Terug naar bibliotheek
Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:991 - Rechtbank Limburg - 11 februari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBLIM:2026:991•11 februari 2026
Uitspraak inhoud
RECHTBANK
**LIMBURG**
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11876482 \ CV EXPL 25-3863
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak van
[eisende partij],
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij,
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen
[gedaagde partij],
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
procederend in persoon.
1 De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald.
1.2. Op 14 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Gedaagde is niet verschenen.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft eiseres een aanvullende productie overgelegd.
1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
2.1. Op 31 maart 2025 heeft gedaagde van eiseres gekocht een pup, geboren op [datum] 2024, voorzien van [chipnummer] en [paspoortnummer] .
2.2. De koopprijs is vastgesteld op € 850,00, en gedaagde mocht deze in termijnen voldoen. De laatste twee termijnen van in totaal € 283,33 heeft gedaagde niet betaald.
3 Het geschil
3.1. Eiseres vordert - samengevat - gedaagde te veroordelen tot betaling van € 1.412,28, te vermeerderen met rente en kosten.
3.2. Gedaagde voert verweer.
3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
4.1. De kantonrechter stelt voorop dat gedaagde bij brief van de griffier van 4 november 2025 is opgeroepen om op de mondelinge behandeling van 14 januari 2026 te verschijnen.
De brief is gericht aan het woonadres van gedaagde in [plaats 2] , en de kantonrechter gaat er dan ook van uit dat de brief gedaagde heeft bereikt. De omstandigheid dat gedaagde op 14 januari 2026 niet naar de rechtbank is gekomen, komt daarom voor haar risico.
Restantkoopsom
4.2. Eiseres vordert in de eerste plaats betaling van de restantkoopsom van € 283,33. Gedaagde heeft in haar schriftelijke antwoord niet betwist dat zij dit bedrag nog aan eiseres verschuldigd is. Hoewel uit de dagvaarding kan worden afgeleid dat gedaagde in een eerder stadium de restantkoopsom niet wilde betalen omdat de pup geen echte chihuahua zou zijn, heeft zij daarover in haar antwoord niets gesteld. Bovendien blijkt uit de door eiseres tijdens de mondelinge behandeling overgelegde advertentie dat gedaagde de pup inmiddels zelf te koop aanbiedt als zijnde een 'chihuahua'. De kantonrechter zal dit gedeelte van de vordering dan ook toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na deze uitspraak.
Reputatieschade
4.3. Eiseres vordert daarnaast een bedrag van € 999,99 wegens reputatieschade. Eiseres legt aan deze vordering ten grondslag dat gedaagde haar publiekelijk zou hebben beschuldigd van oplichting door hierover uitlatingen te doen tegenover derden en op sociale media. Dit wordt door gedaagde nadrukkelijk betwist. Tijdens de mondelinge behandeling heeft eiseres haar vordering desgevraagd toegelicht en aangevoerd dat gedaagde dreigende taal bezigde in haar whatsappberichten, dat ze een DNA-test zou laten doen en aan iedereen zou vertellen dat de pup geen echte chihuahua is. Ook schrijft gedaagde dat ze, als blijkt dat eiseres loog, zij vervolgstappen zou nemen. Gedaagde heeft echter niet gezegd dat ze een en ander op internet zou zetten, aldus eiseres.
4.4. Naar het oordeel van de kantonrechter is niet komen vast te staan dat gedaagde daadwerkelijk jegens derden en/of op sociale media negatieve uitlatingen over eiseres heeft gedaan. De eigen stellingen van eiseres spreken dit zelfs tegen. Dat eiseres reputatieschade heeft geleden is niet gebleken, zodat de vordering tot betaling van de gestelde schade zal worden afgewezen.
Kosten DNA-onderzoek
4.5. Eiseres heeft een DNA-onderzoek laten uitvoeren ter weerlegging van de beschuldigingen van gedaagde en om objectief aan te tonen dat de geleverde pup beantwoordt aan de overeenkomst. De kosten voor dit onderzoek bedragen € 89,95.
Gedaagde heeft in haar schriftelijke antwoord aangevoerd dat zij niet heeft gevraagd om een DNA-test. Zij acht het daarom onterecht dat de kosten hiervan op haar verhaald worden.
Daarnaast vermeldt gedaagde dat de uitgevoerde DNA-test niet kan worden gebruikt als bewijs, omdat het niet bewijst dat de door haar gekochte pup afkomstig is van de honden waarbij de test is afgenomen.
4.6. De kantonrechter stelt vast dat eiseres op dit verweer van gedaagde niet heeft gereageerd. Gelet op het specifieke verweer van gedaagde op dit punt, had dat wel op haar weg gelegen. Deze vordering is daarom niet toewijsbaar.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.7. Eiseres vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Eiseres heeft gesteld maar onvoldoende onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Onder punt 3.4. van de dagvaarding wordt weliswaar gesteld dat gedaagde tot betaling is gesommeerd, maar een datum van die sommatie is niet ingevuld en er is ook geen sommatie in het geding gebracht. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen daarom worden afgewezen.
Proceskosten
4.8. Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5 De beslissing
De kantonrechter
5.1. veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen een bedrag van € 283,33, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 14 dagen na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,
5.2. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1. genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,
5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.