Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2022:6655 - Rechtbank Midden-Nederland - 29 september 2022

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2022:665529 september 2022

Uitspraak inhoud

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/308708-20 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 29 september 2022
in de strafzaak tegen
[verdachte]
    ,
geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] , hierna: verdachte.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 september 2022.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. R.E. Craenen en van hetgeen verdachte en het slachtoffer [slachtoffer] naar voren hebben gebracht.
Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting op 29 september 2022 heeft de rechtbank uitspraak gedaan.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er in het kort op neer dat verdachte:
Feit 1
primair
op 30 juli 2020 te Wijk bij Duurstede als bestuurder van een motorrijtuig (snorfiets), onder invloed, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor bij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht;
subsidiair
op 30 juli 2020 te Wijk bij Duurstede als bestuurder van een motorrijtuig (snorfiets), met zijn rijgedrag gevaar op de weg heeft veroorzaakt;
Feit 2
op 30 juli 2020 te Wijk bij Duurstede als bestuurder van een motorrijtuig (snorfiets) waarvoor hij geen rijbewijs had, dit motorrijtuig bestuurd heeft onder invloed van alcohol, THC en cocaïne.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Hij voert aan dat op basis van het dossier en het ter terechtzitting verhandelde blijkt dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen. Het slachtoffer heeft als gevolg van die gedragingen een open botbreuk van het onderbeen opgelopen waardoor hij meerdere keren een operatie heeft moeten ondergaan en nog steeds aan het herstellen is. Daarmee is sprake van zwaar lichamelijk letsel.
4.2 Het standpunt van de verdediging
Verdachte voert geen bewijsverweer.
4.3 Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde bekend. Verdachte heeft geen vrijspraak voor deze feiten bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:
De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.
Bewijsoverwegingen
Feit 1
In de nacht van 30 juli 2020 heeft verdachte een snorfiets bestuurd, waarvoor hij geen rijbewijs had. Achterop de snorfiets zat [slachtoffer] . Verdachte reed op een onverplicht fietspad en reed onvoldoende rechts, waardoor hij tegen een ijzeren paaltje aankwam dat in het midden van het fietspad stond. Bij dit verkeersongeval liep [slachtoffer] een open beenbreuk aan het rechteronderbeen op. Na dit ongeval werd bij verdachte een bloedonderzoek uitgevoerd en daaruit bleek dat hij 1,06 milligram alcohol per milliliter bloed, 2,5 microgram cannabis (THC) per liter bloed en 35 microgram cocaïne per liter bloed in zijn bloed had.
De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of dit verkeersongeval aan de schuld van verdachte te wijten is en zo ja, in welke gradatie (in de tenlastelegging tot uitdrukking gebracht met de bewoordingen 'roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend') en hoe het letsel van [slachtoffer] juridisch gekwalificeerd dient te worden.
Mate van schuld
Voor een bewezenverklaring van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) is vereist dat vast komt te staan dat een verdachte zich zodanig heeft gedragen in het verkeer dat een aan zijn schuld te wijten ongeval plaatsvindt. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2004:AO5822) blijkt dat of er sprake is van schuld afhangt van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanmerkelijk onvoorzichtig/onoplettend, zeer onvoorzichtig/onoplettend en roekeloos rijgedrag.
Vaststaat dat verdachte met zijn rijgedrag een verkeersongeval heeft veroorzaakt door tegen een ijzeren paal te rijden. Daarbij heeft verdachte op een onverplicht fietspad gereden, terwijl hij van dit fietspad geen gebruik mocht maken als bestuurder van een snorfiets met ingeschakelde motor. Verdachte heeft verklaard dat hij het ijzeren paaltje dat in het midden van het fietspad stond helemaal niet heeft gezien, totdat het slachtoffer opmerkte dat zij een paaltje naderden. Verdachte heeft aangegeven dat hij naar rechts wilde gaan, maar het toen al te laat was. Verdachte heeft dus op het fietspad ook onvoldoende rechts gehouden. Verdachte was bovendien niet bevoegd om op een snorfiets te rijden. De combinatie van de hiervoor genoemde omstandigheden leidt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden. Daardoor heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank een groot risico genomen, niet alleen voor zichzelf en zijn passagier (die daar nu de gevolgen van moet ondervinden), maar ook voor andere verkeersdeelnemers.
Op het moment van het verkeersongeval verkeerde verdachte onder invloed van alcohol, THC en cocaïne, met gehaltes boven de daarvoor gestelde grenswaarden bij combinatiegebruik van die middelen.
Letsel
De rechtbank is van oordeel dat het ongeval voor het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad. Dit blijkt uit de geneeskundige verklaring van 6 augustus 2020 waarin wordt gesproken over een open botbreuk van het onderbeen en een geschatte herstelduur van 6 maanden. Verder betrekt de rechtbank bij haar oordeel de verklaring van het slachtoffer ter terechtzitting over de operatieve ingrepen in het ziekenhuis, het herstel en de revalidatie die nog gaande zijn en de beperkingen die het slachtoffer momenteel nog ondervindt.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 primair ten laste gelegde.
Feit 2
Op basis van de voornoemde bewijsmiddelen en onder verwijzing naar wat onder feit 1 is overwogen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 2 ten laste gelegde.
De rechtbank neemt voor wat betreft feit 1 en feit 2 eendaadse samenloop aan. De in het feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde feitelijkheden, die zien op het onder invloed van middelen veroorzaken van een verkeersongeval, vallen onder de strafbepalingen van artikelen 6, 175 en 8 van de WVW 1994 en leveren in die mate een samenhangend feitencomplex op, zodat verdachte in wezen één verwijt wordt gemaakt.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
Feit 1
primair
hij op of omstreeks 30 juli 2020 te Wijk bij Duurstede, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, (snorfiets), daarmede rijdende over de weg, (Euvenpad), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althansaanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend, - zonder in het bezit te zijn van een voor dit motorrijtuig geldend rijbewijs op een onverplicht fietspad met die snorfiets met ingeschakelde motor is gaan rijden en/of - op dat fietspad onvoldoende rechts heeft gehouden en/of - een op (het midden van) dat fietspad aangebracht paaltje (om auto's van dat onverplichte fietspad te weren) zodanig heeft genaderd en/of dusdanig dicht aan de linkerzijde voorbij is gereden dat zijn passagier op die snorfiets met diens rechterbeen dat paaltje heeft geraakt, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten open onderbeenfractuur, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit
tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is
ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover
daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde
betekenis te zijn gebezigd;
Feit 2
hij op of omstreeks 30 juli 2020 te Wijk bij Duurstede, als bestuurder van een motorrijtuig (snorfiets), dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, - 1,06 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, en/of - 2,5 microgram THC per liter bloed en/of - 35 microgram cocaïne per liter bloed
terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder dat aan hem een rijbewijs was afgegeven.
Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal - en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:
eendaadse samenloop van:
feit 1 primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van deze wet
en
feit 2: overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1 De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een taakstraf van 240 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis. Daarbij vordert hij een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 2 jaren, waarvan een gedeelte van 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
8.2 Het standpunt van de verdediging
Verdachte voert geen strafmaatverweer.
8.3 Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van het feit
Verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dat het letsel van het slachtoffer niet nog ernstiger was, aangezien vlak na het ongeval het ambulancepersoneel sprak over een bijna volledige amputatie van het onderbeen, is puur geluk geweest. Verdachte heeft onvoorzichtig en onverantwoordelijk rijgedrag vertoond en heeft zich daarbij schuldig gemaakt aan de strafverzwarende omstandigheid dat hij heeft gereden onder invloed van alcohol en verdovende middelen. Het onverantwoorde handelen van verdachte blijkt ook uit het feit dat verdachte wist dat hij niet bevoegd was om een snorfiets te besturen. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van 22 augustus 2022, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Op te leggen straf
De rechtbank heeft gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Die gaan voor het veroorzaken van een ongeval met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg en met een dergelijke hoeveelheid middelen in het bloed uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 2 jaren.
In dit geval heeft het echter lang geduurd voordat de zaak op zitting is behandeld. Als uitgangspunt heeft te gelden dat dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of haar raadsman en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. De redelijke termijn is aangevangen op 30 juli 2020, toen verdachte werd gehoord. Het eindvonnis wordt op 13 oktober 2022 gewezen en dat betekent dat de redelijke termijn is overschreden. Gelet daarop acht de rechtbank het – net als de officier van justitie – niet passend om verdachte nu nog een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Ook een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaren acht de rechtbank niet passend meer. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat verdachte geen rijbewijs heeft en in afwachting van deze zaak ook geen rijlessen heeft genomen.
De rechtbank acht, met de officier van justitie, een forse taakstraf en een forse ontzegging van de rijbevoegdheid passend, met daarnaast nog een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. De rechtbank houdt echter in de strafoplegging rekening met de hoogte van de taakstraf in verband met de eendaadse samenloop van de bewezenverklaarde feiten.
Alles afwegend acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 200 uren en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 2 jaren, waarvan een gedeelte van 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen
zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:
Bewezenverklaring - verklaart het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld; - verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid - verklaart het onder feit 1 primair en feit 2 bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart verdachte strafbaar;
Oplegging straf - veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 200 uren; - beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 100 dagen hechtenis; - ontzegt verdachte ter zake van het onder feit 1 primair en feit 2 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaren; - bepaalt dat van de ontzeggingeen gedeelte, voor de duur van 1 jaar, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast; - stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast; - als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. van Ommeren, voorzitter, mr. N.P.J. Janssens en mr. M.E. Dekker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Stekkel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 september 2022.
Mr. M.E. Dekker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 30 juli 2020 te Wijk bij Duurstede, in elk geval in Nederland, als
verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (snorfiets),
daarmede rijdende over de weg, (Euvenpad), zich zodanig heeft gedragen dat een
aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in
elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, - zonder in het bezit te zijn van een voor dit motorrijtuig geldend rijbewijs op een
onverplicht fietspad met die snorfiets met ingeschakelde motor is gaan rijden en/of - op dat fietspad onvoldoende rechts heeft gehouden en/of - een op (het midden van) dat fietspad aangebracht paaltje (om auto's van dat
onverplichte fietspad te weren) zodanig heeft genaderd en/of dusdanig dicht aan de
linkerzijde voorbij is gereden dat zijn passagier op die snorfiets met diens
rechterbeen dat paaltje heeft geraakt,
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten
open onderbeenfractuur, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit
tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is
ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of
tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan
een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of
negende lid van genoemde wet;
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover
daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde
betekenis te zijn gebezigd;
( art 163 lid 2 Wegenverkeerswet 1994, art 6 Wegenverkeerswet 1994, art 8 lid 1
Wegenverkeerswet 1994, art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994, art 8 lid 2
ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994 )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 juli 2020 te Wijk bij Duurstede als bestuurder van een
voertuig (snorfiets), daarmee rijdende op de weg, Euvenpad (zijnde een onverplicht
fietspad), - op dat fietspad onvoldoende rechts heeft gehouden en/of - een op (het midden van) dat fietspad aangebracht paaltje (om auto's van dat
onverplichte fietspad te weren) zodanig heeft genaderd en/of dusdanig dicht aan de
linkerzijde voorbij is gereden dat zijn passagier op die snorfiets met diens
rechterbeen dat paaltje heeft geraakt
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,
althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,
althans kon worden gehinderd;
( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )
2
hij op of omstreeks 30 juli 2020 te Wijk bij Duurstede, als
bestuurder van een motorrijtuig (snorfiets) dit motorrijtuig heeft bestuurd na
zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in
zijn bloed bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid,
aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, - 1,06 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram alcohol per milliliter bloed
bleek te zijn,
en/of - 2,5 microgram THC per liter bloed en/of - 35 microgram cocaïne per liter bloed
terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs
was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder dat aan hem een
rijbewijs was afgegeven;
( art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994 )