Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2023:7815 - Rechtbank Midden-Nederland - 26 april 2023

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2023:781526 april 2023

Uitspraak inhoud

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/130212-22 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 26 april 2023
in de strafzaak tegen
[verdachte]
    ,
geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats 1] ,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:
de [adres 1] , [postcode 1] te [plaats 1] ,
gedetineerd in P.I. [plaats 2] ,
(hierna: verdachte).

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 1 november 2022, 17 januari 2023 en 12 april 2023. De zaak is inhoudelijk behandeld op 12 april 2023.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A. Dam en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J. Vermaat, advocaat te Rotterdam , alsmede mr. P. van der Geest, advocaat te Utrecht, namens de benadeelde partij, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
onder 1, primair
op 9 mei 2022 in Utrecht [slachtoffer] heeft verkracht;
subsidiair
op 9 mei 2022 in Utrecht met [slachtoffer] , die de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van zestien jaar had bereikt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van haar lichaam;
onder 2, primair
op 8 mei 2022 in Zeist en/of Utrecht [slachtoffer] heeft aangerand;
subsidiair
op 8 mei 2022 in Utrecht en/of Zeist ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] .

3 VORMVERZUIMEN

3.1 Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat er twee vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek zijn begaan, waaraan rechtsgevolgen moeten worden verbonden.
Allereerst is de officier van justitie grof onachtzaam geweest, omdat hij heeft nagelaten om tijdig de historische telefoongegevens van aangeefster, verdachte en getuige [getuige] veilig te stellen. Dit terwijl de rechtbank hier expliciet de opdracht voor heeft gegeven. De telefoongegevens zijn inmiddels niet meer beschikbaar, waardoor potentieel ontlastend bewijsmateriaal verloren is gegaan. Dit levert een onherstelbaar vormverzuim op in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Er is sprake van een ernstige inbreuk op de beginselen van een goede procesorde en daarmee het recht op een eerlijk proces. De verdediging heeft primair aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte dient te worden verklaard, subsidiair dient strafvermindering te volgen.
Ten tweede heeft de verdediging aangevoerd dat uit het dossier volgt dat de verpakking van de onderzoeksset zedendelicten ZAAE1595NL niet met een wettelijk vereiste sluitzegel was afgesloten. Er is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv, welk verzuim met strafvermindering dient te worden gecompenseerd.
3.2 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie erkent dat de historische telefoongegevens veilig hadden moeten worden gesteld en dat dit nu niet meer mogelijk is, maar stelt zich op het standpunt dat niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie en strafmindering niet aan de orde zijn. De waarde van de historische telefoongegevens wordt door de verdediging overschat. De exacte route van verdachte en aangeefster en wie, waar, hoe lang is geweest, had niet uit de telefoongegevens afgeleid kunnen worden. Ten aanzien van het ontbreken van de vereiste sluitzegel heeft de officier van justitie aangevoerd dat hieraan niet het rechtsgevolg strafvermindering hoeft te worden verbonden nu transparant is vermeld hoe een en ander verlopen is en dit geen gevolgen heeft voor de betrouwbaarheid van de gevonden resultaten.
3.3 Het oordeel van de rechtbank
Juridisch kader
Indien in het voorbereidend onderzoek sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, kan dat op grond van artikel 359a Sv leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, tot bewijsuitsluiting of strafvermindering. De rechtbank kan ook volstaan met het constateren van het vormverzuim zonder daar enig rechtsgevolg aan te verbinden. Bij de beoordeling dient de rechtbank het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt in acht te nemen.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad komt niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval een in het voorbereidend onderzoek begaan vormverzuim daarin bestaat dat door met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren een zodanig ernstige inbreuk op het recht van verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens: "the proceedings as a whole were not fair".
Niet tijdig veiligstellen van de historische telefoongegevens
De rechtbank stelt vast dat het Openbaar Ministerie, ondanks de expliciete opdracht van de rechtbank, heeft nagelaten om de telefoongegevens van aangeefster, verdachte en getuige [getuige] tijdig veilig te stellen. Dit is een vormverzuim dat is begaan in het voorbereidend onderzoek. Het vormverzuim is ook onherstelbaar, aangezien de telefoongegevens niet meer beschikbaar zijn. De rechtbank moet vervolgens beoordelen of aan dit vormverzuim enig
rechtsgevolg verbonden moet worden. De rechtbank zal hierbij rekening houden met het
belang dat de geschonden norm dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.
De rechtbank heeft het verzoek tot het verstrekken van de historische telefoongegevens van verdachte, getuige [getuige] en aangeefster toegewezen, omdat het resultaat daarvan van belang kon zijn bij de beoordeling van het bewijs. Meer specifiek kon hierin naar de mening van de verdediging een bevestiging worden gevonden voor de verklaring van verdachte (dat hij aangeefster, na het afzetten van getuige [getuige] , direct naar huis heeft gebracht) óf die van aangeefster (dat zij na het afzetten van getuige [getuige] nog ergens zijn gestopt alwaar enkele feitelijke handelingen zouden hebben plaatsgevonden). De rechtbank is, in de eerste plaats, met de officier van justitie van oordeel dat het al dan niet (tussentijds) stoppen niet evident uit deze historische telefoongegevens zou kunnen blijken. De resultaten van het onderzoek zouden daarmee niet kunnen leiden tot een sluitende bevestiging van het door verdachte geschetste scenario. Ten tweede is de rechtbank van oordeel dat de historische telefoongegevens geen ander licht zullen werpen op alles wat verder in het dossier aanwezig is (waarover later meer) en daarmee op de verdenking. Welk concreet nadeel verdachte heeft gehad door het niet (meer kunnen) verstrekken van de telefoongegevens, is door de verdediging niet onderbouwd. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat niet gezegd kan worden dat geen sprake meer is van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Zij zal volstaan met het constateren van het vormverzuim zonder daar enig rechtsgevolg aan te verbinden.
Ontbreken wettelijke vereiste sluitzegel
De rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat de verpakking zedenonderzoeksset ZAAE1595NL niet met een wettelijk vereiste sluitzegel was afgesloten. Het ontbreken van een sluitzegel is in strijd met artikel 5 van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Door de verdediging is gesteld noch is gebleken dat het ontbreken van de sluitzegel op de verpakking van de zedenonderzoeksset ZAAE1595NL enig nadeel voor verdachte heeft veroorzaakt. De rechtbank is daarom van oordeel dat kan worden volstaan met de constatering van het vormverzuim.

4 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

5 WAARDERING VAN HET BEWIJS

5.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het onder feit 1 primair en onder feit 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. De verklaring van aangeefster is betrouwbaar. Het dossier bevat daarnaast voldoende steunbewijs. Het alternatieve scenario van verdachte is ongeloofwaardig, omdat het niet onderbouwd is en niet strookt met de bevindingen.
5.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van alle ten laste gelegde feiten, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De verklaring van aangeefster is onbetrouwbaar en mag om die reden niet voor het bewijs worden gebruikt. Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat het alternatieve scenario van verdachte op basis van de bewijsmiddelen niet kan worden uitgesloten. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat niet voldaan is aan het bewijsminimum, omdat de verklaring van aangeefster onvoldoende steun vindt in ander bewijs.
Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting ontkend dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen hem en aangeefster. Verdachte heeft op 14 februari 2023 in een brief aan de rechtbank verklaard dat het mogelijk is dat de spermacellen op de hand van aangeefster zijn aangetroffen, doordat aangeefster haar etui met drugs uit de tas met sekspeeltjes van verdachte en zijn partner heeft gehaald. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de seksspeeltjes na gebruik niet schoon werden gemaakt en dat hij deze in een tas in zijn werkauto bewaarde, zodat zijn kinderen er niet bij konden komen.
5.3 Het oordeel van de rechtbank
Bewijsoverweging
Bewijs in zedenzaken
Wanneer een verdachte in een zedenzaak ontkent, is het bewijs vaak beperkt. In veel gevallen staat de verklaring van de aangever tegenover die van de verdachte, waarbij er geen getuigen zijn die het verhaal van de aangever of juist het verhaal van de verdachte kunnen bevestigen. Meestal zijn namelijk alleen het (veronderstelde) slachtoffer en de (veronderstelde) dader aanwezig geweest bij het (veronderstelde) misbruik.
In zo'n geval dient de rechtbank in de eerste plaats de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangever te beoordelen. In het algemeen geldt daarbij dat uitlatingen en verklaringen moeten worden beoordeeld op consistentie, accuraatheid en volledigheid.
Als de verklaring van de aangever betrouwbaar wordt gevonden, moet de rechtbank bepalen of er voor de verklaring van de aangever voldoende steunbewijs uit (een) onafhankelijke bron(nen) in het dossier aanwezig is. In artikel 342 lid 2 Sv is namelijk bepaald dat de rechter het bewijs dat de verdachte een strafbaar feit heeft gepleegd niet uitsluitend kan baseren op de verklaring van één getuige of de aangever. Uitgangspunt voor dit vereiste van steunbewijs is dat niet voor alle onderdelen van de tenlastelegging steunbewijs aanwezig hoeft te zijn. Het gaat erom dat in elk geval een deel van de feiten en omstandigheden die in de aangifte worden genoemd ondersteuning vindt in een of meer andere bewijsmiddelen. Waarnemingen van getuigen die niet het kernverwijt (bijvoorbeeld seksuele handelingen) bevestigen, maar (mede) zelfstandige, eigen waarnemingen ten aanzien van de emotionele of fysieke toestand van een aangever inhouden op het moment dat de strafbare feiten plaatsvinden, of vlak daarna, kunnen voldoende steunbewijs opleveren voor het tenlastegelegde.
Betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster
Ook in deze zaak staat de verklaring van aangeefster op belangrijke punten lijnrecht tegenover de verklaring van verdachte. De rechtbank stelt vast dat aangeefster nauwkeurige, gedetailleerde en consistente verklaringen heeft afgelegd bij de politie. Daarom komen de verklaringen van aangeefster de rechtbank authentiek over. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat het Whatsapp-contact tussen aangeefster en verdachte na de vermeende strafbare feiten, niet maakt dat de verklaring van aangeefster onbetrouwbaar is. Hierbij acht de rechtbank het van belang dat aangeefster niet heeft ontkend dat er Whatsapp-contact heeft plaatsgevonden, en zij daarover al bij haar aangifte een verklaring heeft gegeven. Verder komt uit het dossier het beeld naar voren dat aangeefster een kwetsbare, jonge vrouw is. Ook de verdediging heeft aangegeven dat aangeefster worstelt, zowel thuis als op school. In dat licht bezien komt het de rechtbank niet onlogisch voor dat aangeefster, die op zichzelf aangewezen lijkt, (tevergeefs) steun bij anderen blijft zoeken, waaronder haar halfbroer. De rechtbank acht de verklaring van aangeefster betrouwbaar en zal deze daarom voor het bewijs gebruiken.
Steunbewijs
De rechtbank dient vervolgens, nu zij de verklaring van aangeefster betrouwbaar heeft geoordeeld, te beoordelen of er voldoende steunbewijs aanwezig is voor de ten laste gelegde feiten.
Ten aanzien van feit 1 (verkrachting): bewezenverklaring
De verklaring van aangeefster wordt ondersteund door de resultaten van het DNA-onderzoek verricht door het NFI. Aangeefster heeft verklaard dat zij verdachte moest pijpen en dat verdachte hierbij in haar mond is klaargekomen. Vervolgens heeft aangeefster het sperma van verdachte in haar linkerhand uitgespuugd, zo verklaart zij op 18 mei 2022. Uit het NFI-rapport van 11 juli 2022 blijkt dat DNA-profiel ZAAE1595NL#09 meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer het sperma afkomstig is van verdachte [verdachte] , dan wanneer het sperma afkomstig is van een willekeurige (niet aan [verdachte] verwante) persoon. De rechtbank concludeert op basis van het NFI-rapport dat op de ring aan de linkerhand van aangeefster spermacellen van verdachte zijn aangetroffen.
Daarnaast heeft aangeefster verklaard dat verdachte aan haar linkerborst heeft gezeten. Uit het NFI-rapport van 22 december 2022 blijkt dat op basis van het vergelijkend DNA-onderzoek wordt geconcludeerd dat verdachte [verdachte] , of een in de mannelijke lijn aan verdachte verwante man, donor kan zijn van een deel van het mannelijke DNA in deze bemonstering. De rechtbank leidt uit het NFI-rapport af dat DNA-materiaal van verdachte in de linkercup van de beha van aangeefster is aangetroffen. Verdachte heeft geen verklaring gegeven voor het aantreffen van zijn DNA-materiaal op de beha van aangeefster.
Naar het oordeel van de rechtbank sluiten de plaatsen waar het DNA-materiaal van verdachte is gevonden nagenoeg naadloos aan bij de seksuele handelingen waarover aangeefster heeft verklaard. De rechtbank is daarmee van oordeel dat de verklaring van aangeefster voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat aan het bewijsminimum is voldaan.
De rechtbank is van oordeel dat het alternatieve scenario van verdachte over de tas met seksspeeltjes niet aannemelijk is geworden en geen steun vindt in het dossier. Daarbij houdt de rechtbank er ook rekening mee dat verdachte dit alternatieve scenario pas op 14 februari 2023 voor het eerst naar voren heeft gebracht, terwijl de resultaten van het DNA-onderzoek al op 11 juli 2022 bekend zijn geworden. Dit doet af aan de geloofwaardigheid van de verklaring van verdachte.
De rechtbank is, op grond van bovenstaande bewijsoverwegingen, van oordeel dat het primaire feit dat ten laste is gelegd, is bewezen.
Ten aanzien van feit 2 (aanranding): vrijspraak
Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, kan de rechter het bewijs dat de verdachte een strafbaar feit heeft gepleegd niet uitsluitend baseren op de verklaring van één getuige, in dit geval aangeefster. Dat betekent dat de rechtbank moet bepalen of er voor de verklaring van aangeefster voldoende steunbewijs uit (een) onafhankelijke bron(nen) in het dossier aanwezig is. De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is en legt dat nu uit.
In deze zaak heeft de zus van aangeefster verklaard dat aangeefster futloos terug kwam op zondag 8 mei 2022 om 17:00 uur, nadat aangeefster met verdachte was weggeweest. Deze beschreven toestand van aangeefster is echter weinig concreet ("futloos"), maar bovendien niet zodanig specifiek en/of afwijkend ten opzichte van andere momenten dat dit steunbewijs oplevert. Uit het dossier blijkt namelijk dat aangeefster (in deze periode) vaker drugs gebruikte, hetgeen haar futloze toestand (ook) zou kunnen verklaren. Dit betekent dat er onvoldoende wettig bewijs voorhanden is om verdachte te veroordelen voor aanranding dan wel ontucht, zodat verdachte voor zowel het onder feit 2 primair als subsidiair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
      <footnoteReference id="_392f12d2-09ab-40b8-9f2f-d2ae72eaf63f">[1]</footnoteReference>
Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] van 18 mei 2022, inhoudende, voor zover van belang, het volgende:
Plaats delict: Utrecht
V = door verbalisant gestelde vraag;
A = door aangeefster gegeven antwoord.
V: Waarvan kom je aangifte doen?A: Van mijn halfbroer, dat hij mij heeft misbruikt.V: Tegen wie kom je aangifte doen?A: Tegen [verdachte] , mijn halfbroer.
V: Waar heeft de verkrachting plaatsgevonden?A: In zijn auto.V: Wanneer was dit?A: Vorige week maandag.[2]0: Ik zie op de kalender dat dit 9 mei 2022 was.
V: Vertel ons eens alles over wat er op maandag 9 mei 2022 is gebeurd?
A: Hij haalde het eruit en pakte mijn haar vast, heel strak. Hij haalde zijn geslacht uit zijn broek. Toen pakte hij mijn haar strak vast. Ik moest hem pijpen en ik kreeg geen adem hierdoor. Ik probeerde mij te verzetten, maar dit lukte niet door de drugs die hij mij gegeven had. Ik had geen kracht en geen adem om mij te verzetten. Hij kwam klaar in mijn mond.[3]
V: Vertel eens alles wat er toen gebeurde op de parkeerplek?
A: Hij pakte mijn haar, nadat hij zijn lul uit zijn broek haalde, stevig vast en toen... Ik vind het niet fijn om dit woord te gebruiken. Ik heb het net al gezegd.
V: Je noemde het net pijpen. Bedoelde dat jij hem moest pijpen?
A: Ja. Hij deed hem in mijn mond en ik kon niets doen. Ik kreeg geen adem en ik probeerde hem weg te duwen, maar dat lukte niet. Hij kwam toen klaar in mijn mond.
V: Waar pakte hij je vast?
A: Bij mijn haar, achterop mijn hoofd. Ik had mijn haar los en hij pakte een groot stuk van mijn haar vast. Hij deed mijn hoofd richting zijn geslacht.
V: Hoe was de staat van zijn lul?
A: Hij ging zich eerst zelf aftrekken en toen werd die stijf en toen moest ik hem pijpen.
V: Hoe ging dat aftrekken precies?A: Voordat hij mijn hoofd pakte, trok hij zich af.V: Hoe precies?A: Hij pakte mijn hand en bracht die naar zijn lul. Ik trok mijn hand weg en toen was zijn lul stijf en toen moest ik hem pijpen. Toen hij klaar was gekomen spuugde ik zijn sperma uit in mijn linkerhand en gooide zijn sperma naar buiten.[4]
V: Hij pakte je hand, die trok je in eerste instantie weg, vervolgens pakte hij je haar vast. Kon je hier nog wat tegen doen?
A: Nee.
V: En jouw handen, waar waren die toen jij hem moest pijpen?
A: Mijn linkerarm zat geklemd tegen het middenconsole. Met mijn rechterhand probeerde ik hem wegduwen, maar dit lukte niet omdat ik te zwak was. Ik kotste bijna over zijn lul heen.
0: Je vertelde ook tijdens het informatieve gesprek dat hij aan je vagina zat.V: Hoe kwam hij bij je vagina?A: Hij had met een hand mijn haar vast en met de andere probeerde hij in mijn broek te komen. Hij deed drie vingers in mijn vagina. Hij had mijn haar nog steeds vast met zijn linkerhand. Met zijn rechterhand betaste hij mij eerst bij mijn linker tiet en toen ging hij naar mijn kont en toen naar mijn geslachtsdeel**.**V: Hoe zat jij in de auto?
A: Ik zat op een heel ongemakkelijke manier. Hij positioneerde mij gewoon. Hij draaide mij richting hem.
V: Hoe kwam hij bij je borst?
A: Hij ging bovenlangs naar mijn linkerborst.
V: En bij je billen?
A: Toen ging hij via mijn rug naar mijn billen. Terwijl hij met zijn linkerhand mijn hoofd vast had, raakte hij mijn billen aan en ging toen onderlangs naar mijn vagina.
V: Hij zat in je vagina. Hoe ging dit?
A: Eerst met twee vingers en toen met drie.
V: Hoe weet je dat van twee en drie vingers?
A: Ik voelde het verschil.[5]
NFI Rapport Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een aangifte van een zedenmisdrijf gepleegd in Utrecht op 10 mei 2022, opgemaakt door dr. [A] , inhoudende, voor zover van belang, het volgende:
Tien bemonsteringen uit de onderzoeksset zedendelicten ZAAE1595NL van slachtoffer
[slachtoffer] zijn onderzocht op de aanwezigheid van biologische sporen.
Tabel 1: Resultaten van het sporenonderzoek
      <footnoteReference id="_8e265b70-2450-4b1d-9075-b0489f548c18">[6]</footnoteReference>
Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek
      __ZAAE1595NL#09 (ring linkerhand (nat))__
      Het DNA-profiel dat is verkregen van het sperma in deze bemonstering betreft een DNA-profiel waarvan is aangenomen dat alle DNA-kenmerken van één persoon afkomstig zijn. Voor dergelijke DNA-profielen is vastgesteld dat wanneer het DNA-profiel van een persoon ermee overeenkomt de bewijskracht meer dan één miljard is.
Daarom geldt dat DNA-profiel ZAAE1595NL#09 meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer het sperma afkomstig is van verdachte [verdachte] , dan wanneer het sperma afkomstig is van een willekeurige (niet aan [verdachte] verwante) persoon.[7]
NFI Rapport Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een aangifte van een zedenmisdrijf gepleegd in Utrecht op 10 mei 2022, opgemaakt door [B ] , inhoudende, voor zover van belang, het volgende:
Tabel 2: Bemonsteringen van sporenmateriaal
Tabel 3: DNA-profielen van personen betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek
Y-chromosomaal DNA-onderzoek
Er is een aanwijzing verkregen voor een relatief (zeer) geringe hoeveelheid mannelijk DNA in bemonstering AAPD2294NL#01 (binnenzijde linkercup bh).
Resultaten, interpretatie en conclusie van het vergelijkend Y-chromosomaal DNA-
onderzoek
Van het referentiemateriaal van verdachte [verdachte] RFM632 is een Y-chromosomaal
DNA-profiel verkregen. Dit DNA-profiel is vergeleken met het Y-chromosomale DNA-profiel van het mannelijke DNA in bemonstering AAPD2294NL#01.
Op basis van het vergelijkend DNA-onderzoek wordt geconcludeerd dat verdachte [verdachte] , of een in de mannelijke lijn aan verdachte verwante man, donor kan zijn van een deel van het mannelijke DNA in deze bemonstering.[9]

6 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
op 9 mei 2022 te Utrecht door geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten - het (met kracht) duwen/brengen van de penis in de mond van die [slachtoffer] en - het duwen/brengen van de vingers in de vagina van die [slachtoffer] en - het aanraken/betasten over de borsten van die [slachtoffer] ,
waarbij hij haar hoofd en haren (met kracht) heeft vastgepakt en meermalen voorbij is gegaan aan het non-verbale verzet van die [slachtoffer] .
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal - en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

7 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:
(feit 1, primair)
verkrachting.

8 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 OPLEGGING VAN STRAF

9.1 De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, een contactverbod met slachtoffer en een locatiegebod van 200 meter rondom de school van slachtoffer en de verblijfplaats van slachtoffer. Verder heeft de officier van justitie gevorderd een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, inhoudende een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod voor de woon-/verblijfplaats en de school van het slachtoffer voor de duur van 3 jaren, met 3 weken vervangende hechtenis per overtreding.
9.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, voor het geval de rechtbank tot een veroordeling komt, verzocht om een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De verdediging heeft verzocht om strafvermindering toe te passen vanwege de vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek. Daarnaast heeft de verdediging verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de moeilijke achtergrond, de huidige gezinssituatie en de baan van verdachte.
9.3 Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting van zijn halfzusje, terwijl zij pas vijftien jaar oud was. Verdachte heeft daarmee het door haar in hem gestelde vertrouwen beschaamd en een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van zijn halfzusje. Uit het dossier komt het beeld naar voren van een kwetsbaar, zoekend, meisje. Daarnaast was het slachtoffer ten tijde van het strafbare feit onder invloed van drugs, hetgeen haar extra kwetsbaar maakte. Verdachte was daarvan op de hoogte. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij misbruik heeft gemaakt van de kwetsbaarheid van het slachtoffer, zijn halfzus.
Verdachte heeft bij zijn handelen slechts oog gehad voor de bevrediging van zijn eigen lustgevoelens, waarbij hij zich in het geheel niet heeft bekommerd om de schade die hij daarmee bij zijn halfzusje zou kunnen aanrichten. Gedragingen zoals door verdachte gepleegd kunnen, naar de ervaring leert, voor de slachtoffers ernstige psychische gevolgen hebben. Dat de gedragingen voor het slachtoffer nadelige psychische gevolgen hebben gehad en nog altijd hebben, is onder meer gebleken uit de toelichting op de vordering tot schadevergoeding.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het op naam van verdachte staand uittreksel justitiële documentatie van 14 maart 2023, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het advies van Reclassering Nederland, van 30 maart 2023, opgemaakt door R.T.M. Holthuijsen. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf met daarbij bijzondere voorwaarden, te weten (i) een meldplicht bij de reclassering, (ii) ambulante behandeling en (iii) een contactverbod met het slachtoffer en (iv) een locatieverbod. Volgens de reclassering is bij een bewezenverklaring een behandeltraject geïndiceerd.
De straf
Gelet op de aard en ernst van het feit, zoals hiervoor uiteengezet, kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt. Een forse vrijheidsstraf is gelet op de aard en ernst van het feit op zijn plaats.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt genomen. Voor verkrachting gepaard gaande met een beperkte mate van dwang geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden. Indien de verkrachting gepaard gaat met geweld of met een daarmee vergelijkbare mate van dwang geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden. Gelet op de omstandigheden waaronder de verkrachting is begaan, zoals hiervoor onder het kopje 'de ernst van het feit' benoemd, neemt de rechtbank de laatstgenoemde gevangenisstraf van 36 maanden als uitgangspunt bij de bepaling van de straf.
De rechtbank heeft ook gekeken naar wat in vergelijkbare zaken wordt opgelegd. Omdat de rechtbank minder feiten bewezen acht dan de officier van justitie, komt zij tot een lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, passend. Aan dit voorwaardelijke deel verbindt de rechtbank de algemene voorwaarden en de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd door de officier van justitie.
Vrijheidsbeperkende maatregel
De rechtbank zal aan verdachte ook een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen. De maatregel houdt in dat verdachte gedurende een periode van drie jaren geen contact mag opnemen met het slachtoffer en zich niet binnen een straal van 200 meter bij het verblijfadres (mocht dat verdachte bekend worden) en de school van het slachtoffer mag bevinden. De rechtbank zal bevelen dat voor iedere keer dat verdachte het contact - of locatieverbod overtreedt, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van drie weken, met een maximum van zes maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Hoewel dit namens het slachtoffer is gevraagd, zal de rechtbank geen locatieverbod opleggen ten aanzien van de woning van de moeder van het slachtoffer, omdat de moeder van het slachtoffer ook de moeder van verdachte is en verdachte verklaart nog contact met zijn moeder te hebben.

10 BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 25.375,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 15.375,00 materiële schade en € 10.000,00 immateriële schade, ten gevolge van de aan verdachte ten laste gelegde feiten.
10.1 De toelichting op de vordering van de benadeelde partij
De advocaat van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting aangegeven dat de gegevens van de wettelijke vertegenwoordiger niet op de vordering tot schadevergoeding zijn ingevuld, omdat het de benadeelde partij – gelet op de complexe gezinssituatie – niet is gelukt om toestemming aan haar wettelijke vertegenwoordiger te vragen. De advocaat heeft van de benadeelde partij ook geen toestemming gekregen om contact op te nemen met de wettelijke vertegenwoordiger of een gerechtelijke procedure voor vervangende toestemming te starten. Desalniettemin dient de benadeelde partij op basis van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid ontvankelijk in haar vordering te worden verklaard. Subsidiair heeft de advocaat de rechtbank verzocht om ambtshalve een schadevergoedingsmaatregel op te leggen voor het gevorderde bedrag van € 25.375,00. De advocaat heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2019:793). Verder wordt gevorderd om te bepalen dat de schadevergoeding op een spaarrekening met een BEM-clausule zal worden gestort en om vervangende toestemming te verlenen aan de benadeelde partij, zodat zij zelf in staat wordt geacht om een dergelijke spaarrekening te openen.
10.2 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding. De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering tot schadevergoeding geheel toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank zal bepalen dat het toegewezen bedrag zal worden gestort op een voor de minderjarige te openen spaarrekening met een BEM-clausule.
Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in haar vordering, dan verzoekt de officier van justitie een schadevergoedingsmaatregel ter hoogte van het gevorderde bedrag op te leggen.
10.3 Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank, gelet op de bepleite vrijspraak, primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Voor het geval de rechtbank tot een veroordeling komt, meent de verdediging dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering moet worden verklaard, omdat niet aan de formele vereisten is voldaan. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht om de vordering met betrekking tot de materiële schade af te wijzen, omdat het causale verband ontbreekt, en de vordering met betrekking tot de immateriële schade te matigen.
10.4 Het oordeel van de rechtbank
Niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij
Op grond van artikel 51f, vierde lid, Sv kan een minderjarig slachtoffer zich niet zelfstandig of via haar advocaat als benadeelde partij in het strafproces voegen. Zij moet in rechte worden vertegenwoordigd door haar wettelijke vertegenwoordiger, die zich desgewenst overeenkomstig artikel 51c, derde lid, Sv ter terechtzitting kan laten vertegenwoordigen door een advocaat. Gebleken is dat de wettelijk vertegenwoordiger geen toestemming heeft gegeven; het is ook niet gevraagd. Evenmin is een procedure voor vervangende toestemming gestart. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de situatie waarin het slachtoffer zich bevindt, is zij toch van oordeel dat deze wettelijke vereisten niet door toepassing van de redelijkheid en billijkheid terzijde kunnen worden geschoven. Er zijn immers mogelijkheden voor de minderjarige, met haar advocaat, om zich in rechte wettelijk te laten vertegenwoordigen en deze mogelijkheden zijn niet uitgeput. De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, nu deze niet op de door de wet voorgeschreven wijze is ingediend. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel?
Hoewel het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel gezien de aard van het strafbare feit in de rede ligt, zal de rechtbank hiertoe niet overgaan, omdat zij een belemmering ziet bij de uitvoering van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. De benadeelde partij is – vanwege haar minderjarigheid – niet bevoegd om zelfstandig een spaarrekening met BEM-clausule te openen. Ook hiervoor geldt dat zij dit met haar wettelijk vertegenwoordiger moet doen of vervangende toestemming moet verzoeken bij de kantonrechter. Aan het openen van de rekening zitten dus (nu) nog wat haken en ogen. Daarnaast bestaat het risico dat er geen spaarrekening wordt geopend, waardoor de schadevergoeding alsnog niet aan de benadeelde partij kan worden uitbetaald. Dit maakt dat de rechtbank een te grote belemmering ziet in de uitvoering van de schadevergoedingsmaatregel en daarom het verzoek tot opleggen van de schadevergoedingsmaatregel in dit geval zal afwijzen.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38v, 38w en 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:
Vrijspraak - verklaart het onder feit 2 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring - verklaart het onder feit 1 primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 7 is vermeld; - verklaart verdachte strafbaar;
Oplegging straf en maatregel - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 maanden; - bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; - bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 9 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van drie (3) jaren vast; - als algemene voorwaarden gelden dat verdachte:
  • zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen; - als bijzondere voorwaarden gelden dat verdachte gedurende de proeftijd:
  • zich binnen 2 dagen na het ingaan van de proeftijd zal melden bij Reclassering Nederland op het adres Zwarte Woud 2 te Utrecht. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
  • zal meewerken aan het tot stand komen van verdiepingsdiagnostiek en zich zal laten behandelen door De Waag Nederland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
  • op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal zoeken, maken of hebben met mevrouw [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats 2] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod noodzakelijk acht, doch niet langer dan de gestelde proeftijd;
  • op geen enkel moment zich zal bevinden: - binnen een straal van 200 meter rondom het verblijfadres (mocht verdachte dit bekend worden) van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats 2] ; - binnen een straal van 200 meter rondom het [onderwijsinstelling] aan de [adres 2] , [postcode 2] [plaats 1] ;
  • binnen een straal van 200 meter rondom het verblijfadres (mocht verdachte dit bekend worden) van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats 2] ;
  • binnen een straal van 200 meter rondom het [onderwijsinstelling] aan de [adres 2] , [postcode 2] [plaats 1] ; - beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel wordt vervangen door 3 weken hechtenis voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden; - de toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Benadeelde partij
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Reitsma, voorzitter, mr. A.A.T. Werner en mr. O. Böhmer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.J. van Bergeijk en mr. J. Broere, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 april 2023.
mr. A.A.T. Werner en mr. J. Broere zijn buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
1
hij in of omstreeks 9 mei 2022 te Utrecht, althans in Nederland, door geweld of een
andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer]
heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die
bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam
van die [slachtoffer] , te weten - het (met kracht) duwen/brengen van de penis in de mond van die [slachtoffer] en/of - het (met kracht) duwen/brengen van de vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer]
en/of - het aanraken/betasten en/of wrijven over de borst(en) van die [slachtoffer] ,
waarbij hij haar hoofd en/of haren (met kracht) heeft vastgepakt en/of meermalen
voorbij is gegaan aan het verbale en/of non-verbale verzet van die [slachtoffer] ;
( art 242 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 9 mei 2022 te Utrecht, althans in Nederland, met [slachtoffer] ,
geboren op [geboortedatum] 2007, die de leeftijd van twaalf jaren
maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt,
een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of
mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die
[slachtoffer] , te weten - het (met kracht) duwen/brengen van de penis in de mond van die [slachtoffer] en/of - het (met kracht) duwen/brengen van de vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer]
en/of - het aanraken/betasten en/of wrijven over de borst(en) van die [slachtoffer] ;
( art 245 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 8 mei 2022 te Zeist en/of Utrecht, althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer]
heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige
handelingen, te weten - het wrijven over en/of vastpakken van de (binnenkant van het) (dij)been van die
[slachtoffer] en/of - het aanraken/betasten van de billen en/of knijpen in de billen van die [slachtoffer] ,
waarbij hij meermalen voorbij is gegaan aan het verbale en/of non-verbale verzet
van die [slachtoffer] en/of tegen die [slachtoffer] heeft gezegd: "Je moet er maar tegen
kunnen" en/of "Wen er maar aan", althans woorden van gelijke (dwingende) aard
en/of strekking;
( art 246 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 8 mei 2022 te Utrecht en/of Zeist, althans in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2007, die toen de leeftijd van zestien jaren
nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft
gepleegd, te weten - het wrijven over en/of vastpakken van de (binnenkant van het) (dij)been van die
[slachtoffer] en/of - het aanraken/betasten van de billen en/of knijpen in de billen van die [slachtoffer] ;
( art 247 Wetboek van Strafrecht )
Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina's van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0900-2022130754, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 178. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
Een proces-verbaal aangifte door [slachtoffer] op 18 mei 2022, pagina 54.
Een proces-verbaal aangifte door [slachtoffer] op 18 mei 2022, pagina 55.
Een proces-verbaal aangifte door [slachtoffer] op 18 mei 2022, pagina 63.
Een proces-verbaal aangifte door [slachtoffer] op 18 mei 2022, pagina 64.
Een geschrift, te weten een rapport van het NFI van 11 juli 2022, pagina 164.
Een geschrift, te weten een rapport van het NFI van 11 juli 2022, pagina 165.
Een geschrift, te weten een rapport van het NFI van 22 december 2022 (in het digitale dossier opgenomen onder het kopje 'NFI-rapport'), pagina 3.
Een geschrift, te weten een rapport van het NFI van 22 december 2022 (in het digitale dossier opgenomen onder het kopje 'NFI-rapport'), pagina 4. - - - ## Voetnoten
Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina's van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0900-2022130754, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 178. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
Een proces-verbaal aangifte door [slachtoffer] op 18 mei 2022, pagina 54.
Een proces-verbaal aangifte door [slachtoffer] op 18 mei 2022, pagina 55.
Een proces-verbaal aangifte door [slachtoffer] op 18 mei 2022, pagina 63.
Een proces-verbaal aangifte door [slachtoffer] op 18 mei 2022, pagina 64.
Een geschrift, te weten een rapport van het NFI van 11 juli 2022, pagina 164.
Een geschrift, te weten een rapport van het NFI van 11 juli 2022, pagina 165.
Een geschrift, te weten een rapport van het NFI van 22 december 2022 (in het digitale dossier opgenomen onder het kopje 'NFI-rapport'), pagina 4.