Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2022:6654 - Rechtbank Midden-Nederland - 10 augustus 2022
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2022:6654•10 augustus 2022
Uitspraak inhoud
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/034834-22; 16/093865-17 (vord. tul) (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 10 augustus 2022
in de strafzaak tegen
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon - of verblijfplaats, gedetineerd te P.I. [plaats] ,
hierna: verdachte.
1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 10 mei 2022 en 27 juli 2022.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A. Stoop en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. A.M.J. Comans, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.
2 TENLASTELEGGING
De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1 primairop 9 februari 2022 te De Bilt heeft geprobeerd aan [aangever 1] , hoofdagent, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door (met) een baksteen op korte afstand in de richting van het hoofd van [aangever 1] te gooien/te slaan;
subsidiair
op 9 februari 2022 te De Bilt [aangever 1] heeft bedreigd door (met) een baksteen richting zijn hoofd te gooien/te slaan;
feit 2 op 9 februari 2022 te De Bilt [aangever 1] , hoofdagent, heeft mishandeld door met een baksteen op korte afstand richting zijn hoofd te gooien/te slaan;
feit 3op 9 februari 2022 te De Bilt een plantenpot van [aangever 2] heeft vernield;
feit 4op 9 februari 2022 te De Bilt 13,42 gram cocaïne aanwezig heeft gehad;
feit 5op 9 februari 2022 te De Bilt een mes (categorie IV, onder 7) heeft gedragen, waarvan redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen.
3 VOORVRAGEN
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4 WAARDERING VAN HET BEWIJS
4.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het onder feit 1 primair, feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.
4.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman bepleit ten aanzien van het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde dat uit de processen-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [aangever 1] en [aangever 3] blijkt dat er sprake is van een slaande beweging en niet van het gooien van een baksteen. Hij voert aan dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1 ten laste gelegde, omdat het slaan niet in de richting van het hoofd is geweest. Bovendien voert hij aan dat uit het letsel niet blijkt dat verdachte met kracht heeft geslagen.
Ten aanzien van het onder feit 5 ten laste gelegde voert de raadsman aan dat in het dossier niet wordt benoemd wat de aard van het mes en/of de omstandigheden waren waaronder het mes is aangetroffen. Hij voert aan dat het mes slechts een klein mes is dat verdachte op zak had, waardoor verdachte dient te worden vrijgesproken voor dit feit.
4.3 Het oordeel van de rechtbank
4.3.1 Vrijspraak van het onder feit 5 ten laste gelegde
De rechtbank stelt vast dat verdachte een mes bij zich had dat tijdens zijn insluitingsfouillering is aangetroffen. Verdachte heeft tijdens zijn verhoor verklaard dat hij niet wist waarom hij het mes bij zich had en dat hij niet van plan was om dit mes te gebruiken tegen de politieagenten. De rechtbank is van oordeel dat niet redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het mes, gelet op de omstandigheden waaronder het is aangetroffen, was bestemd om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen.
De rechtbank zal verdachte dan ook van het onder feit 5 ten laste gelegde vrijspreken.
4.3.2 Bewezenverklaring van het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde
Bewijsmiddelen
<footnoteReference id="_76a0addd-3f34-40f3-b413-f9bbf754db9d">[1]</footnoteReference>
De aangifte van [aangever 1]
Plaats delict: De Bilt
Op 9 februari 2022 was ik belast met surveillance. Ik was in uniform gekleed en reed in een opvallend politievoertuig.
Ik zag dat de verdachte uit de tuin kwam. Ik zag dat hij een voorwerp in zijn rechterhand vast had. Ik stond op ongeveer een meter afstand van de verdachte. Ik zag dat de verdachte een gooiende beweging maakte met zijn rechterhand. In een reactie bewoog ik mijn bovenlichaam naar links. Ik voelde toen dat ik door een hard voorwerp werd geraakt. Ik werd geraakt op mijn rechter borststreek, ter hoogte van mijn sleutelbeen. Ik voelde hierbij pijn.
Ik zag na de aanhouding dat de verdachte een baksteen naar mij had gegooid. Deze trof ik op de grond aan op de plek waar de verdachte het voorwerp naar mij had gegooid.[2]
Een proces-verbaal van bevindingen ter plaatse met bijlagen
Op 9 februari 2022 was ik, verbalisant [aangever 1] , samen met collega [aangever 3] , werkzaam. Wij kregen de opdracht om te gaan naar De Bilt.
(…)
Ik zag ineens schuin rechts voor mij een gedaante verschijnen uit de tuin. Op dat zelfde moment zag ik een arm,[3] met een zwaaiende beweging op mij af komen. In een reactie bewoog ik mijn bovenlichaam naar links en op dat zelfde moment voelde ik een harde klap op mijn rechter borststreek ter hoogte van mijn rechter sleutelbeen. Ik voelde hierbij pijn.[4]
Ik heb de man medegedeeld dat hij aangehouden was terzake mishandeling.
(…)
Ik zag een baksteen liggen op de grond ter hoogte van de plek van toen ik de harde
klap op mijn rechterborst kreeg. Ik voel nog pijn op de plek waar ik ben geraakt door de baksteen.
(…)
Verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] .[5]
De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.
De verklaring van getuige [getuige]
Op 9 februari 2022 zag ik dat de man die in de voortuin van de buren stond op dat moment een gooiende beweging maakte in de richting van de aankomende politieagent. Ik zag een metselsteen liggen op het trottoir voor de tuin van mijn buurman. Dat was ook exact de plek waar ik die man iets richting de politieagent heb zien gooien. De man die werd aangehouden door de politie was ook de man die de gooiende beweging maakte richting de politieagent.[6]
Bewijsoverweging
De rechtbank is op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en mishandeling door op korte afstand een baksteen te gooien in de richting van het hoofd van verbalisant [aangever 1] als gevolg waarvan [aangever 1] met die baksteen op de borst werd geraakt.
Aan dat oordeel staat niet in de weg dat verbalisant [aangever 3] heeft verklaard dat verdachte met de baksteen een "slaande beweging" heeft gemaakt richting [aangever 1] en dat verbalisant [aangever 1] in zijn getuigenverklaring heeft verklaard over het maken van een "slaande of gooiende beweging" door verdachte. Het gaat bij het maken van een slaande of gooiende beweging immers om twee gedragingen die naar hun aard en uiterlijke verschijningsvorm sterk op elkaar lijken (het met snelheid naar voren brengen van de arm). De verklaring van getuige [getuige] biedt bovendien bevestiging dat de door verdachte gemaakte beweging eruit heeft gezien als een gooiende beweging. De rechtbank heeft op basis daarvan de overtuiging verkregen dat verdachte een gooiende beweging heeft gemaakt.
De rechtbank is, gelet op hetgeen zij heeft vastgesteld, van oordeel dat verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [aangever 1] zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Verdachte heeft namelijk op een korte afstand, ongeveer één meter, een baksteen in de richting van het hoofd van [aangever 1] gegooid. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar deel van het lichaam is. Door het gooien van een baksteen naar het hoofd kan een schedelbreuk of kunnen bloedingen ontstaan. Daarnaast bestaat het risico dat de slaap, ogen, neus of tanden worden geraakt, met mogelijk zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. Doordat [aangever 1] zijn bovenlichaam naar links heeft bewogen, heeft de baksteen hem uiteindelijk op zijn sleutelbeen geraakt in plaats van op zijn hoofd. Daardoor heeft [aangever 1] pijn ondervonden.
De rechtbank acht derhalve het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
4.3.3 Bewezenverklaring van het onder feit 3 ten laste gelegde
Bewijsmiddelen
<footnoteReference id="_bbcf2093-02f6-49d7-a823-ab9861694774">[7]</footnoteReference>
De aangifte van [aangever 2]
Op 9 februari 2022, omstreeks 16:00 uur, liep ik in de voortuin van mijn
woning, gelegen te De Bilt. Er was niets kapot of stond anders dan ik had neergezet.
Op 10 februari 2022, omstreeks 18:00 uur, viel mij gelijk op dat mijn grote bloempot, welke midden in mijn tuin stond, kapot op de grond lag. Ik zag dat de scherven van de pot, ver van de pot af lagen.[8]
Een geschrift inhoudende de verklaring van [aangever 4]
Ik keek uit mijn raam naar beneden en zag een man in mijn tuin staan. De man droeg een capuchon en had een beige jas aan. Ik zag dat de man richting de tuin van de buurvrouw liep. Ik zag dat hij een plantenbak omver trapte. Ik heb toen de politie gebeld. Ik ben later naar beneden gegaan. De plantenbak van mijn buurvrouw is kapot.[9]
Een proces-verbaal van bevindingen ter plaatse
Op 9 februari 2022 omstreeks 23:27 kregen wij de opdracht om te gaan naar De Bilt alwaar een man een plantenbak vernield zou hebben volgens de melder, De man zou een beige/zandkleurige jas dragen met capuchon.
Ik kwam ter plaatse en zag een man lopen. Ik zag dat deze man een bruine of zandkleurige parka jas met capuchon aan had.[10]
Ik heb de man medegedeeld dat hij aangehouden was terzake vernieling.
Verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] .[11]
4.3.4 Bewezenverklaring van het onder feit 4 ten laste gelegde
Verdachte heeft het onder feit 4 ten laste gelegde bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:
5 BEWEZENVERKLARING
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
feit 1 (primair)
op 9 februari 2022 te De Bilt ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ambtenaar gedurende of ter zake de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten [aangever 1] , hoofdagent bij de Eenheid Midden-Nederland, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, een baksteen op korte afstand in de richting van het hoofd van die [aangever 1] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2
op 9 februari 2022 te De Bilt, een ambtenaar, [aangever 1] , hoofdagent bij de Eenheid Midden-Nederland, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn
bediening heeft mishandeld door van korte afstand een baksteen, op de borst van die [aangever 1] te gooien;
feit 3
op 9 februari 2022 te De Bilt opzettelijk en wederrechtelijk een plantenpot, die aan [aangever 2] toebehoorde heeft vernield;
feit 4
op 9 februari 2022 te De Bilt opzettelijk aanwezig heeft gehad 13,42 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal - en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:
feit 1 primair en feit 2: eendaadse samenloop van:
poging tot zware mishandeling
en
mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
feit 3: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
feit 4: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8 OPLEGGING VAN STRAF
8.1 De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte onder feit 1 primair, feit, 2, feit 3 en feit 4 te veroordelen tot een gevangenisstraf van 365 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 183 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname), begeleid wonen of maatschappelijke opvang en meewerken aan middelencontrole. De officier van justitie heeft voorts gevorderd de te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Verder vordert de officier van justitie verdachte te veroordelen tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 225, - met een proeftijd van 2 jaren ten aanzien van het onder feit 5 ten laste gelegde.
8.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman verzoekt de rechtbank de geadviseerde bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat verdachte zich volledig kan vinden in het advies om opgenomen te worden in een zorginstelling en om ambulant te worden behandeld. Verder verzoekt de raadsman geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die zou doorkruisen dat verdachte op 11 augustus 2022 opgenomen kan worden bij een forensische psychiatrische kliniek.
8.3 Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling en mishandeling van een politieagent, die enkel zijn werk deed. Door aldus te handelen heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de politieagent, het gezag van deze agent aangetast en hem belemmerd in de uitoefening van zijn taak. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling en het opzettelijk aanwezig hebben van 13,42 gram cocaïne.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 4 april 2022, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het Pro Justitia-rapport van 21 juni 2022, opgesteld door drs. J. Yntema (GZ-psycholoog). Hieruit blijkt dat er bij verdachte sprake is een ongespecificeerde schizofreniespectrum - of andere psychotische stoornis, een andere gespecificeerde trauma - of stressor gerelateerde stoornis, een stoornis in cannabisgebruik en een stoornis in cocaïnegebruik. Ten tijde van het ten laste gelegde was hier eveneens sprake van. De onderzoeker geeft aan dat het psychotische toestandsbeeld van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde zijn handelen dermate heeft beïnvloed, dat hij onvoldoende in staat was zijn gedragsmogelijkheden af te wegen. Zij merkt op dat er sprake is van enige doorwerking van de ongespecificeerde schizofreniespectrum - of andere psychotische stoornis in het ten laste gelegde. De onderzoeker adviseert daarom om het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen. De rechtbank neemt dit advies over.
Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 13 juli 2022, opgesteld door A.J.C. van Ham. De reclassering acht interventies binnen het forensisch kader geïndiceerd, gericht op het psychosociaal functioneren, middelengebruik en de praktische leefgebieden. Een klinische behandeling gericht op agressieregulatie, psycho-educatie en middelengebruik wordt daarom wenselijk geacht, waarna verdachte aangemeld dient te worden voor begeleid wonen, het verkrijgen van zinvolle dagbesteding en meewerken aan middelencontrole. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij reclassering, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname), begeleid wonen of maatschappelijke opvang en meewerken aan middelencontrole. De reclassering vermeldt dat gedurende een klinische opname kan worden onderzocht of een zorgmachtiging mogelijk is, omdat uit het Pro Justitia-rapport blijkt dat aan verdachte onder andere verplicht medicatie toegediend moet worden en hij naar verwachting voor langere tijd dient te worden begeleid.
Gelet op de leefsituatie van betrokkene en het hoge recidiverisico adviseert de reclassering om de genoemde voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaarheid te verklaren.
Op te leggen straf
Gelet op de hiervoor besproken ernst van het bewezen verklaarde feit acht de rechtbank een gevangenisstraf passend. De rechtbank ziet wel aanleiding een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen met de geadviseerde bijzondere voorwaarden. De rechtbank overweegt daartoe dat zowel uit het rapport van de psycholoog als van de reclassering volgt dat bij verdachte sprake is van complexe problematiek en verdachte specialistische hulp nodig heeft. Zonder specialistische hulp is de kans groot dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van anderen. Dat is ook de reden om de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht dadelijk uitvoer te verklaren.
Verdachte heeft aangegeven dat hij graag mee wil werken aan de voorwaarden en al op 11 augustus 2022, de dag na de uitspraak van dit vonnis, terecht kan bij Fivoor. Om ervoor zorg te dragen dat verdachte direct kan starten met de behandeling en deze ook kan afronden, zal de rechtbank het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf zo vaststellen dat verdachte vrij dient te komen op de datum van de uitspraak (10 augustus 2022).
Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat een deel van de door de officier van justitie gevorderde straf, te weten een gevangenisstraf van 365 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 183 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden een passende straf is. De rechtbank zal deze straf dan ook aan verdachte opleggen.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen dan wel gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Gelet op het feit dat volgens de reclassering sprake is van een hoog recidiverisico en dat volgens de reclassering de bijzondere voorwaarden nodig zijn om dat risico te verminderen, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zonder de bijzondere voorwaarden opnieuw een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de bijzondere voorwaarden die verdachte zullen worden opgelegd, dadelijk uitvoerbaar zijn.
9 BENADEELDE PARTIJ
[aangever 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 400, - aan immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde.
9.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert de gehele vordering toe te wijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met toepassing van de wettelijke rente.
9.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij.
9.3 Het oordeel van de rechtbank
Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder feit 2 bewezen verklaarde rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank zal de gehele vordering van € 400, - toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 9 februari 2022 tot de dag van volledige betaling.
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [aangever 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 400,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 9 februari 2022 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 1 dag gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
10 VORDERING TENUITVOERLEGGING
10.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft schriftelijk de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf in de zaak met parketnummer 16/093865-17 gevorderd.
Tijdens de zitting heeft de officier van justitie gevorderd de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 3 weken af te wijzen.
10.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf dient te worden afgewezen.
10.3 Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen. De rechtbank ziet, net als de officier van justitie en de raadsman, geen meerwaarde om de voorwaardelijk opgelegde straf ten uitvoer te leggen. De voorwaardelijk opgelegde straf is van langer geleden en verdachte heeft op dit moment meer aan goede behandeling en begeleiding met een flinke stok achter de deur dan aan het uitzitten van eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.
11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
De beslissing berust op de artikelen:
zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
12 BESLISSING
De rechtbank:
Vrijspraak - verklaart het onder feit 5 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; - verklaart het onder feit 1 primair, feit 2, feit 3 en feit 4 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld; - verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid - verklaart het onder feit 1 primair, feit 2, feit 3 en feit 4 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart verdachte strafbaar;
Oplegging straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 365 dagen; - bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; - bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 183 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast; - stelt als algemene voorwaarde dat:
- verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; - stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
- zich meldt na ingang van zijn klinische behandeling bij Reclassering Inforsa op het adres Wittevrouwenkade 6, 3512 CR Utrecht. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- zich laat opnemen in Fivoor/FPA Utrecht of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.De opname start zodra verdachte detentie verlaat. De opname duurt een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
- zich laat behandelen door een forensische polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zodra verdachte zijn klinische behandeling afgerond heeft. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.Bij terugval in middelengebruik of ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld ontstaat een grote kans op risicovolle situaties. Dan kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie of stabilisatie. Als de voor indicatieverantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.
- verblijft in een begeleid wonen instelling of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering.Het verblijf start wanneer verdachte zijn klinische behandeling afgerond heeft. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
- meewerkt aan controle van het gebruik van drugs of alcohol om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd. - waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; - beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn;
Benadeelde partij [aangever 1]
Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/093865-17 - wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.D. Groen, voorzitter, mr. E.W.A. Vonk en mr. L.C. Michon, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Stekkel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 augustus 2022.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 9 februari 2022 te De Bilt
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ambtenaar gedurende of ter zake de rechtmatige uitoefening van zijn
bediening, te weten [aangever 1] , hoofdagent bij de Eenheid Midden-Nederland,
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, een baksteen, althans een
zwaar/hard voorwerp, op korte afstand en met kracht in de richting van het hoofd
van die [aangever 1] heeft gegooid en/of heeft geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 9 februari 2022 te De Bilt
[aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met
zware mishandeling, door met kracht en op korte afstand een baksteen, althans een
zwaar/hard voorwerp, in de richting van het hoofd van die [aangever 1] te gooien en/of te slaan;
( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 9 februari 2022 te De Bilt,
een ambtenaar, [aangever 1] , hoofdagent bij de Eenheid Midden-Nederland,
gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn
bediening heeft mishandeld door van korte afstand en met kracht een baksteen,
althans een zwaar/hard voorwerp, tegen/op de borst, althans het lichaam, van die
[aangever 1] te gooien en/of te slaan;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 304 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht )
3
hij op of omstreeks 9 februari 2022 te De Bilt
opzettelijk en wederrechtelijk een plantenpot, in elk geval enig goed, dat/die geheel
of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft
vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
( art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
4
hij op of omstreeks 9 februari 2022 te De Bilt
opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 13,42 gram, in elk geval een hoeveelheid
van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet )
5
hij op of omstreeks 9 februari 2022 te De Bilt
een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie,
te weten een mes, zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de
omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden
aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te
dreigen heeft gedragen;
( art 27 lid 1 Wet wapens en munitie )
Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina's van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 10 februari 2022, genummerd PL0900-2022039646, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 76. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] van 10 februari 2022, p. 21.
Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 24.
Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 25.
Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 25.
Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 56.
Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina's van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 10 februari 202, genummerd PL0900-2022039646, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 76. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] van 10 februari 2022, p. 71.
Een geschrift, inhoudende de verklaring van [aangever 4] , p. 55.
Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 24.
Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 25. - - - ## Voetnoten