Terug naar bibliotheek
Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:1410 - Rechtbank Limburg - 12 februari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBLIM:2026:1410•12 februari 2026
Uitspraak inhoud
RECHTBANK
**LIMBURG**
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer / rekestnummer: 12029948 \ AZ VERZ 25-144
Beschikking van 12 februari 2026
in de zaak van
[werknemer],
wonende te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. M.M.J.F. Sijben,
tegen
[werkgever] B.V.,
gevestigd te [plaats 2] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. A. Kornaat.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt de werknemer om vernietiging van de opzegging tijdens de proeftijd omdat deze is gegeven voordat de arbeidsovereenkomst is aangevangen. De kantonrechter wijst het verzoek af, omdat een proeftijdontslag ook kan worden gegeven vóór de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst. Ook heeft de werkgever niet gehandeld in strijd met goed werkgeverschap.
1 De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het op 23 december 2025 ontvangen verzoekschrift, - het op 23 januari 2026 ontvangen verweerschrift, met een voorwaardelijk tegenverzoek, - de spreekaantekeningen van de zijde van [werknemer] , - de spreekaantekeningen van de zijde van [werkgever] , - de mondelinge behandeling van 5 februari 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2. De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De feiten
2.1. Op 21 oktober 2025 hebben partijen een arbeidsovereenkomst getekend voor de duur van zeven maanden met als ingangsdatum 1 november 2025 en een proeftijd van één maand.
2.2. Vlak na de ondertekening van de arbeidsovereenkomst heeft [werknemer] aan [werkgever] gevraagd of zij op 14 november 2025 een voorschot van € 1.000,00 op haar loonbetaling zou kunnen ontvangen.
2.3. Op 22 oktober 2025 heeft [werkgever] [werknemer] telefonisch medegedeeld dat het voorschot niet werd verleend en dat zij een beroep deed op de proeftijd waardoor de arbeidsovereenkomst eindigde. [werkgever] heeft dit in haar brief van 27 oktober 2025 bevestigd.
3 Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek
3.1. [werknemer] verzoekt voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
- De opzegging te vernietigen en [werkgever] te veroordelen vanaf 1 november 2025 aan [werknemer] het salaris door te betalen tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging.
Subsidiair:
- Voor het geval de opzegging in stand blijft dan wel de arbeidsovereenkomst alsnog wordt ontbonden, [werkgever] te veroordelen om aan [werknemer] een billijke vergoeding van zeven bruto maandsalarissen te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid.
Primair en subsidiair:
- [werkgever] te veroordelen in de proceskosten.
3.2. Volgens [werknemer] is de opzegging niet rechtsgeldig omdat de arbeidsovereenkomst nog niet was begonnen en [werkgever] daardoor nog geen beroep kon doen op de proeftijd. Daarnaast stelt [werknemer] dat [werkgever] heeft gehandeld in strijd met de eisen van goed werkgeverschap door de arbeidsovereenkomst op te zeggen omdat [werknemer] had gevraagd om een voorschot. [werkgever] had tijdens de ondertekening van de arbeidsovereenkomst namelijk zelf gezegd dat het altijd mogelijk was om een voorschot te vragen. Wanneer [werknemer] dan op dit aanbod ingaat en om een voorschot vraagt, wordt de arbeidsovereenkomst per direct opgezegd, terwijl [werkgever] ook had kunnen volstaan met het weigeren van het voorschot. Door een beroep op de proeftijd te doen, heeft [werkgever] het proeftijdbeding aangewend voor een ander doel dan waarvoor het is bedoeld, namelijk om de geschiktheid van [werknemer] als werknemer te beoordelen. Daarmee heeft [werkgever] , aldus [werknemer] , niet als een goed werkgever gehandeld en dient de opzegging te worden vernietigd.
3.3. Voor het geval de opzegging in stand word gelaten, maakt [werknemer] aanspraak op een billijke vergoeding van zeven bruto maandsalarissen.
3.4. [werkgever] voert verweer en stelt dat de verzoeken moeten worden afgewezen. [werkgever] betwist dat er sprake zou zijn van een ongeldige opzegging. Ook voordat de arbeidsovereenkomst was ingegaan, kon [werkgever] de arbeidsovereenkomst opzeggen, omdat de proeftijd toen nog niet was verstreken. Verder betwist [werkgever] dat zij zelf een aanbod had gedaan om een voorschot op het loon te vragen, daar is [werknemer] zelf mee gekomen. Door de arbeidsovereenkomst met [werknemer] in de proeftijd op te zeggen heeft [werkgever] niet in strijd met het goed werkgeverschap gehandeld.
3.5. Voor het geval de opzegging wordt vernietigd, verzoekt [werkgever] om de arbeidsovereenkomst met inachtneming van één maand opzegtermijn te ontbinden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding.
3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna - voor zover relevant - nader ingegaan.
4 De beoordeling
4.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of de opzegging van de arbeidsovereenkomst op grond van het proeftijdbeding moet worden vernietigd en of [werkgever] moet worden veroordeeld tot betaling van het loon vanaf 1 november 2025. De kantonrechter is van oordeel dat de opzegging rechtsgeldig is gegeven en wijst de verzoeken van [werknemer] af. De kantonrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Proeftijd, juridisch kader
4.2. Tussen partijen staat vast dat zij een arbeidsovereenkomst hebben gesloten, waarbij een proeftijdbeding is opgenomen dat voldoet aan de wettelijke vereisten[1] . Ook staat vast dat [werkgever] heeft opgezegd voordat de arbeidsovereenkomst op 1 november 2025 was begonnen. Tijdens de proeftijd mogen beide partijen de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang opzeggen "zolang die tijd niet is verstreken" [2] . Deze woorden zijn destijds door de wetgever uitdrukkelijk in de tekst opgenomen om aan te geven dat de opzeggingsbevoegdheid ook geldt ten aanzien van een nog niet daadwerkelijk aangevangen arbeidsovereenkomst[3] .
4.3. Door op 27 oktober 2025 de arbeidsovereenkomst met [werknemer] op te zeggen, is sprake van een rechtsgeldige opzegging tijdens de proeftijd. De tijd waarvoor de proeftijd was overeengekomen was namelijk nog niet verstreken. Dat [werknemer] geen reële kans heeft gekregen om te laten zien of zij geschikt is voor de bedongen arbeid doet aan het voorgaande in beginsel niet af, omdat [werkgever] voor de opzegging tijdens (of voorafgaande aan) de proeftijd geen redelijke grond hoeft te hebben.
4.4. Het uitgangspunt is dan ook dat een tijdig gegeven proeftijdontslag rechtsgeldig is.
Goed werkgeverschap
4.5. Dit betekent echter niet dat een proeftijdontslag, ongeacht de grond, altijd is toegestaan. Een rechtsgeldig gegeven proeftijdontslag kan in strijd zijn met de beginselen van goed werkgeverschap[4] .
4.6. [werknemer] heeft daartoe aangevoerd dat zij enkel is ingegaan op het aanbod van [werkgever] om een voorschot te vragen op de salarisbetaling. Door [werknemer] te ontslaan wanneer zij gebruik maakt van het aanbod heeft [werkgever] , naar mening van [werknemer] , in strijd gehandeld met de verplichting van goed werkgeverschap.
4.7. [werkgever] heeft gemotiveerd betwist dat zij [werknemer] een aanbod heeft gedaan om een voorschot op het salaris te vragen. Wél heeft [werkgever] bij het doornemen van de arbeidsovereenkomst erop gewezen dat zij van haar werknemers verwacht dat zij het aangeven als er sprake is van financiële nood. Dit om te voorkomen dat werknemers een greep uit de kassa doen Ter zitting heeft [werkgever] onbetwist gesteld dat zij nooit een voorschot op het salaris heeft uitbetaald. Als er al om een voorschot wordt gevraagd, wordt gekeken of vanuit de reservering van het vakantiegeld een bedrag kan worden overgemaakt. Gelet op deze gemotiveerde betwisting, is het aan [werknemer] om haar stelling dat [werkgever] haar een aanbod had gedaan om een voorschot op het salaris te vragen, nader te onderbouwen. Daarin is [werknemer] niet geslaagd.
4.8. Verder heeft [werknemer] nog aangevoerd dat het proeftijdontslag buitenproportioneel is omdat [werkgever] het voorschot ook had kunnen weigeren. Een ontslag was niet nodig. Daartegen heeft [werkgever] aangevoerd dat [werknemer] al vlak na de ondertekening van de arbeidsovereenkomst gevraagd had om een voorschot van € 1.000,00 om de huur te kunnen betalen. Door al zo snel om een (gedeeltelijke) uitbetaling van het salaris te vragen, veronderstelde [werkgever] dat [werknemer] kampte met financiële problemen. Omdat er in het casino van [werkgever] veel contant geld in omloop is en er regelmatig incidenten zijn waarbij geld wordt ontvreemd, achtte [werkgever] het een te groot risico om de arbeidsovereenkomst met [werknemer] in stand te laten. Gelet op de afweging van deze belangen kan niet gezegd worden dat [werkgever] in strijd met het goed werkgeverschap heeft gehandeld.
Conclusie
4.9. De conclusie is dat de opzegging van 27 oktober 2025 rechtsgeldig is gegeven. Het verzoek van [werknemer] tot vernietiging van de opzegging en betaling van het salaris vanaf 1 november 2025 wordt afgewezen.
Subsidiaire verzoek
4.10. Voor het geval de opzegging van de arbeidsovereenkomst in stand blijft, verzoekt [werknemer] toekenning van een billijke vergoeding van zeven bruto maandsalarissen.
4.11. Om aanspraak te kunnen maken op een billijke vergoeding moet sprake zijn van een opzegging in strijd met artikel 7:671 BW. Deze situatie is niet aan de orde omdat in r.o. 4.9. is geoordeeld dat sprake is van een geldig proeftijdontslag. Daarom zal de kantonrechter de verzochte billijke vergoeding afwijzen.
4.12. Daarbij merkt de kantonrechter op dat [werknemer] op de mondelinge behandeling heeft verklaard vanaf 3 november 2025 een nieuwe baan te hebben, zodat aannemelijk is dat zij nauwelijks schade heeft geleden.
Het tegenverzoek
4.13. Op het verzoek van [werkgever] om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, hoeft niet te worden beslist. De voorwaarde waaronder [werkgever] dat verzoek heeft gedaan, is namelijk niet vervuld. Hiervoor is immers beslist dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig was gegeven en niet wordt vernietigd.
De proceskosten
4.14. De proceskosten komen voor rekening van [werknemer] , omdat [werknemer] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werkgever] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De kantonrechter
op het verzoek
5.1. wijst het verzoek af,
op het tegenverzoek,
5.2. verstaat dat op het voorwaardelijke verzoek niet hoeft te worden beslist,
op het verzoek en op het tegenverzoek
5.3. veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.4. verklaart deze beschikking wat betreft de onder 5.3. genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.
Artikel 7:652 BW.
Artikel 7:676 lid 1 BW.
Vgl. ECLI:NL:GHSHE:2010:BO4338.
Artikel 7:611 BW. - - - ## Voetnoten