Terug naar bibliotheek
Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:1705 - Rechtbank Limburg - 18 februari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBLIM:2026:170518 februari 2026

Uitspraak inhoud

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/340463 / HA ZA 25-137
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
[de man],
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de man] ,
advocaat: mr. L.F.B.M. Peeters,
tegen
[de vrouw],
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de vrouw] ,
advocaat: mr. M.W.M. van Doorn.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 tot en met 13, - de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, tevens houdende een wijziging van eis in conventie, met producties 1 tot en met 4, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald, - de conclusie van antwoord in reconventie met productie 14, - de op 17 november 2025 aanvullend door [de man] in geding gebrachte producties 1 tot en met 18, - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 27 november 2025, - de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling door mrs. Peeters en Van Doorn voorgedragen spreekaantekeningen.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1. [de man] en [de vrouw] hebben een affectieve relatie gehad en vanaf 2015 samengewoond. Zij hebben samen twee kinderen, geboren in 2016 en 2018.
2.2. In september 2019 zijn partijen en hun kinderen verhuisd van Italië naar Nederland. Sindsdien wonen zij in Nederland. Zij hebben in Nederland een gezamenlijke bankrekening geopend ( [rekeningnummer] ).
2.3. Op 20 augustus 2020 hebben partijen samen de woning aan [adres] (hierna: de woning) gekocht. De koopprijs bedroeg € 322.900,00. De woning is op 30 oktober 2020 aan partijen geleverd. De door [de man] als productie 2 overgelegde notariële leveringsakte bevat op pagina 2 de precieze kadastrale omschrijving van de woning.
2.4. Ten behoeve van de financiering van de woning zijn partijen een geldlening ter hoogte van € 310.000,00 aangegaan met Obvion B.V. (aldaar bekend onder leningdeelnummer [nummer] ) aan wie het eerste recht van hypotheek op de woning is verleend. Per 1 maart 2025 bedroeg de schuld aan Obvion B.V. € 202.526,16.
2.5. Het inkomen van partijen is op de gezamenlijke bankrekening gestort. De reguliere hypotheeklasten en ook andere lasten van partijen zijn daaruit voldaan.
2.6. [de man] had tijdens de samenleving van partijen fulltime betaald werk. [de vrouw] had aanvankelijk geen betaald werk. Zij is vanaf 2023, toen het jongste kind van partijen naar school ging, parttime betaald werk gaan doen. Later is zij (ook) parttime onbetaald werk als kunstdocente gaan verrichten.
2.7. In oktober 2024 werd duidelijk dat de relatie tussen partijen was geëindigd of zou eindigen. Op 6 oktober 2024 heeft [de man] het toenmalige saldo op de gezamenlijke bankrekening – groot € 56.500,30 – overgeboekt naar een bankrekening op zijn naam.
2.8. [de vrouw] heeft de woning op 16 juni 2025 verlaten en is elders gaan wonen.

3 Het geschil in conventie en reconventie

3.1. Bij dagvaarding heeft [de man] - samengevat - gevorderd dat [de vrouw] wordt veroordeeld om aan hem de volgende bedragen te betalen: - € 73.724,74, - € 13.162,13, - € 7.493,07, - € 19.463,74,
alles te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2. Samengevat heeft [de vrouw] in reconventie gevorderd dat de rechtbank een deskundige benoemt die de woning taxeert, waarna de woning vervolgens ofwel tegen de getaxeerde waarde aan [de man] wordt toegedeeld ofwel wordt verkocht aan een derde, met bepaling dat het vonnis zo nodig in de plaats treedt van de medewerking van [de man] en met veroordeling van [de man] in de proceskosten.
3.3. Daarop heeft [de man] zijn eis vermeerderd, in die zin dat hij vordert dat de rechtbank bepaalt dat de verdeling van de woning plaatsvindt door toedeling aan hem en in ieder geval niet door verkoop aan een derde. Vervolgens heeft [de man] tijdens de mondelinge behandeling zijn eis verder vermeerderd, aldus dat dat de (hierna nog te bespreken) gevorderde bijdrage van [de vrouw] in de hypotheeklasten/aflossingen doorloopt tot aan het moment van de levering van de woning.
3.4. Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen overeengekomen dat:
 bij toedeling van de woning aan [de man] een waarde wordt gehanteerd van
€ 420.000,00;
 [de man] een termijn van twee maanden na de datum van het vonnis krijgt om de financiering van de toedeling te regelen;
 het vonnis zo nodig in de plaats zal treden van de benodigde wilsverklaring en/of handtekening van [de vrouw] voor toedeling van de woning aan [de man] .
Deze afspraak zal in de beslissing worden verwerkt.
3.5. Partijen voeren verweer tegen de vorderingen van de ander voor zover niet geregeld met de hiervoor genoemde afspraak. Op hun stellingen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en reconventie
4.1. Beide partijen hebben de Italiaanse nationaliteit hebben, zodat deze zaak internationale aspecten bevat.
4.2. Omdat beide partijen in Nederland wonen, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht.
4.3. De bij dagvaarding ingestelde vorderingen van [de man] zijn gebaseerd op een niet-contractuele verbintenissen (waarover hierna meer). Uit artikel 10 lid 2 van de Rome-II verordening (eventueel in samenhang met artikel 10:159 BW) volgt dat daarop het Nederlands recht van toepassing is. Voor wat betreft de verdeling van de woning volgt dat uit artikel 10:127 BW.
in conventie
4.4. [de man] heeft in de dagvaarding vier geldvorderingen beschreven. Het totaal van deze vorderingen bedraagt € 73.724,74. In het petitum van de dagvaarding heeft [de man] vervolgens dit totaalbedrag gevorderd en daarnaast drie andere posten. Ter zitting is vastgesteld dat dit op een vergissing berust en dat er vier deelbedragen worden gevorderd van: - € 53.072,54 - € 13.162,13, - € 7.493,07, en - € 19.463,74
waarbij de eerste vordering wordt vermeerderd met de helft van de hypothecaire lasten vanaf maart 2025.
4.5. [de man] baseert deze vorderingen voornamelijk op een volgens hem aan hem toekomend vergoedingsrecht ten opzichte van [de vrouw] . Op de verschillende deelaanspraken en de daarvoor aangevoerde grondslagen, zal hierna worden ingegaan. Daarbij is van belang wat de Hoge Raad heeft geoordeeld in het arrest van 10 mei 2019 (ECLI:NL:HR:2019:707) over de vergoedingsrechten tussen partners die op basis van een affectieve relatie samenwonen (de zogenoemde informeel samenlevenden). Allereerst is vastgesteld dat aan de hand van de in Boek 6 BW geregelde rechtsfiguren beoordeeld moet worden of er een vergoedingsrecht geldend gemaakt kan worden. Verder is bepaald dat tussen informeel samenlevenden een rechtsverhouding bestaat die mede door de redelijkheid en billijkheid wordt beheerst. Dit betekent onder meer dat een vergoedingsrecht in verband met de bijzondere omstandigheden van het geval kan voortvloeien uit de in artikel 6:2 lid 1 BW bedoelde eisen van redelijkheid en billijkheid. Het ligt op de weg van de samenlevende die aanspraak maakt op vergoeding van een investering om de bijzondere feiten en omstandigheden te stellen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat een vergoedingsrecht bestaat.
4.6. Onderdeel van de onderbouwing van een belangrijk deel van de aanspraken van [de man] is dat hij alleen bepaalde kosten of lasten heeft betaald. Daarbij gaat het veelal om kosten of lasten die zijn voldaan vanuit de gemeenschappelijke bankrekening. De aanname van [de man] dat dit saldo geheel aan hem toebehoorde is echter niet juist. Vast staat immers dat [de vrouw] net als [de man] een bedrag van € 2.000,00 op de rekening heeft gestort bij het openen van de rekening en gedurende de samenleving van partijen ook haar inkomen heeft laten binnenkomen op die rekening. Niet in geschil is dat het saldo per
6 oktober 2024 aldus voor 1/12e deel is opgebouwd met stortingen door of namens [de vrouw] , zodat haar aandeel in dit saldo 1/12e was. De stelling van [de man] dat de bijdrage van [de vrouw] is verteerd door voldoening van de huishoudelijke kosten die zijn betaald vanuit de gezamenlijke bankrekening, kan natuurlijk niet opgaan. Hij zegt daarmee in feite dat die kosten eerst ten laste komen van het aandeel van [de vrouw] in het saldo en daarna pas ten laste van het aandeel van [de man] , maar legt dat niet uit terwijl het ook niet logisch is. Bij de verdere bespreking zal dit oordeel niet steeds worden herhaald, maar dat laat onverlet dat als vaststaand wordt aangenomen dat het tot 6 oktober 2024 opgebouwde banksaldo niet geheel aan [de man] toebehoorde. Een vordering tot verdeling van dat saldo is niet ingesteld.
€ 53.072,54 plus helft hypotheeklasten/aflossingen vanaf 1 maart
4.7. [de vrouw] heeft bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van eis tijdens de mondelinge behandeling stellende dat die tardief zou zijn. Dit bezwaar wordt verworpen. De vermeerdering van eis is in lijn met wat door [de man] al in de dagvaarding is aangevoerd. Het heeft dan ook maar in zeer beperkte mate aanleiding tot een nader debat gegeven en dat is gevoerd kunnen worden tijdens de mondelinge behandeling. De vermeerdering van eis is daarom niet in strijd met de goede procesorde.
4.8. [de man] stelt dat hij vanaf de verwerving van de woning de aflossingen op de hypothecaire lening heeft betaald omdat de gezamenlijke bankrekening, van waaruit de aflossingen zijn gedaan, gevoed is met zijn salaris en privéstortingen. De aflossingen zouden tot 1 maart 2025 een bedrag van € 106.145,07 betreffen. [de man] vordert vergoeding door [de vrouw] van de helft van dat bedrag (= € 53.072,54), te vermeerderen met de helft van het vanaf 1 maart 2025 betaalde bedrag aan hypotheeklasten.
4.9. [de man] heeft bij dagvaarding het bepaalde in artikel 3:172 BW aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Uit dat artikel volgt dat deelgenoten naar evenredigheid moeten bijdragen tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen die bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht. [de man] heeft het beroep op deze bepalingen laten varen na de (terechte) verwijzing van [de vrouw] naar overweging 3.1.4. van het arrest van de Hoge Raad van 17 november 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1571). Daarin is herhaald dat het door een deelgenoot aangaan of aflossen van een lening ter financiering van het gemeenschappelijke goed niet geldt als een handeling als bedoeld in artikel 3:172 BW.
4.10. Daarnaast heeft [de man] zich beroepen op het bepaalde in artikel 6:10 BW, waaruit volgt dat hoofdelijke schuldenaren verplicht zijn om bij te dragen in de schuld voor het gedeelte van de schuld dat hen aangaat. [de man] heeft gesteld dat de hypotheekschuld ieder van partijen voor de helft aangaat. Dat laatste heeft [de vrouw] op zichzelf niet (gemotiveerd) betwist, maar zij heeft wel aangevoerd dat er een stilzwijgende afspraak tussen partijen is gemaakt die inhield dat [de man] voor het gros van het inkomen zou zorgen en dat [de man] de zorg voor het huishouden en de kinderen grotendeels op zich zou nemen en welke afspraak daarmee – naar de rechtbank begrijpt – ook inhield dat [de man] geen aanspraken meer zou (kunnen) claimen vanwege zijn grotere financiële bijdrage in de kosten van de huishouding. Als het bestaan van deze afspraak niet zou worden aangenomen, zou vanwege de gememoreerde omstandigheden hebben te gelden dat een eventueel vergoedingsrecht zou moeten worden afgewezen of beperkt op grond van de redelijkheid en billijkheid.
4.10.1. Een eventuele aanspraak op grond van het bepaalde in artikel 6:10 BW ontstaat wanneer een schuldenaar meer dan diens aandeel in een gemeenschappelijke schuld heeft betaald. Uitgaande van de stelling van [de man] dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is voor de hypotheekschuld, kan hij op dit moment geen vordering claimen op grond van artikel 6:10 BW omdat gesteld noch gebleken is dat hij inmiddels meer dan de helft van de hypotheekschuld heeft afgelost. Omdat beide partijen echter verdeling van de woning wensen, waarbij de resterende hypotheekschuld ofwel wordt overgenomen door [de man] ofwel wordt afgelost met de verkoopprijs (zie hierna) zal alsdan een eventuele aanspraak als gevolg van aflossing van de hypotheekschuld voor meer dan het eigen aandeel alsnog aan de orde komen. Daarom gaat de rechtbank er wel op in.
4.10.2. Zoals hiervoor al gemeld, wordt de rechtsverhouding tussen de voorheen informeel samenlevenden [de man] en [de vrouw] mede beheerst door de redelijkheid en billijkheid. Bezien in dat licht zijn, naar het oordeel van de rechtbank, een aantal hierna te noemen feiten en omstandigheden van belang.
Partijen vormden samen met hun kinderen een gezin. Ze hebben ervoor gekozen de kosten van de huishouding te betalen met de gelden die werden gestort op de gezamenlijke bankrekening. Beiden hebben verklaard dat er geen expliciete afspraken zijn gemaakt over de financiën.
De gezamenlijke bankrekening werd voor veruit het grootste deel gevoed met het inkomen dat [de man] verdiende. Gedurende de samenleving heeft hij namelijk fulltime betaald werk gehad en [de vrouw] een periode geen betaald werk gevolgd door een periode waarin zij parttime betaald werk verrichtte en daarna (ook?) parttime onbetaald werk buitenshuis. [de vrouw] stelt dat zij het overgrote deel van de verzorging van de kinderen voor haar rekening nam. [de man] stelt dat hij ook een groot deel van de verzorging van de kinderen voor zijn rekening nam, omdat zijn werkgever het hem toestaat (veel) thuis te werken. Hoewel de mogelijkheid om thuis te werken het mogelijk maakt om de tijd flexibeler in te delen, doet het er niet aan af dat er fulltime gewerkt wordt. De rechtbank neemt daarom aan dat het inderdaad [de vrouw] is geweest die het grootste deel van de verzorging van de kinderen voor haar rekening nam.
4.10.3. Er was dus sprake van een gezinsverband waarbinnen [de man] meer betaald werk deed en [de vrouw] meer voor de kinderen zorgde. Vervolgens is er een woning gekocht ten behoeve van dit gezinsverband en een lening aangegaan in de wetenschap dat [de vrouw] in ieder geval aanvankelijk niet veel zou kunnen meebetalen aan aflossing. [de vrouw] zou dus buiten dit gezinsverband een verplichting ter hoogte van (de helft van) de hypotheeklasten niet zijn aangegaan. Er zijn vervolgens geen afspraken gemaakt over ieders bijdrageplicht aan de hypotheeklast. Ook na de aankoop van de woning is er klaarblijkelijk niet meer gesproken over het feit dat de hypotheeklasten voor het grootste deel zijn betaald met het inkomen van [de man] , laat staan dat [de man] uit heeft gesproken te verwachten dat [de vrouw] hem ter zake zou compenseren. Alle omstandigheden samen bezien hebben bij [de vrouw] in redelijkheid de verwachting kunnen wekken dat het totale inkomen van partijen werd samengevoegd ter bestrijding van de gezinslasten zonder dat dit zou leiden tot vergoedingsrechten. Anders gezegd: [de vrouw] mocht er redelijkerwijs vanuit gaan dat de omstandigheid dat [de man] meer verdiende niet betekende dat hij achteraf een aanspraak zou claimen op grond van betaalde gezinslasten. De hoop of verwachting dat [de vrouw] – al dan niet als gevolg van haar werkzaamheden als onbetaald kunstdocent – in de toekomst meer zou gaan verdienen en daarmee financieel meer zou gaan bijdragen, is daarmee niet in tegenspraak.
4.10.4. [de man] heeft gesteld dat hij er op enig moment op heeft aangedrongen dat [de vrouw] (meer) betaald zou gaan werken, maar dat betwist zij en [de man] plaatst dat bovendien in het kader van 'de balans binnen het gezin' en niet vanwege een aangenomen of tussen partijen besproken financiële bijdrageplicht van [de vrouw] . Bovendien doet dat er niet aan af dat partijen de woning hebben gekocht en de lening zijn aangegaan op het moment dat [de vrouw] overduidelijk niet in staat was in relevante mate financieel bij te dragen. Het is vervolgens niet alleen aan [de man] om te bepalen dat dat dit toch anders zou moeten zijn.
4.10.5. De slotsom is dat de hypotheekschuld, voor zover deze tot aan het einde van de op de relatie gebaseerde samenleving is afgelost, partijen hun de onderlinge verhouding is aangegaan conform hun daadwerkelijk betaalde bijdrage althans dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om van [de vrouw] een hogere financiële bijdrage te vorderen dan zij heeft betaald. Er zijn weinig objectieve feiten en omstandigheden aan de hand waarvan de rechtbank de relevante periode kan vaststellen. In oktober 2024 was duidelijk dat de relatie zou eindigen, maar daarmee is niet zonder meer gezegd dat partijen vanaf dat moment meteen geen informeel samenlevenden meer waren. [de vrouw] is in juni 2025 uit de woning vertrokken, maar toen was al enige tijd duidelijk dat er geen sprake meer was van een op de affectieve relatie gebaseerde samenleving. De rechtbank zal 1 januari 2025 als peilmoment aanhouden. Vanaf dat moment zal [de vrouw] moeten bijdragen in de aflossing op de hypothecaire lening naar rato van haar aandeel in de woning, dus voor de helft. Een en ander zal verder worden uitgewerkt in de beslissing over de verdeling van de woning (zie hierna).
4.11. [de man] heeft zich ter onderbouwing van de hier besproken vordering ook beroepen op de redelijkheid en billijkheid. Onder verwijzing naar het onder 4.10.1. en verder overwogene, wordt hij in dat standpunt niet gevolgd.
4.12. [de man] deed ook een beroep op onverschuldigde betaling, maar kan daarin niet worden gevolgd alleen al vanwege het feit dat er niets aan [de vrouw] is betaald.
4.13. Het beroep van [de man] op ongerechtvaardigde verrijking gaat niet op omdat, voor zover er sprake is van een verrijking aan de zijde van [de vrouw] , deze verrijking niet ongerechtvaardigd is want in lijn met wat partijen over en weer redelijkerwijs mocht verwachten. In ieder geval zou ook een beroep op ongerechtvaardigde verrijking in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.
4.14. [de man] heeft bij de vermeerdering van eis tijdens de mondelinge behandeling, voor het eerst, aanspraak gemaakt op een vergoeding in verband met betaalde hypotheekrente vanaf 1 maart 2025 (randnummer 4 spreekaantekeningen). Omdat hij eerder alleen sprak over een vergoeding in verband met de aflossing en zijn wijziging op dit punt niet nader heeft onderbouwd, zal de vordering in zoverre worden afgewezen.
€ 13.162,13
4.15. De aankoopsom van de woning is voor (per saldo) € 26.324.26 met het saldo op de gezamenlijke bankrekening betaald en dus niet met geleend geld. Op grond daarvan vordert [de man] betaling van een som ter hoogte van de helft: € 13.162,13.
4.16. Deze vordering wordt afgewezen, waarbij wordt verwezen naar het onder 4.10.1. tot en met 4.10.5. overwogene.
€ 7.493,07
4.17. [de man] stelt dat hij € 14.986.13 in de woning heeft geïnvesteerd en vordert van [de vrouw] een bedrag ter hoogte van de helft, dus € 7.493,07. Het betreft de aanleg van een nieuwe vloer, het aanbrengen van zonnepanelen, het vernieuwen van de badkamer en van de CV-ketel.
4.18. Ook hier beroept [de man] zich op het bepaalde in artikel 3:172 BW, waaruit in combinatie met artikel 3:170 BW, volgt dat deelgenoten naar evenredigheid van hun aandeel in het gemeenschappelijk goed moeten bijdragen in de kosten van het gewone onderhoud en behoud van het goed, kosten voor handelingen die geen uitstel kunnen lijden of kosten waartoe gezamenlijk is besloten.
4.18.1. Gesteld noch gebleken is dat de investeringen in de woning te maken hadden met gewoon onderhoud of behoud van de woning of met werkzaamheden die geen uitstel konden lijden. Het is dus in beginsel de vraag of partijen gezamenlijk hebben besloten tot het doen van deze investeringen. In de processtukken namens [de man] is daarover niets gesteld. Desgevraagd heeft [de man] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat [de vrouw] het alleen eens was met de werkzaamheden ten behoeve van de vloer. Afgaande op die stelling, zouden de andere posten sowieso niet toewijsbaar zijn op grond van artikel 3:172 BW. Anderzijds heeft [de vrouw] verklaard dat zij het met bepaalde uitgaven niet eens was, maar dat zij begreep dat het belangrijk was voor [de man] zodat ze het uiteindelijk goed vond. Of dit voldoende is om toch te concluderen dat partijen gezamenlijk hebben besloten tot het doen van de uitgaven is, naar het oordeel van de rechtbank, twijfelachtig. Wat wel vaststaat – want dat verklaarden partijen allebei – is dat er niet over is gesproken dat [de vrouw] een vergoeding moest betalen voor de verbouwingen. Bezien in dat licht en gegeven de ook onder 4.10.3. aangehaalde omstandigheden, hoefde [de vrouw] er geen rekening mee te houden dat de investeringen zouden leiden tot een vergoedingsaanspraak op haar. Om die reden is het alsnog claimen van een vergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
4.18.2. Ten aanzien van de CV-ketel heeft te gelden dat – anders dan bij de andere posten – de kosten daarvoor na het einde van de relatie van partijen zijn gemaakt, zodat in zoverre de onder 4.10.3. aangehaalde omstandigheden niet onverkort gelden. In de conclusie van antwoord in conventie heeft [de vrouw] gesteld dat het besluit om de ketel te vervangen door [de man] is genomen zonder dat zij ervan wist of ermee heeft ingestemd. Daar is [de man] niet meer op ingegaan en uit de hiervoor aangehaalde verklaring van [de vrouw] tijdens de mondelinge behandeling kan niet worden afgeleid dat zij van de stelling over deze specifieke post afstand heeft genomen. Aangenomen moet dus worden dat partijen niet gezamenlijk hebben besloten tot het doen van deze uitgave, zodat ook de vordering van [de man] ten aanzien van deze post niet kan worden toegewezen op grond van artikel 3:172 BW.
4.19. [de man] heeft zich ter zake van deze vordering ook beroepen op het bepaalde in artikel 6:10 BW, maar deze bepaling is niet van toepassing. Er is geen gezamenlijke schuld aangegaan.
4.20. [de man] beroept zich ook op de redelijkheid en billijkheid. [de man] heeft echter geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan de redelijkheid en billijkheid nopen tot toewijzing van de vordering in het geval artikel 3:172 BW er geen grondslag voor biedt. [de man] wordt daarom in zijn standpunt niet gevolgd.
4.21. [de man] deed ook een beroep op onverschuldigde betaling, maar kan daarin niet worden gevolgd alleen al vanwege het feit dat er niets aan [de vrouw] is betaald.
4.22. Het beroep van [de man] op ongerechtvaardigde verrijking gaat niet op omdat, voor zover er sprake is van een verrijking aan de zijde van [de vrouw] , deze verrijking niet ongerechtvaardigd is want in lijn met wat partijen over en weer redelijkerwijs mocht verwachten. In ieder geval zou ook een beroep op ongerechtvaardigde verrijking in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.
€ 19.463,74
4.23. [de man] vordert ook verschillende bedragen van [de vrouw] op grond van betalingen die zijn verricht vanaf de gezamenlijke bankrekening die niet met de woning te maken hebben. Het betreft: - € 5.392,00 ten behoeve van door [de vrouw] gevolgde cursussen, en - € 3.795,00 ter zake van een nog niet terugbetaald deel van aan de ouders van [de vrouw] geleende gelden.
Daarnaast vordert [de man] € 10.276,00 op grond van de premie ten behoeve van de ziektekostenverzekering van [de vrouw] . Daarvan stelde [de man] eerst dat deze bedragen ook van de gezamenlijke rekening zijn betaald, maar dat bleek onjuist. De bedragen zijn ingehouden op het loon van [de man] .
4.24. In de dagvaarding heeft [de man] geen grondslag voor deze vorderingen gesteld. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij zich beroepen op ongerechtvaardigde verrijking dan wel de redelijkheid en billijkheid.
4.25. Ten aanzien van de cursussen geldt dat vaststaat dat het cursussen betreft die [de vrouw] heeft gevolgd ten behoeve van haar werk als kunstdocente en – in het verlengde daarvan – dienstig zouden kunnen zijn bij het vinden van betaald werk in dat gebied. Ook staat vast dat [de man] wist van de cursussen en verder dat partijen niet hebben besproken dat [de vrouw] de kosten daarvan terug zou moeten betalen. Als er dus sprake is van een verrijking, is niet vol te houden dat deze ongerechtvaardigd was en evenmin dat de redelijkheid en billijkheid zouden eisen dat [de vrouw] (een deel van) het bedrag aan cursusgelden terug moet betalen. De vordering wordt afgewezen.
4.26. Ten aanzien van het bedrag ter zake van beweerdelijk geleende gelden heeft [de vrouw] gesteld dat het deels geen lening betrof maar de terugbetaling van door haar moeder voorgeschoten gelden. Daar is [de man] niet meer op ingegaan, zodat het tussen partijen als vaststaand moet worden aangenomen. Belangrijker is dat niet valt in te zien op welke grond [de vrouw] zou moeten opkomen voor een aan haar ouders verstrekte lening. Zij is daardoor uiteraard niet verrijkt noch is er anderszins reden om haar daarvoor verantwoordelijk te houden. De vordering wordt afgewezen.
4.27. Ten aanzien van de premies ziektekostenverzekering geldt dat ook deze betaling het gevolg is van overleg tussen partijen en dat vaststaat dat niet is besproken dat [de vrouw] de daarmee gemoeide bedragen terug zou moeten betalen. Gelet daarop, ook bezien in het licht van de onder 4.10.2. genoemde omstandigheden, mocht [de vrouw] erop vertrouwen dat [de man] een dergelijke aanspraak niet zou maken en is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om dat toch te doen. De vordering wordt afgewezen.
in conventie en reconventie
4.28. Het overigens in conventie gevorderde en het in reconventie gevorderde gaat over de verdeling van de woning. Met de door partijen tijdens de mondelinge behandeling gemaakte afspraken, moet een deel van deze vorderingen en een deel van het verweer geacht te zijn ingetrokken.
4.29. Wat onder meer nog resteert is de vraag wat er moet gebeuren als [de man] er niet in slaagt om binnen de door partijen afgesproken periode [de vrouw] te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire schuld en haar aandeel in de overwaarde uit te keren. [de vrouw] heeft gevorderd dat de woning alsdan wordt verkocht aan een derde, waartegen [de man] zich heeft verzet. Als [de man] er echter binnen de door partijen periode niet in slaagt het aandeel van de woning van [de vrouw] over te nemen, zal dat toch moeten gebeuren. [de vrouw] hoeft namelijk niet in een onverdeeldheid te blijven en verkoop aan een derde is dan de enige concreet benoemde optie om daartoe te komen.
4.30. Voor het geval verdeling plaats moet vinden door verkoop aan een derde zal bijstand van een verkoopmakelaar nodig zijn. Daarvoor zal in het vonnis een voorziening worden getroffen.
4.31. In het geval van toedeling van de woning aan [de man] wensen beide partijen dat het vonnis, voor zover mogelijk, in de plaats komt van de medewerking van de ander. Dat zal in het vonnis worden verwerkt. [de vrouw] vordert dat ook voor de variant waarbij de woning wordt verkocht. Ook dat zal worden toegewezen. Ten aanzien van de door [de vrouw] daarnaast gevorderde dwangsom is niet voldoende concreet geduid waarop die zou moeten zien, zeker nu op onderdelen van de vordering in reconventie een regeling is getroffen, en dus ook niet of het zou moeten zien op de medewerking waarvoor dit vonnis zo nodig in de plaats treedt. Er zal dus geen dwangsom worden opgelegd.
4.32. Verder dient in de beslissing te worden verwerkt dat [de vrouw] de vanaf 1 januari 2025 betaalde aflossing op de hypothecaire lening voor de helft moet dragen. Dit zal plaatsvinden bij de berekening van de aan [de vrouw] toekomende overwaarde, (ook) omdat niet gebleken is dat een vordering van [de man] op dat punt eerder opeisbaar is (zie ook 4.10.1.).
4.33. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank
in conventie en reconventie
5.1. stelt de wijze van verdeling van de woning zoals bedoeld in 2.3. vast als volgt:
Toedeling aan [de man]
I.
de woning wordt aan [de man] toegedeeld tegen een waarde van € 420.000,00, onder de voorwaarde dat hij: - binnen twee maanden na de dagtekening van dit vonnis [de vrouw] doet ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de lening tot zekerheid van terugbetaling waarvan een hypotheekrecht op de woning is verleend aan Obvion N.V., - aan [de vrouw] haar aandeel in de overwaarde uitkeert zoals hierna bepaald,
II.
de bij toedeling aan [de man] in aanmerking te nemen overwaarde bedraagt€ 420.000,00 verminderd met het bedrag van de onder 2.4. vermelde hypothecaire schuld per datum van de levering als bedoeld in artikel 3:186 lid 1 BW; daarvan dient aan [de vrouw] te worden uitbetaald: de helft verminderd met de helft van de vanaf 1 januari 2025 door [de man] betaalde aflossingen op de hypothecaire lening,
III.bij gebreke van de medewerking van een van partijen aan de verdeling van de woning onder voormelde condities treedt dit vonnis in de plaats van de instemming/toestemming van de nalatige partij,
Verkoop aan een derde
indien aan (een van de) onder 5.1. onder I vermelde voorwaarden niet wordt voldaan, vindt verdeling van de woning plaats als volgt:
I.
a.. de woning wordt verkocht aan een derde,
b. uit de verkoopopbrengst worden voldaan: - de onder 2.4. vermelde schuld, - de verkoopkosten, waaronder de kosten van de in te schakelen verkoopmakelaar,
c. van wat vervolgens van de verkoopsom resteert, komt aan [de vrouw] toe: de helft verminderd met de helft van de vanaf 1 januari 2025 door [de man] betaalde aflossingen op de hypothecaire lening; aan [de man] komt de rest toe,
II.
d1. partijen moeten binnen twee weken na het verstrijken van de onder 5.1. onder I vermelde termijn aan een gezamenlijk aan te wijzen makelaar opdracht geven voor bemiddeling bij de verkoop van de woning;
d2. als partijen er niet in slagen om binnen deze termijn gezamenlijk een makelaar aan te wijzen, moet:
 [de vrouw] binnen twee weken daarna ten minste drie verkoopmakelaars aan [de man] voorstellen, alle aangesloten bij NVM, VastgoedPRO of VBO en met een vestiging binnen een straal van 20 km van de woning,
 van de door [de vrouw] voorgestelde makelaars kiest [de man] er binnen een week daarna een; als [de man] binnen deze termijn niet kiest, kiest [de vrouw] ,
 aan de op deze manier gekozen makelaar moeten partijen vervolgens binnen een week na de keuze gezamenlijk opdracht te geven voor bemiddeling bij de verkoop van de woning,
e. als [de man] geen medewerking verleent aan het verlenen van de opdracht aan de gekozen makelaar treedt dit vonnis in de plaats van de instemming van [de man] met het verlenen van de opdracht,
III.
[de man] is gehouden medewerking te verlenen aan verkoop en levering van de woning indien een potentiële koper bereid is een naar de mening van de makelaar acceptabele koopprijs te betalen en een koopovereenkomst te sluiten onder overigens gebruikelijke condities; bij gebreke van de medewerking van [de man] , treedt dit vonnis in de plaats van de instemming/toestemming van [de man] .
5.2. veroordeelt [de man] wegens overbedeling tot betaling aan [de vrouw] van haar aandeel in de overwaarde van de woning zoals hiervoor is bepaald,
5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4. bepaalt dat partijen elk gehouden zijn om de helft van de kosten, verbonden aan de uitvoering van deze verdeling, te voldoen,
5.5. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.