Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2023:4526 - Rechtbank Midden-Nederland - 7 augustus 2023
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2023:4526•7 augustus 2023
Formele relaties
Uitspraak inhoud
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/1010
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. S.N. Ali),
en
Belastingdienst/Toeslagen, verweerder(gemachtigde: mr. [A] ).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 17 november 2021 tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Op 18 maart 2023 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Partijen zijn gevraagd of zij gehoord willen worden op een zitting. Geen van partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van dit recht.[1] Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Ingebrekestelling
- Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.
[2] Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.[3]
- In het verweerschrift stelt verweerder zich in de eerste plaats op het standpunt dat de door eiseres gestelde ingebrekestelling van 28 maart 2022 niet is aangetroffen in de systemen van verweerder. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is daarom niet-ontvankelijk. Eiseres heeft in reactie op het verweerschrift een nader standpunt ingenomen. Zij stelt dat de ingebrekestelling wel is ontvangen door verweerder. Eiseres heeft daarbij een kopie van de ingebrekestelling, voorzien van een ontvangststempel van verweerder, overgelegd.
- Gelet op de ingebrekestelling met ontvangststempel van verweerder, is er voor de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de ontvangst van de ingebrekestelling door verweerder. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dan ook niet.
- In de tweede plaats stelt verweerder dat de ingebrekestelling prematuur is gedaan, omdat eiseres de bezwaargronden op 28 augustus 2022 heeft ingediend en de beslistermijn vanaf dat moment is gestart. De beslistermijn eindigde daarmee op 21 november 2022 en de ingebrekestelling is door verweerder ontvangen op 31 maart 2022, dus voor het einde van de beslistermijn. Bovendien kon verweerder geen besluit nemen zonder de gronden, omdat dat in strijd met het recht zou zijn. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is daarom niet-ontvankelijk.
- De rechtbank is van oordeel dat eiseres ontvankelijk is in haar beroep. Eiseres heeft verweerder weliswaar in gebreke gesteld voor het einde van de beslistermijn, maar de rechtbank ziet hierin in dit geval geen aanleiding om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Het gaat in deze zaak over herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. Verweerder heeft inmiddels 56.000 van dergelijke aanmeldingen ontvangen. Algemeen bekend is dat dit tot vertraging in de afhandeling van zaken leidt en tot overschrijding van beslistermijnen. Onder deze omstandigheden vindt de rechtbank het niet juist om eiseres in dit stadium, waarin de beslistermijn inmiddels al geruime tijd is overschreden, tegen te werpen dat zij de ingebrekestelling "te vroeg" heeft gedaan.
- Het beroep is ontvankelijk en gegrond. Verweerder heeft namelijk niet tijdig op het bezwaar beslist en er zijn twee weken verstreken sinds verweerder in gebreke is gesteld.
Verweerder moet alsnog een besluit nemen
- Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.
[4] In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen.[5]
- Op 14 april 2023
[6] heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank uitspraak gedaan over de termijn waarop verweerder alsnog een besluit bekend moet maken in dit soort zaken. In deze uitspraak heeft de rechtbank uiteen gezet dat zij voortaan als uitgangspunt hanteert dat verweerder een nadere beslistermijn krijgt tot 1 juli 2024. In deze zaak ziet de rechtbank geen aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken. Zij verwijst naar de uitspraak van 14 april 2023 voor de daaraan ten grondslag liggende overwegingen.
- De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100, - moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. Dit is het uitgangspunt voor dit soort zaken en de rechtbank ziet geen reden om hier in dit geval van af te wijken.
Bestuurlijke dwangsom
- Eiseres heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23, - per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35, - per dag en de overige dagen € 45, - per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden.
[7]
- Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom niet formeel in een besluit vastgesteld.De rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom vast op het maximale bedrag van € 1.442,-, omdat er inmiddels al 42 dagen zijn verstreken sinds verweerder in gebreke is.
Proceskosten en griffierecht
- Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 418,50.
- Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond;
**-**vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; - draagt verweerder op uiterlijk 1 juli 2024 alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken; - bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100, - moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; - stelt de door verweerder te betalen dwangsom vast op € 1.442,-; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 418,50; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50, - aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.C. Hak, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2023.
De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Artikel 8:57, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.
ECLI:NL:RBMNE:2023:1702.
Artikelen 4:17 en 4:18, eerste lid, van de Awb. - - - ## Voetnoten