegde feiten, aangeefster ter terechtzitting te horen als getuige. De raadsvrouw acht het van belang dat de rechtbank een zelfstandig beeld over de betrouwbaarheid van aangeefster kan vormen. De raadsvrouw heeft bepleit dat in het licht van artikel 6 EVRM) de verdediging de gelegenheid moet krijgen deze getuige ter terechtzitting te ondervragen, nu dit noodzakelijk is voor de beantwoording van de vragen zoals bedoeld in artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Indien de rechtbank de verklaringen van aangeefster tot het bewijs bezigt, zonder dat zij als getuige ter terechtzitting is gehoord, is de procedure in zijn geheel niet als eerlijk te bestempelen.
4.3 Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak 16/152787-23 feit 1
De rechtbank is, met de verdediging, van oordeel dat de onder parketnummer 16/152787-23 feit 1 ten laste gelegde mishandeling niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Het geven van een kopstoot
De rechtbank overweegt dat zij, op basis van het dossier, niet kan vaststellen dat aangeefster pijn en/of letsel heeft ondervonden van de (vermoedelijk) gegeven kopstoot door verdachte. Zo heeft aangeefster geen specifieke verklaring afgelegd over de feitelijke toedracht van de kopstoot en heeft de verbalisant ter plaatste geen letsel op het hoofd van aangeefster waargenomen.
Het vastpakken bij de armen
De rechtbank stelt allereerst vast dat niet ter discussie staat dat verdachte aangeefster bij haar armen heeft vastgepakt. Verdachte heeft dit zelf verklaard en er zijn door de verbalisant ter plaatse blauwe plekken op de arm van aangeefster waargenomen. Verdachte heeft verklaard dat aangeefster hem op een gegeven moment in de woning bij zijn keel heeft gegrepen. Als reactie hierop heeft hij haar met beide handen vastgepakt, om haar van zich af te duwen. De vraag die voorligt is of verdachte heeft gehandeld uit noodweer en dat daardoor geen sprake is van wederrechtelijkheid van zijn handelen.
De rechtbank is van oordeel dat hetgeen verdachte heeft verklaard over het incident, te weten dat hij zich afweerde nadat aangeefster hem onverhoeds bij zijn keel greep, aannemelijk is geworden en dat verdachte handelde uit noodweer. De rechtbank heeft hierbij in doorslaggevende mate de geluidsopname van de camerabeelden van 17 juni 2023 in acht genomen. Op deze geluidsopname is te horen dat er over en weer door verdachte en aangeefster wordt geschreeuwd. Op een gegeven moment wordt gehoord dat verdachte zegt:
'Zij slaat mij he. Ik haar niet.' en 'Mij gelijk bij m'n strot grijpen'. Van enig geweld vanuit verdachte, alvorens hij deze uitlatingen doet, geeft de geluidsopname geen blijk. De geluidsopname biedt dan ook ondersteuning voor de verklaring van verdachte dat de eerste agressieve handeling vanuit aangeefster is geweest.
Verdachte werd aldus geconfronteerd met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn eigen lichaam, waardoor verdachte niet anders kon handelen dan hij heeft gedaan. Het handelen van verdachte vindt de rechtbank in verhouding staan tot de hiervoor genoemde onmiddellijke aanranding. Verdachte had zich, gelet op het onverhoedse karakter van de aanranding van aangeefster, daaraan niet kunnen onttrekken.
Verdachte zal, gelet op het bovenstaande, worden vrijgesproken van het onder parketnummer 16/152787-23 feit 1 ten laste gelegde.
Bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis zal worden gehecht.
Bewijsoverwegingen
T.a.v. 16/152787-23, feit 2
De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer van belang zijn.
Uit de aangifte van mevrouw [slachtoffer] over de bedreigende uitlatingen van verdachte (parketnummer: 16/117652-23) blijkt dat er op 14 april 2023 met verdachte, in samenspraak met de [instelling 2] , afspraken zijn gemaakt. Zo is toen onder andere afgesproken dat verdachte aangeefster en de kinderen met rust moest laten. Waar het voorheen voor verdachte, vanwege het wederzijdse contact, mogelijk (nog) onduidelijk was dat aangeefster geen contact wenste, heeft hij dit na dit gesprek moeten weten. Verdachte heeft aangeefster in de periode die hierop volgde in een tijdsbestek van ruim twee maanden veelvuldig (anoniem) gebeld. Uit het dossier blijkt verder dat zij regelmatig telefoonnummers waarmee hij haar belde, heeft geblokkeerd. Ook heeft hij zich in die periode meermalen bij de woning van aangeefster begeven en is hij op 17 juni 2023 in de woning van aangeefster geweest, en ook gebleven, nadat aangeefster meermaals had aangegeven dat verdachte weg moest gaan.
De omstandigheid dat aangeefster in de te bewijzen pleegperiode zelf ook (meermaals) contact heeft opgezocht met verdachte, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat geen sprake is van belaging door verdachte. De rechtbank neemt hierbij de frequentie en intensiteit van de gedragingen van verdachte in vergelijking met de gedragingen van aangeefster in acht. Zo blijkt uit het proces-verbaal over de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van aangeefster dat verdachte beduidend meer contact opneemt met aangeefster dan andersom. Op 7 juni 2023 heeft verdachte aangeefster zelfs in een tijdsbestek van 4 minuten 12 keer gebeld. Bovendien heeft aangeefster een begrijpelijke verklaring gegeven waarom zij soms ook contact met verdachte opnam. Zo bleef verdachte, ondanks de gemaakte afspraken met hulpverlening, aangeefster bellen. Zij heeft verdachte, als reactie hierop, gebeld om aan te geven dat hij moest stoppen met het zoeken van contact. Ook heeft zij contact met verdachte opgenomen in het belang van haar kinderen, nu verdachte dreigde haar kinderen bij haar weg te halen en zij dit wilde voorkomen. Aangeefster heeft in haar aangifte beschreven dat zij door de gedragingen van verdachte bang is geweest. Zo zegt zij ten einde raad geweest te zijn omdat verdachte continu contact bleef zoeken en zij niet wist waartoe hij verder in staat zou zijn.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de aard, de duur en de frequentie van de gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven van aangeefster zodanig zijn geweest dat van een (opzettelijke) stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer sprake is geweest. De rechtbank heeft de overtuiging gekregen dat verdachte vanaf 14 april 2023 tot en met 20 juni 2023 aangeefster heeft belaagd en spreekt verdachte partieel vrij van de overige ten laste gelegde periode.
Schending artikel 6 EVRM?
Het feit dat de rechtbank niet beschikt over de telefoongesprekken die verdachte vanuit de [penitentiare inrichting] in de periode 22 juni 2023 tot en met 22 juli 2023 met aangeefster heeft gevoerd, maakt niet dat er een schending van artikel 6 EVRM heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt dat de [penitentiare inrichting] gesprekken buiten de ten laste gelegde periode hebben plaatsgevonden. Daarnaast acht de rechtbank de ten laste gelegde belaging, gelet op het indringende en stelselmatige karakter van de gedragingen van verdachte, bewezen, zelfs als het wederzijdse contact op bepaalde momenten (ook) liefdevol zou zijn geweest.
T.a.v. 16/117652-23
Voor een veroordeling ter zake van bedreiging als bedoeld in artikel 285 Sr is volgens vaste jurisprudentie onder meer vereist dat de bedreigingen van dien aard zijn en onder zodanige omstandigheden zijn geschied, dat deze een zodanige indruk hebben gemaakt dat deze in het algemeen vrees kunnen doen opwekken dat de bedreiging ten uitvoer zou kunnen worden gelegd. De beoordeling of sprake is van vrees is daarmee geobjectiveerd. Het is, anders dan de raadsvrouw betoogt, niet vereist dat bij de bedreigde daadwerkelijk die vrees is ontstaan.
De ten laste gelegde uitlatingen zijn door verdachte gedaan nadat op 14 april 2023 in samenspraak met de [instelling 2] de afspraak is gemaakt dat verdachte aangeefster en de kinderen met rust moest laten. Verdachte was het niet eens met deze afspraken, waarna volgens aangeefster de dreigementen en het intimiderende gedrag van verdachte is begonnen.
De rechtbank overweegt dat de uitlatingen op zichzelf naar hun aard geschikt zijn om bedreiging op te leveren en gelet op de bovengenoemde context zijn de bedreigingen ook naar objectieve maatstaven van dien aard dat daardoor de redelijke vrees kon ontstaan dat de bedreigingen ten uitvoer zouden kunnen worden gelegd.
De rechtbank acht het dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 14 april 2023 tot en met 18 juni 2023 schuldig heeft gemaakt aan bedreiging.
Voorwaardelijk verzoek tot het horen van aangeefster ter terechtzitting
De rechtbank wijst het voorwaardelijke verzoek aangeefster als getuige ter terechtzitting te horen af. Aangeefster heeft een belastende verklaring afgelegd. Eerder in deze procedure is het verzoek om haar te horen getoetst aan het verdedigingsbelang en toegewezen. De rechtbank overweegt dat aangeefster twee keer bij de rechter-commissaris over de ten laste gelegde feiten is gehoord en daarbij ook geconfronteerd is met (eventuele) tegenstrijdigheden in haar verklaring. De verdediging was bij deze verhoren aanwezig en heeft aangeefster vragen gesteld. De rechtbank is van oordeel dat de verdediging daarmee het ondervragingsrecht in voldoende mate heeft kunnen uitoefenen en dat verdachte, bij afwijzing van het verzoek, redelijkerwijs niet in zijn verdediging is geschaad. Nu dit verzoek thans op de zitting is herhaald, toetst de rechtbank het verzoek aan het noodzakelijkheidscriterium. De noodzaak tot het nogmaals horen van aangeefster is niet gebleken, de rechtbank acht zich voldoende voorgelicht over de tenlastegelegde feiten. Het niet horen van aangeefster levert dan ook geen strijd op met het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
5 BEWEZENVERKLARING
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
16/152787-23
feit 2:
in de periode van 14 april 2023 tot en met 20 juni 2023 te [plaats] wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door meermaals: - die [slachtoffer] te bellen, en - zich rondom/bij de woning van die [slachtoffer] te begeven,met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen;
16/117652-23
in de periode van 14 april 2023 tot en met 18 april 2023 te [plaats] [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen - "wat jij hebt gezegd gaat je je kop kosten", - "ik pak een moker en ik sla je hele kop", - "als ik binnen kom, vermink ik je", - "ik hoop dat je thuis bent want ik ga je pijnigen straks", - "ik pak jou vandaag nog", - "dat ik je pak vandaag, dat is wat zeker is" en - "ik ga jou pijn doen van hier tot aan de maan en weer terug",
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal - en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:
16/152787-23, feit 2: belaging;
*16/117652-23:*bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, meermalen gepleegd.
7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8 OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL
8.1 De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter zake van het door haar bewezen geachte gevorderd te gelasten dat verdachte ter beschikking wordt gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: tbs-maatregel met dwangverpleging). Subsidiair heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte de maatregel zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: 38v-maatregel) op te leggen.
8.2 Het standpunt van de verdediging
Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt heeft de raadsvrouw primair verzocht om aan verdachte geen tbs-maatregel (met dwangverpleging) op te leggen, nu dit wegens de relatief geringe ernst van de ten laste gelegde feiten en de rol van aangeefster hierin disproportioneel zou zijn. Verdachte zou hooguit een tbs-maatregel met voorwaarden opgelegd kunnen worden, zodat, in een minder ingrijpend kader, naar mogelijkheden gekeken kan worden om verdachte te behandelen. Indien de rechtbank tot de oplegging van een tbs-maatregel met dwangverpleging komt, heeft de raadsvrouw verzocht de duur hiervan te maximeren tot vier jaren.
In het geval de rechtbank geen tbs-maatregel aan verdachte oplegt, is er volgens de raadsvrouw, gelet op de duur die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, geen ruimte meer aan hem een (on)voorwaardelijke (gevangenis)straf op te leggen. De voorlopige hechtenis dient dan ook opgeheven te worden.
De raadvrouw benoemd tot slot dat de rechtbank de oplegging van een 38v-maatregel met voorwaarden in overweging kan nemen.
8.3 Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich in een periode van meer dan twee maanden schuldig gemaakt aan belaging van aangeefster (zijn ex-partner), door haar voortdurend (anoniem) te bellen en door haar op te zoeken bij haar woning. Daarnaast heeft verdachte aangeefster, nadat hij erop was gewezen dat hij geen contact met haar mocht zoeken, onder andere met de dood bedreigd. Dat verdachte het lastig vindt dat hij zijn kinderen niet op elk door hem gewenst moment mag zien, is te begrijpen, maar dit rechtvaardigt zijn gedrag niet. Met zijn stelselmatige handelen heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster en zij heeft, als gevolg van zijn handelen, last gehad van gevoelens van onveiligheid. Uit de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij blijkt ook dat het handelen van verdachte een grote impact heeft gemaakt op haar leven, zo zijn haar kinderen mede vanwege de door verdachte begane strafbare feiten uit huis geplaatst.
De door verdachte gepleegde feiten vormen het sluitstuk van een toxische relatie tussen verdachte en aangeefster. Een relatie die zich liet kenmerken door onder meer patronen van aantrekken en afstoten en waarbij over en weer gebruik werd gemaakt van verbaal en fysiek geweld en waarbij de belangen van de kinderen in de knel kwamen. Ook aangeefster liet zich daarbij niet onbetuigd. De rechtbank zal dat als een in enige mate verzachtende omstandigheid meewegen.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 18 december 2023 op naam van de verdachte, waaruit blijkt dat verdachte in de afgelopen 5 jaar onherroepelijk is veroordeeld voor bedreiging (op 22 juli 2022) en belaging (op 17 mei 2022 en 18 januari 2021). De rechtbank weegt deze recidive in strafverzwarende zin mee.
Over verdachte is een dubbele pro Justitia rapportage uitgebracht betreffende: - een rapport van 23 januari 2024, opgemaakt door dr. [A] , psychiater/psychoanalyticus; - een rapport van 24 januari 2024, opgemaakt door drs. [B] , GZ-psycholoog.
De deskundigen komen in hun rapportage tot de volgende conclusie. Bij verdachte is sprake van een licht verstandelijke beperking, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en kenmerken van ADHD. Tevens zijn er stoornissen in het gebruik van alcohol en cocaïne vastgesteld (al dan niet in remissie). De deskundigen concluderen dat de problematiek van verdachte (met uitzondering van de middelenproblematiek) ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten aanwezig was en de handelings - en keuzevrijheid van verdachte heeft ingeperkt. Hoewel verdachte ontkent en een delictsanalyse ontbreekt, kunnen de deskundigen wel beredeneren hoe verdachte denkt en doet op basis van zijn problematiek. Zo handelt verdachte vanuit egoïstisch perspectief en verplaatst hij zich niet in anderen. De ADHD-symptomen en zwakke impulscontrole helpen verdachte ook niet hem af te remmen in zijn gedrag. Zo is hij niet opgewassen tegen de emotionele reactie die bij hem opkomt als hij zich aangevallen voelt of hem onrecht wordt aangedaan. Daarnaast maakt de gebrekkige gewetensvorming van verdachte het lastig om pro-sociaal te handelen. Bovengenoemde kernproblematiek is dusdanig duurzaam van aard en continue aanwezig, zodat door de deskundigen wordt verondersteld deze bij de ten laste gelegde feiten, indien bewezen, een rol heeft gespeeld. Benoemd wordt dat verdachte, vanuit zijn problematiek, niet kon inzien dat de aan hem ten laste gelegde feiten, indien bewezen, ongeoorloofd waren. Vanuit egocentrisch perspectief dacht hij dat wat hij deed gerechtvaardigd was. De deskundigen adviseren dan ook de ten laste gelegde feiten, indien bewezen, verminderd aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank neemt de conclusie van de deskundigen op de daartoe in hun rapportage genoemde gronden over. De rechtbank concludeert dat het bewezenverklaarde verminderd aan verdachte kan worden toegerekend en heeft daarmee bij de strafoplegging rekening gehouden.
Aan de conclusie verbinden de deskundigen het advies om aan verdachte een tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen. Naast deze tbs-maatregel wordt geadviseerd aan verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM-maatregel) op te leggen, conform artikel 38z Sr. De deskundigen beargumenteren dat het (recidive)risico op gewelddadig gedrag en belaging van verdachte als hoog moet worden ingeschat en zonder behandeling blijft dit risico, gelet op zijn complexe problematiek, onveranderd. Vanwege een gebrek aan probleembesef en - inzicht en intrinsieke motivatie is gebleken dat verdachte niet in staat is om in een ambulante setting zich aan de voorwaarden te houden. Ook heeft verdachte zich in de huidige strafzaak niet kunnen houden aan de schorsingsvoorwaarden. Aangezien behandeling als bijzondere voorwaarden in het kader van een (deels) voorwaardelijke straf, gezien de voorgeschiedenis van verdachte, aldus niet haalbaar is gebleken, resteert volgens de deskundigen alleen de oplegging van een tbs-maatregel met dwangverpleging. Een tbs-maatregel met voorwaarden lijkt niet haalbaar omdat verdachte onvoldoende gemotiveerd is voor behandeling.
De rechtbank heeft tot slot kennisgenomen van het maatregelenrapport van [instelling 1] van 22 april 2024, opgesteld door Mevrouw [C] , reclasseringswerker. Vanuit de reclassering wordt, op basis van de ervaringen in de recente reclasseringstoezichten (2022 en 2023) en de herhaalde recidive van verdachte, gesteld dat de mogelijkheden om verdachte middels reclasseringsinterventies te begeleiden en ondersteunen naar een delictvrij bestaan, uitgeput zijn. De reclassering ondersteunt dan ook het advies van de Pro Justitia rapporteurs om aan verdachte een tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen. De reclassering ziet geen mogelijkheid meer een traject onder bijzondere voorwaarden te adviseren, ook niet als dit een tbs-maatregel met voorwaarden betreft. De risico's op onttrekking aan bijzondere voorwaarden en nieuw delictgedrag worden nu als (te) hoog ingeschat.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank zal het advies van de deskundigen voor een deel niet volgen. Aan verdachte zal geen tbs-maatregel met dwangverpleging worden opgelegd, omdat die maatregel niet in verhouding staat tot de relatief geringe ernst van de bewezenverklaarde feiten. Zo spreekt de rechtbank verdachte vrij van de ten laste gelegde mishandeling en geeft het dossier verder geen blijk van zodanig (eerder) gewelddadig gedrag van verdachte jegens aangeefster, waardoor de oplegging van een tbs-maatregel met dwangverpleging te vergaand is.
De rechtbank is wel van oordeel dat gelet op de ernst van de feiten er met geen andere straf kan worden volstaan dan met het opleggen van een aanzienlijke onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte is hardleers en moet de consequenties van zijn handelen voelen. Gebleken is namelijk dat verdachte, ondanks eerder(e) toezicht en behandeling in een ambulant kader, blijft recidiveren. Ook tijdens de schorsing uit voorlopige hechtenis heeft verdachte zich niet aan het opgelegde contactverbod met aangeefster gehouden, waardoor zijn schorsing, kort nadat deze was ingegaan, weer is opgeheven. De verdachte heeft langer in voorlopige hechtenis doorgebracht dan de straf die de rechtbank hem zal opleggen. Dat hij zo lang heeft vastgezeten vindt zijn oorzaak in de omstandigheid dat, als gevolg van verdachtes gedrag en houding, er geen andere redelijke mogelijkheid was herhaling van soortgelijke feiten te voorkomen.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden, met aftrek van het ondergane voorarrest, passend en geboden.
Vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr
De rechtbank ziet, gelet op de persoon van verdachte, aanleiding om ter beveiliging van het slachtoffer en ter voorkoming van strafbare feiten een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v Sr aan verdachte op te leggen. Deze maatregel houdt in dat verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect - contact mag opnemen met aangeefster [slachtoffer] (met uitzondering van professioneel begeleide contactmomenten en/of (begeleide) bezoekregelingen rondom de kinderen van verdachte en aangeefster, in overleg met [instelling 2] of een soortgelijke instelling) en zich niet mag bevinden in een straal van 500 meter rondom de woning van aangeefster. De rechtbank zal bevelen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor iedere keer dat verdachte deze maatregel overtreedt. Deze hechtenis bedraagt 14 dagen per overtreding, met een totale duur van maximaal zes maanden, en heft de verplichting op grond van de maatregel niet op. De maatregel wordt opgelegd voor de duur van 5 jaar.
Gelet op de persoon van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank zal om deze reden, op grond van artikel 38v lid 4 van het Wetboek van Strafrecht, de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaren.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het bevel tot voorlopige hechtenis, gelet op de straf die zij aan verdachte zal opleggen, opheffen.
10 BENADEELDE PARTIJ
Mevrouw [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 4000,00. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde.
9.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij in haar geheel toe te wijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en vermeerderd met de wettelijke rente, nu deze voldoende onderbouwd is.
9.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich, gelet op de bepleite integrale vrijspraak, primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard dient te worden in de vordering. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de vordering onvoldoende onderbouwd is en geen sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het toe te wijzen immateriële schadebedrag sterk gematigd dient te worden tot maximaal € 450,-.
9.2 Het oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek. Deze vergoeding kan worden toegekend indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van de aantasting 'op andere wijze' is in ieder geval sprake indien de benadeelde psychische schade heeft opgelopen.
Op basis van de onderbouwing van de vordering benadeelde partij is voldoende vast komen te staan dat aangeefster door het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreekse immateriële schade is toegebracht. De benadeelde heeft geen gegevens overgelegd op grond waarvan objectief kan worden vastgesteld dat er sprake is van geestelijk letsel. De rechtbank overweegt dat de aard en de ernst van de normschending (de belaging in combinatie met de bedreiging) in huidige zaak met zich brengen dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat aantasting in de persoon 'op andere wijze' kan worden aangenomen. Gelet op de aard en ernst van de normschending stelt de rechtbank het toe te wijzen bedrag naar billijkheid vast op € 500,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 14 april 2023 tot de dag van volledige betaling. Het causale verband tussen het bewezenverklaarde en de verdere benodigde (trauma)behandeling van de benadeelde kan niet worden vastgesteld, waardoor er onvoldoende grond is een hoger bedrag aan de benadeelde toe te kennen. Voor het meer gevorderde zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij
aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 500, - te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 14 april 2023 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 10 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de
benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
10 VORDERING TENUITVOERLEGGING
Bij vonnis van de politierechter te Midden-Nederland van 17 mei 2022 (parketnummer: 16/041360-22) is aan verdachte onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand opgelegd, waarbij onder andere als voorwaarde is gesteld dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
10.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling dient te worden toegewezen.
10.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich, gelet op de bepleite integrale vrijspraak, primair op het standpunt gesteld dat de vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling moet worden afgewezen.
Indien de rechtbank tot een veroordeling komt, heeft de raadvrouw subsidiair verzocht rekening te houden met de straf zie zij in de hoofdzaak aan verdachte zal opleggen. Bij de oplegging van een tbs-maatregel dient de tenuitvoerlegging van het bovengenoemde voorwaardelijke strafdeel geen enkel belang. Bij de oplegging van een (andersoortige) straf is de tenuitvoerlegging, gelet op de lange duur van het voorarrest, niet opportuun.
10.3 Het oordeel van de rechtbank
Zoals uit dit vonnis blijkt heeft verdachte zich voor het einde van de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan (soortgelijke) strafbare feiten. In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de bovengenoemde voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf worden gelast. Gelet op het feit dat de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de rechtbank aan verdachte zal opleggen overstijgt, acht de rechtbank de tenuitvoerlegging echter niet opportuun. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie dan ook afwijzen. Gelet op de rapportage van de reclassering zien zij geen mogelijkheden meer om verdachte te begeleiden bij de opgelegde bijzondere voorwaarden. De rechtbank zal deze voorwaarden dan ook opheffen zodat slechts de algemene voorwaarde dat verdachte geen nieuwe strafbare feiten zal plegen blijft gelden bij de resterende proeftijd.
11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
De beslissing berust op de artikelen 36f, 38v, 38w, 57, 63, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
12 BESLISSING
De rechtbank:
Vrijspraak - verklaart het onder parketnummer 16/152787-23 feit 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring - verklaart het onder parketnummer 16/152787-23 feit 2 en parketnummer 16/117652-23 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld; - verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart verdachte strafbaar;
Straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 maanden; - bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
Oplegging 38v-maatregel - legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van vijf jaren, inhoudende dat verdachte: - beveelt dat voor iedere keer dat door verdachte niet aan de maatregel wordt voldaan 14 dagen vervangende hechtenis wordt toegepast, met een maximum van 6 maanden; - beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
Voorlopige hechtenis - heft op het bevel tot voorlopige hechtenis;
Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/041360-22 - wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging; - heft op de bijzondere voorwaarden verbonden aan de voorwaardelijk opgelegde straf;
Benadeelde partij
Dit vonnis is gewezen door mr. P.K. van Riemsdijk, voorzitter, mrs. L.E. Verschoor-Bergsma en S.M. Schothorst, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.W. Hekker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 april 2024.
De voorzitter en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
16/152787-23
1hij op of omstreeks 17 juni 2023 te Breukelen, gemeente Stichtse Vecht, [slachtoffer] heeft mishandeld door: - die [slachtoffer] (met kracht) een kopstoot in het gezicht, althans tegen het hoofd, te geven en/of - die [slachtoffer] één of meermaals in de arm te knijpen, althans de arm stevig vast te pakken;
(art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
2hij in of omstreeks 1 februari 2023 tot en met 20 juni 2023 te Breukelen, gemeente Stichtse Vecht, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door meermaals, althans eenmaal: - die [slachtoffer] te bellen, en/of - zich rondom/bij.voor de woning van die [slachtoffer] te begeven,met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
(art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht)
16/117652-23
hij in of omstreeks 14 april 2023 tot en met 18 april 2023 te Breukelen , gemeente Stichtse Vecht [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen - "wat jij hebt gezegd gaat je je kop kosten", - "ik pak een moker en ik sla je hele kop", - "als ik binnen kom, vermink ik je", - "ik hoop dat je thuis bent want ik ga je pijnigen straks", - "ik pak jou vandaag nog", - "dat ik je pak vandaag, dat is wat zeker is" en/of - "ik ga jou pijn doen van hier tot aan de maan en weer terug", althans woorden vangelijke dreigende aard of strekking;
(art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht)