Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2022:6647 - Rechtbank Midden-Nederland - 22 februari 2022

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2022:664722 februari 2022

Uitspraak inhoud

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/228696-19 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 22 februari 2022
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
hierna: verdachte.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 februari 2022.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.J.M. Vreekamp en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.K.J. Dikkerboom, advocaat te Utrecht, alsmede de raadsman van de benadeelde partij, mr. J.A.P.F. Hoens, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank op de zitting gesproken met de heer [A] , begeleider van verdachte bij [instelling] .

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
1.primairop 23 september 2019 te Utrecht aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht;
subsidiair
    op 23 september 2019 te Utrecht heeft geprobeerd om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;
meer subsidiair
    op 23 september 2019 te Utrecht [slachtoffer] heeft mishandeld;
2.op 7 augustus 2018 te Utrecht [aangever 1] en/of [aangever 2] heeft bedreigd;
3.op 20 augustus 2018 te Utrecht [aangever 3] en/of [aangever 4] en/of [aangever 5] heeft bedreigd;
4.op 20 augustus 2018 te Utrecht opzettelijk [aangever 4] heeft beledigd.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het onder feit 1 subsidiair en het onder feit 2, feit 3 en feit 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.
4.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw bepleit enkel vrijspraak van het onder feit 1 primair ten laste gelegde. Zij voert aan dat uit de jurisprudentie volgt dat een afgebroken tand geen zwaar lichamelijk letsel oplevert. Ten aanzien van de feiten 1 subsidiair, 2, 3 en 4 voert zij geen bewijsverweer.
4.3 Het oordeel van de rechtbank
4.3.1 Ten aanzien van feit 1
Vrijspraak feit 1 primair
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De rechtbank is van oordeel dat de door aangever opgelopen zwaar gekneusde ribben niet gekwalificeerd kunnen worden als zwaar lichamelijk letsel. Aangever heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij pijnmedicatie heeft gekregen van de dokter en hij na een paar weken helemaal was genezen.
Uit vaste jurisprudentie blijkt dat gebitsschade, zoals afgebroken tanden, niet zonder meer kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel en in beginsel nadere specifieke vaststellingen met betrekking tot in het bijzonder de noodzaak en de aard van het medische (tandheelkundige) ingrijpen noodzakelijk zijn. De rechtbank concludeert dat het dossier onvoldoende informatie bevat omtrent de eventuele noodzaak en aard van tandheelkundig ingrijpen en het al dan niet bestaan van uitzicht op (volledig) herstel. De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en zal verdachte hiervan vrijspreken.
Bewezenverklaring feit 1 subsidiair
Verdachte heeft het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde bekend. De raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor dit subsidiaire feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:
Bewijsoverweging
De rechtbank sluit zich aan bij het standpunt van de officier van justitie en de verdediging en acht bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangever en overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank stelt vast dat verdachte aangever vaak en hard tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl aangever weerloos op de grond lag. Ook heeft verdachte aangever met kracht geschopt in de buik. Dat dit met kracht is gebeurd blijkt wel uit het feit dat aangever als gevolg van het handelen van verdachte zwaar gekneusde ribben heeft opgelopen, zijn tand is verloren en blauwe plekken heeft gekregen op zijn borst en jukbeen. Door op deze wijze te schoppen en te slaan op plekken van het lichaam waar zich vitale organen bevinden, heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij aangever hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Verdachte heeft, door aldus te handelen, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.
De rechtbank acht aldus de onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
4.3.2 Ten aanzien van feit 2
Bewijsmiddelen
        <footnoteReference id="_6ec5a614-8648-496f-a3db-bcfdf8992182">[1]</footnoteReference>
De aangifte van [aangever 1]
Op 7 augustus 2018 te Utrecht hoorde ik dat [verdachte] zei dat hij me ging slaan en goed ook. Op dat moment voelde ik me erg bedreigd en ben naar achter gegaan. [verdachte] liep met me mee naar achter en zei: [aangever 1] ik maak jou kapot, ik mag je maar op dit moment accepteer ik niets meer, ik trap je benen onder je lijf vandaan zodat je niet meer kan lopen. Verder hoorde ik dat hij zei tegen [B] en omstanders: ik ga jullie slaan en maak jullie kapot, bloed moet met bloed vergoten worden.[2]
De aangifte van [aangever 2]
Op 7 augustus 2018 liep ik langs [verdachte] en tijdens het passeren zei hij dat hij mij aan zou vallen als ik dichterbij zou komen. Ik hoorde dat hij me kapot zou maken. Ik zag dat hij me aankeek terwijl hij dat zei. Ik voelde me hierdoor bedreigd; ook al omdat ik had gehoord dat hij kort daarvoor een andere collega met soortgelijke woorden bedreigde.[3]
4.3.3 Ten aanzien van feit 3 en 4
Bewijsmiddelen
        <footnoteReference id="_a276f209-7c8c-4149-9e07-00d8086701f6">[4]</footnoteReference>
De aangifte van [aangever 3]
Op 20 augustus 2018 was ik aan het werk te Utrecht. Ik zag dat [verdachte] mij aankeek.[5] Ik zag dat hij zijn rechterhand tot een pistool vormde en dat hij schietende bewegingen maakte. De schietende beweging was naar mij gericht. Ik hoorde dat hij met verheven stem naar mij riep: "Ik schiet een kogel door je kop" en "Ik maak je dood".[6]
De aangifte van [aangever 5]
Op 20 augustus 2018 te Utrecht hoorde ik dat [verdachte] verschillende collega's die in de buurt stonden aanwees en daarbij zei: ik zal jullie pakken. Ik hoorde dat mijn collega [aangever 4] tegen [verdachte] zei dat hij zich kalm moest houden. Ik hoorde dat hij terwijl hij [aangever 4] aankeek zei dat hij haar zou krijgen. Ik hoorde dat hij tegen mij schreeuwde dat hij me niet moest en dat hij mij zou pakken. Ik zag dat hij slaande bewegingen maakte tegen zijn eigen borstkas en schietende bewegingen in mijn richting.[7]
De aangifte van [aangever 4]
Op 20 augustus 2018 zag ik dat [verdachte] met zijn wijsvinger wees. Ik zag dat [verdachte] naar iedereen individueel wees. Ik hoorde dat hij zei, tegen iedereen die hij aanwees, een voor een 'ik maak jou af, en jij gaat er aan'. Ik zei tegen [verdachte] dat hij moest stoppen met bedreigen en dat hij naar zijn kamer moest gaan. Ik zag dat [verdachte] zich groot maakte. Ik hoorde dat hij naar mij schreeuwde 'kankerhoer, ik maak je af'. Ik hoorde dat hij meerdere malen naar mij schreeuwde: "Hou je bek kankerhoer, ik pakje, vies wijf". Ik zag dat, terwijl hij dit zei, hij mij aankeek. Ik hoorde dat hij nogmaals naar mij riep dat ik een kankerhoer was.[8]
De getuigenverklaring van [getuige 1]
Patiënt [verdachte] kwam de gang op lopen vanaf het dakterras en heeft alle verpleging bedreigd en zei 'ik pak jullie allemaal! En maak jullie kapot!' Hij wees daarbij naar elke verpleegkundige. Een verpleegkundige [aangever 4] zei nog tegen hem: ga maar naar je kamer. Toen werd [verdachte] helemaal gek en vloekte naar haar met "kankerhoer, je moet je bek houden" en "tering wijf, ik maak je kapot moet je nu naar me toe komen!" en patiënt [verdachte] vloog verpleegkundige [aangever 4] aan door dreigend naar haar toe te stappen met zijn armen hoog met gebaren.[9]
De getuigenverklaring van [getuige 2]
Op 20 augustus 2018 hoorde ik dat [verdachte] door het raam in de deur tegen collega [aangever 3] schreeuwde: "Als ik een pistool zou hebben zou ik je door je kop schieten. Je mag wel uitkijken."[10]
De getuigenverklaring van [getuige 3]
[verdachte] is patiënt en hij is onder behandeling bij Altrecht. Ik hoorde dat hij tegen [aangever 5] zei: "Het is het beste als ik jou hartstikke doodschiet".[11]
De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
1 (subsidiair)
  op 23 september 2019 te Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk - meermalen, met kracht tegen het hoofd heeft geslagen en vervolgens terwijl die [slachtoffer] op de grond lag - meermalen, met kracht tegen het hoofd en het lichaam heeft geslagen en met kracht en met geschoeide voet tegen het lichaam heeft getrapt terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
  op 7 augustus 2018 te Utrecht [aangever 1] en [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [aangever 1] en/of [aangever 2] dreigend de woorden toe te voegen "ik maak je kapot, ik trap je benen onder je lijf vandaan zodat je niet meer kan lopen" en "ik ga jullie slaan en maak jullie kapot, bloed moet met bloed vergoten worden";
3
  op 20 augustus 2018 te Utrecht [aangever 3] en [aangever 4] en [aangever 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [aangever 3] en/of [aangever 4] en/of [aangever 5] dreigend de woorden toe te voegen "ik schiet een kogel door je kop, ik maak je dood" en/of "ik maak je af, jij gaat eraan" en/of "het is het beste als ik jou hartstikke doodschiet", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
4
  op 20 augustus 2018 te Utrecht opzettelijk [aangever 4] , in haar tegenwoordigheid, mondeling, heeft beledigd door haar één of meerdere malen de woorden toe te voegen: "kankerhoer" en "vies wijf" en "tering wijf".
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal - en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:
feit 1 subsidiair:
poging tot zware mishandeling;
feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling, meermalen gepleegd;
feit 3:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;
feit 4:
belediging.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1 De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat aan verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 4 weken, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde een meldplicht.
8.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat een geheel voorwaardelijke straf in dit geval passend is, maar dat de gevorderde gevangenisstraf een brug te ver is. Zij voert aan dat een geheel voorwaardelijke werkstraf een passendere straf is, gelet op het tijdsverloop tussen de pleegdata van de feiten en de behandeling van de zaak, het feit dat verdachte first offender is en dat het al geruime tijd goed gaat met verdachte.
8.3 Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door aangever in de supermarkt uit het niets te slaan op het hoofd en vervolgens aangever te slaan en te schoppen op zijn lichaam terwijl hij op de grond lag. De geweldsexplosie van verdachte heeft pijn en letsel bij het slachtoffer veroorzaakt. Ook het zijn van getuige van een dergelijk geweldsincident in een openbare ruimte kan voor de aldaar aanwezigen een zeer angstige ervaring zijn.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging van medewerkers van de zorginstelling Altrecht en belediging van een van die medewerkers. De rechtbank merkt op dat uit de verklaringen van de aangevers en getuigen blijkt dat hierdoor meerdere keren een beangstigende en bedreigende situatie is ontstaan die tot grote onrust en spanningen hebben geleid op de afdeling. Hulpverleners dienen hun werk zonder angst voor hun patiënten te kunnen uitvoeren.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennis genomen van het op naam van verdachte staand uittreksel justitiële documentatie van 28 december 2021, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het Pro Justitia-rapport van 26 mei 2021, opgesteld door B. van der Hoorn (psychiater) en K.L. Hubregtse (psychiater in opleiding). Hieruit blijkt dat ten tijde van de ten laste gelegde feiten sprake was van een manisch psychotisch toestandsbeeld bij verdachte, die bekend is met een schizoaffectieve stoornis en een stoornis in cannabis - en cocaïnegebruik. De onderzoekers geven aan dat ten tijde van de ten laste gelegde feiten sprake was van een maniform psychotisch beeld, waarbij drugsgebruik het denken, voelen en handelen van verdachte fors negatief beïnvloedde. Vanuit dit toestandsbeeld reageerde verdachte met impulsieve, disproportionele agressie, zowel tijdens de opname in 2018 binnen de GGZ, als bij het agressie-incident in een winkel in 2019. De onderzoekers adviseren om de ten laste gelegde feiten, indien bewezen, (sterk) verminderd toe te rekenen aan verdachte. Daarnaast adviseren de onderzoekers om de lopende behandeling van verdachte, die plaatsvindt binnen de kaders van een zorgmachtiging, aan te vullen met bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke straf.
Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 28 juni 2021, opgesteld door W. Kieft. Daaruit blijkt dat er sinds december 2019 sprake is van verbetering. Verdachte is medicatie - en therapietrouw en heeft goed contact met zijn behandelaar. Zijn psychiatrisch beeld is stabieler en er zijn positieve ontwikkelingen op verschillende leefgebieden. Verdachte is abstinent van cocaïne en heeft zich aangemeld voor een behandeling gericht op het stoppen met het gebruik van cannabis.
De reclassering sluit zich aan bij het advies van het NIFP en adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling en meewerken aan middelencontrole.
Verder heeft de heer [A] , begeleider van verdachte bij [instelling] , tijdens de zitting naar voren gebracht dat het veel beter gaat met verdachte. Verdachte volgt een opleiding en werkt in de zorg, woont op een goede plek en heeft bij klachten veel contact met zijn trajectbegeleider.
De op te leggen straf
De ernst van de bewezenverklaarde feiten rechtvaardigt zonder meer de oplegging van een gevangenisstraf. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte is de oplegging van een (voorwaardelijke) gevangenisstraf naar het oordeel van de rechtbank echter niet wenselijk.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf in het voordeel van de verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte first offender is en dat verdachte de dag voor het ten laste gelegde feit onder 1 hulp heeft proberen te zoeken bij Altrecht en de politie. Hij is op die dag vrijwillig opgenomen bij Altrecht, maar mocht de dag erop toch naar buiten waarna het geweldsincident heeft plaatsgevonden. Gelet op de toestand waarin verdachte zich bevond ten tijde van de ten laste gelegde feiten, volgt de rechtbank - in strafmatigende zin - het advies van het NIFP en de reclassering om een voorwaardelijke straf op te leggen en de ten laste gelegde feiten sterk verminderd toe te rekenen aan verdachte.
De rechtbank weegt ook sterk in het voordeel van verdachte mee dat zijn gedwongen opname door middel van een rechterlijke machtiging is beëindigd omdat verdachte trouw is aan zijn medicatie en er sprake is van een goed vrijwillig kader. De rechtbank ziet dat verdachte in het afgelopen anderhalf jaar een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt, zoals ook door deskundige [A] voornoemd op de terechtzitting nader is toegelicht. Verdachte laat daarbij zien dat hij zelf in staat is hulp te zoeken als dat nodig is.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat de strafzaak niet binnen een redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is afgerond.
In een zaak als de onderhavige blijkt uit vaste jurisprudentie dat de redelijke termijn van berechting een periode van 24 maanden bedraagt. In deze zaak gaat de rechtbank uit van de momenten waarop verdachte is aangehouden als het moment dat de redelijke termijn is aangevangen, te weten op 7 augustus 2018, 20 augustus 2018 en 23 september 2019. Tussen de datum van het vonnis, 22 februari 2022, en de data van de feiten uit augustus 2018 ligt een periode die de redelijke termijn van twee jaar met ongeveer anderhalf jaar overschrijdt. Met betrekking tot het feit uit september 2019 bedraagt de overschreden termijn ongeveer een half jaar.
Dit tijdsverloop is niet aan verdachte te wijten, terwijl hij de negatieve consequenties ervan wel heeft moeten ondervinden. De rechtbank zal met deze schending rekening houden in die zin dat zij strafvermindering zal toepassen.
Conclusie
De rechtbank acht, anders dan door de officier van justitie is geëist, een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 80 uren met een proeftijd van 1 jaar passend en geboden. De rechtbank ziet gelet op het tijdsverloop, in combinatie met de andere hiervoor genoemde strafmatigende omstandigheden en het feit dat verdachte sinds de feiten niet opnieuw met justitie in aanraking is gekomen, geen meerwaarde in het opleggen van bijzondere voorwaarden of de standaard proeftijd van 2 jaren.

9 BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 7.633,73. Dit bedrag bestaat uit € 1.633,73 materiële schade en € 6.000, - immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit.
9.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert de gehele vordering toe te wijzen, waarvan de immateriële schade eventueel gematigd kan worden, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel waarbij de gijzeling wordt gemaximeerd op 1 dag en met toepassing van de wettelijke rente.
9.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte stelt zich op het standpunt dat de vordering gedeeltelijk kan worden toegewezen. De raadsvrouw voert het volgende aan.
Materiële schade
Het bedrag dat de benadeelde partij heeft gevorderd voor het eigen risico is niet onderbouwd met een rekening. Het ten laste gelegde feit heeft in september 2019 plaatsgevonden waardoor er al 9 maanden van het jaar zijn verstreken. Doordat er geen nota aanwezig is, is er een mogelijkheid dat het eigen risico op het moment van het ten laste gelegde feit al besteed was. Er wordt niet betwist dat de benadeelde partij gebruik heeft gemaakt van ambulancevervoer, waardoor de raadsvrouw de rechtbank verzoekt om deze kostenpost niet volledig toe te wijzen maar om het bedrag te schatten.
De kosten voor het herstellen van het gebit leveren een onevenredige belasting op voor het strafgeding, omdat er in de begroting van de tandarts geen onderscheid wordt gemaakt tussen herstelkosten naar aanleiding van het feit en kosten ten behoeve van een gebitsrenovatie. Uit de begroting van de tandarts blijkt namelijk dat er meerdere posten zijn opgenomen met betrekking tot het vullen van gaatjes. Deze kosten dienen niet voor rekening te komen van verdachte.
Immateriële schade
De gevorderde immateriële schade en de jurisprudentie die wordt aangehaald door de raadsman van de benadeelde partij is niet in overeenstemming met het ten laste gelegde feit en het letsel. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank om het bedrag te matigen tot
€ 1.500,-, wat eerder in lijn ligt met dit feit en het opgelopen letsel.
9.3 Het oordeel van de rechtbank
Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden.
Materiële schade
De benadeelde partij vordert in totaal € 1.633,73 ter zake van kosten voor eigen risico van de zorgverzekering en kosten ter reparatie van zijn gebit.
De schade voor zover die betrekking heeft op de schadepost eigen risico van de zorgverzekering ter hoogte van in totaal € 360,-, komt niet in aanmerking voor vergoeding, omdat deze post niet is onderbouwd. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat het eigen risico niet eerder in het jaar al aan iets anders is besteed en zal de vordering voor dit gedeelte afwijzen.
De schade voor zover die betrekking heeft op de schadepost reparatie van het gebit ter hoogte van in totaal € 1263,73, komt gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank schat de schade op € 400,00 en zal de vordering daarom tot het bedrag van € 400, - toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 22 februari 2022 tot de dag van volledige betaling. De rechtbank stelt de datum van de wettelijke rente vast op de dag van het vonnis, gelet op het tijdsverloop tussen het ten laste gelegde feit en de behandeling van de strafzaak.
De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank toewijst. De behandeling van de vordering levert voor dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende duidelijk is komen vast te staan welke gedeelte van de tandartsbegroting rechtstreeks verband heeft met het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in het overige deel van deze vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft € 6.000, - aan immateriële schade gevorderd. Aangezien er sprake is van letsel, komt de benadeelde partij in aanmerking voor toekenning van immateriële schadevergoeding. De rechtbank acht, gelet op vergelijkbare zaken en op de omstandigheden van het geval, een bedrag van € 1.000, - billijk en waardeert de schade op dat bedrag. De rechtbank zal de vordering daarom tot een bedrag van € 1.000, - toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 22 februari 2022 tot de dag van volledige betaling.
De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank toewijst. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Totaal
De rechtbank zal de vordering tot een bedrag van € 1.400, - toewijzen.
Proceskosten
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 1.400,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 22 februari 2022 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 1 dag gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57, 285, 266 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:
Vrijspraak - spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 primair ten laste gelegde;
Bewezenverklaring - verklaart het onder feit 1 subsidiair, feit 2, feit 3 en feit 4 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
Strafbaarheid - verklaart het onder feit 1 subsidiair, feit 2, feit 3 en feit 4 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart verdachte strafbaar;
Oplegging straf - veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 (tachtig) uren; - beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 40 dagen hechtenis; - bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag; - bepaalt dat de taakstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van 1 (één) jaar vast; - als algemene voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
Benadeelde partij [slachtoffer]
Materiële schade
Immateriële schade
Proceskosten - veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
Schadevergoedingsmaatregel - legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 1.400, - te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2022 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling; - bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Bouteibi, voorzitter, mr. D. Riani el Achhab en mr. C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Stekkel en mr. L. Visser, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 februari 2022.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
1hij op of omstreeks 23 september 2019 te Utrecht aan [slachtoffer]opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken tand/kies en/of een tand/kies uit de mond en/of zwaar gekneusde ribben, heeft toegebracht door - meermalen, althans eénmaal, (met kracht) tegen het hoofd te slaan en/of stompen en/of (vervolgens) (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) - meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te stompen, en/of - (met kracht en/of met geschoeide voet) tegen het lichaam te trappen;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 23 september 2019 te Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk - meermalen, althans eénmaal, (met kracht) tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt en/of (vervolgens) (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) - meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of gestompt, en/of - (met kracht en/of met geschoeide voet) tegen het lichaam heeft getrapt; terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 23 september 2019 te Utrecht [slachtoffer] heeft mishandeld door - meermalen, althans eénmaal, (met kracht) tegen het hoofd te slaan en/of stompen en/of (vervolgens) (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) - meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te stompen, en/of - (met kracht en/of met geschoeide voet) tegen het lichaam te trappen;;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2hij op of omstreeks 7 augustus 2018 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, [aangever 1] en/of [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangever 1] en/of [aangever 2] dreigend de woorden toe te voegen "ik maak je kapot, ik trap je benen onder je lijf vandaan zodat je niet meer kan lopen" en/of "ik ga jullie slaan en maak jullie kapot, bloed moet met bloed vergoten worden", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
3hij op of omstreeks 20 augustus 2018 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, [aangever 3] en/of [aangever 4] en/of [aangever 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangever 3] en/of [aangever 4] en/of [aangever 5] dreigend de woorden toe te voegen "ik schiet een kogel door je kop, ik maak je dood" en/of "ik maak je af, jij gaat eraan" en/of "het is het beste als ik jou hartstikke doodschiet", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
4hij op of omstreeks 20 augustus 2018 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland opzettelijk [aangever 4] , in haar tegenwoordigheid, mondeling, heeft beledigd door haar één of meerdere malen de woorden toe te voegen: "kankerhoer" en/of "vies wijf" en/of "tering wijf", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
( art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina's van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 19 januari 2021, genummerd PL0900-2018235694, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 19. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] van 7 augustus 2018, pagina 3.
Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] van 7 augustus 2018, pagina 5.
Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina's van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 8 januari 2020, genummerd PL0900-2020008933, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 29. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] van 20 augustus 2018, pagina 4.
Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] van 20 augustus 2018, pagina 5.
Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 5] van 20 augustus 2018, pagina 7.
Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] van 20 augustus 2018, pagina 12.
Een geschrift, inhoudende een getuigenverklaring van [getuige 1] , pagina 9.
Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , pagina 10.
Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] , pagina 11. - - - ## Voetnoten
Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina's van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 19 januari 2021, genummerd PL0900-2018235694, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 19. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] van 7 augustus 2018, pagina 3.
Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] van 7 augustus 2018, pagina 5.
Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina's van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 8 januari 2020, genummerd PL0900-2020008933, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 29. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] van 20 augustus 2018, pagina 4.
Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] van 20 augustus 2018, pagina 5.
Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 5] van 20 augustus 2018, pagina 7.
Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] van 20 augustus 2018, pagina 12.
Een geschrift, inhoudende een getuigenverklaring van [getuige 1] , pagina 9.
Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , pagina 10.
Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] , pagina 11.