Terug naar bibliotheek
Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2025:12368 - Rechtbank Limburg - 12 december 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBLIM:2025:12368•12 december 2025
Uitspraak inhoud
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 23/3688
(gemachtigde: mr. P.A.M. van Hoef),
en
(gemachtigde: mr. C.H.J.M. Michels).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [woonplaats 2] (de vergunninghouder).
- Deze uitspraak gaat over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning in afwijking van het bestemmingsplan aan de [adres] in [plaats] . Eiser is het hier niet mee eens, omdat hij van mening is dat de verleende omgevingsvergunning in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hij heeft daarnaast een alternatief bouwplan voorgesteld waarmee de gestelde afbreuk aan zijn woon - en werkklimaat wordt beperkt, maar dat plan heeft het college niet kenbaar in de belangenafweging betrokken. Eiser wil met zijn beroep bereiken dat het perceel onbebouwd blijft of dat de woning anders op het perceel wordt geplaatst. Aan de hand van de door eiser aangevoerde beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende vergunning.
- De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de omgevingsvergunning rechtmatig is verleend. Wel kleeft er aan de motivering van het bestreden besluit een gebrek, maar dat is ter zitting hersteld en wordt daarom gepasseerd.
Daarmee is het beroep ongegrond en krijgt eiser dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
- Vergunninghouder heeft op 20 oktober 2022 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning in afwijking van het bestemmingsplan en het realiseren van een inrit op het perceel [adres] . De aanvraag ziet feitelijk op drie activiteiten: - het bouwen van een woning; - het gebruiken van het perceel in strijd met het geldende bestemmingsplan; - het aanleggen van een inrit.
- Aangezien het bouwplan voor de woning impliceert dat er van het bestemmingsplan wordt afgeweken, schrijft de wet voor dat het college bij de beoordeling van deze aanvraag de uitgebreide procedure van de Algemene wet bestuursrecht volgt. Dat is hier ook gebeurd.
Het college heeft een ontwerpbesluit ter inzage gelegd en eiser heeft binnen de daartoe gestelde termijn schriftelijk een zienswijze ingediend. Eiser is eigenaar van de linkervleugel van Huize [naam 1] , zijnde een rijksmonument dat naast het perceel ligt waarop de woning moet verrijzen. Zijn zienswijze heeft eiser vervolgens ook nog mondeling toegelicht aan de hand van een maquette van het door hem voorgestelde alternatieve bouwplan. Deze zienswijze heeft het college niet tot andere inzichten gebracht. Het college heeft met het besluit van 31 oktober 2023 de aangevraagde omgevingsvergunning verleend.
Procesverloop
- Eiser is het niet eens met de verleende vergunning en heeft conform de wettelijke bepalingen rechtstreeks beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
- De rechtbank heeft het beroep op 3 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college en de vergunninghouder.
- Eiser heeft kort voor de zitting twee stukken ingediend bij de rechtbank: een verklaring van [naam 2] , die aanwezig is geweest bij de mondelinge toelichting van de zienswijze van eiser en een stedenbouwkundig advies van [naam 3] . Deze stukken zijn binnen de termijn van 10 dagen voor de zitting ingediend en daarmee te laat ingediend. De rechtbank laat het stedenbouwkundig advies wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing, omdat dit een deskundige beoordeling aan de zijde van verweerder en vergunninghouder vergt om hierop adequaat te kunnen reageren en er aan de zijde van eiser geen verontschuldigbare reden was om dit advies dusdanig laat in te dienen. De verklaring van [naam 2] is wel aan het dossier toegevoegd, omdat een reactie hierop geen deskundige beoordeling vereist.
Beoordeling door de rechtbank
Omvang van het beroep
- De bestreden omgevingsvergunning ziet op drie activiteiten. Eiser voert enkel beroepsgronden aan tegen het gebruik van het perceel in strijd met het bestemmingsplan. Daarom beoordeelt de rechtbank de andere twee onderdelen van de omgevingsvergunning niet.
Toetsingskader
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
- Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
[1] De aanvraag is door [naam 4] ingediend op 14 december 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Het toepasselijk kader onder de Wabo en het ter plaatse geldende bestemmingsplan
- Voor het bouwen van een woning is een omgevingsvergunning nodig
[2] , die moet worden aangevraagd bij het college van burgemeester en wethouders.[3] Zij beoordelen deze aanvraag aan de hand van een wettelijk toetsingskader, dat voorschrijft in welke gevallen een aanvraag geweigerd moet worden.[4] In dit geval houdt het bouwplan tevens in dat er wordt afgeweken van het ter plaatse geldende bestemmingsplan, omdat er volgens het bestemmingsplan geen bouwvlak is aangewezen op het desbetreffende perceel. De aanvraag om te bouwen wordt dan van rechtswege ook beschouwd als een aanvraag om grond in strijd met het bestemmingsplan te gebruiken. In de wet zijn een aantal situaties bepaald waarin het college gebruik van gronden in afwijking van het bestemmingsplan mag toestaan.[5] De situatie die hier van toepassing is, betreft het afwijken van het bestemmingsplan op grond van een goede ruimtelijke onderbouwing, het zogenoemde buitenplans afwijken. Het college moet in die situatie toetsen of het bouwplan is voorzien van een ruimtelijke onderbouwing en of het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.[6]
- De eisen waaraan de ruimtelijke onderbouwing moet voldoen, zijn vastgelegd in het Besluit omgevingsrecht en het Besluit ruimtelijke ordening
[7] . De toets aan een goede ruimtelijke ordening komt daarentegen neer op een belangenafweging, waarbij het college beoordelingsruimte toe komt.
De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.[8]
Beroepsgronden
Kon het college in redelijkheid concluderen dat afwijking van het bestemmingsplan niet in strijd is met de ruimtelijke ordening?
- Eiser betoogt dat door de te bouwen woning op onaanvaardbare wijze afbreuk wordt gedaan aan de bestaande karakteristiek van het naastgelegen rijksmonument Huize [naam 1] , waarvan hij deels eigenaar is. Hij onderbouwt zijn betoog door te wijzen op de omstandigheid dat de eerder op het perceel aanwezige woning is afgebroken, zonder dat hier een woning of bouwvlak voor terug is gekomen. Kennelijk is het bij het vaststellen van het bestemmingsplan een bewuste keuze geweest om ruimte te creëren rondom het rijksmonument en dat wordt nu teniet gedaan. Verder stelt eiser dat zijn belangen onvoldoende zijn meegewogen bij de toets van de aanvraag aan de ruimtelijke ordening. Naast de monumentale waarde en uitstraling van het gebouw, betreft dit de lichtinval in zijn atelier en woning en het uitzicht vanuit het atelier en de woning.
- Het college heeft toegelicht dat er in 2009 in het nieuw vastgestelde bestemmingsplan geen bouwvlak voor dit perceel is opgenomen, omdat er op dat moment geen woning stond. Op het perceel en de omliggende gronden rust juist de bestemming wonen. Het bouwplan houdt rekening met het aanzien van het naastgelegen moment. Dit volgt uit de ruimtelijke onderbouwing van het plan. In de reactie op de zienswijze van eiser, die onderdeel vormt van het bestreden besluit, is gemotiveerd hoe het college de belangen van eiser met betrekking tot de lichtinval en het uitzicht heeft gewogen in het kader van een goede ruimtelijke ordening.
- De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van eiser dat iedere bebouwing op het perceel zonder meer in strijd zou zijn met de goede ruimtelijke ordening niet volgt uit het bestemmingsplan of uit afwegingen van de gemeenteraad over de vaststelling van dat bestemmingsplan. Het college heeft ook weersproken dat er in het bestemmingsplan bewust geen bouwvlak is opgenomen met die gedachte. Uit het feit dat het perceel wel voor 'wonen' is bestemd volgt naar het oordeel van de rechtbank al dat de gemeenteraad niet uitsloot dat er in de toekomst wel een woning zou kunnen worden gebouwd.
14.1. Verder stelt de rechtbank vast dat het college bij de beoordeling van de aanvraag ook de belangen van het naastgelegen Huize [naam 1] meegewogen. Zo blijkt uit het bestreden besluit dat er advies aan de welstandscommissie gevraagd en dat dit positieve advies bij de besluitvorming is betrokken. Bovendien volgt uit de ruimtelijke onderbouwing van de aanvraag dat reeds bij de vormgeving en situering van het bouwplan rekening is gehouden met de monumentale waarde en ruimtelijke uitstraling van Huize [naam 1] .
14.2. De rechtbank wil aannemen dat er sprake zal zijn van een enige invloed op het woon - en leefklimaat van eiser, zoals verandering van de lichtinval en beperking van het uitzicht vanuit zijn woning en atelier. Maar een enkele beïnvloeding van dat woon - en leefklimaat maakt nog niet dat het college niet in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Van belang is hier of er onevenredig afbreuk wordt gedaan aan het woon - en leefklimaat van eiser in verhouding tot de belangen die vergunninghouder nastreeft. Uit de reactie op de zienswijze van eiser, die onderdeel is van het bestreden besluit, volgt dat het college de belangen van eiser met betrekking tot de ruimtelijke uitstraling van zijn pand, de lichtinval en het uitzicht heeft meegewogen bij het beoordelen van de aanvraag. Er is puntsgewijs gereageerd op de door eiser aangevoerde belangen, waarbij zijn belangen zijn afgezet tegen de ruimtelijke belangen die in de onderbouwing van de aanvraag zijn uitgeschreven en onderbouwd. Puntsgewijs is er ook steeds een conclusie geformuleerd die concludent is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn daarmee alle relevante aspecten voldoende gemotiveerd afgewogen. Op basis daarvan kon het college in redelijkheid concluderen dat de aangevraagde afwijking niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van de kwaliteit van de woon - en leefomgeving. Daarmee is er geen sprake van strijd met een goede ruimtelijke ordening en was het college in principe gehouden tot het verlenen van de omgevingsvergunning. Deze beroepsgrond treft daarmee geen doel.
Had het college het alternatieve plan van eiser moeten betrekken in de besluitvorming?
- Bij het naar voren brengen van zijn zienswijze of als onderdeel daarvan heeft eiser een alternatief bouwplan voorgesteld dat volgens hem minder afbreuk doet aan zijn belangen maar voor vergunninghouder ook zou passen. Dit alternatieve voorstel is volgens eiser niet kenbaar meegewogen door het college en daarmee is het besluit onvoldoende gemotiveerd.
- Tijdens de zitting is namens het college toegelicht dat de beoordeling van het alternatieve plan van eiser afgeleid kan worden uit de afwegingen die het college heeft gemaakt om de aangevraagde afwijking te vergunnen en uit de omstandigheid dat het college niet in het plan is meegegaan. Verder is tijdens de zitting naar voren gebracht dat het college van oordeel is dat er geen sprake was van een gelijkwaardig alternatief, dat aanleiding gaf om tot een ander besluit te komen.
- De rechtbank verwijst voor haar oordeel naar vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hieruit volgt dat indien een project op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking noopt als op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van dat alternatief een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Het is aan eiser om dit aannemelijk te maken. Het college hoeft hier zelf geen onderzoek naar te doen. Uit het besprokene ter zitting volgt dat het alternatieve plan van eiser met name minder afbreuk zou doen aan zijn eigen belangen. Onduidelijk is echter in hoeverre met dat alternatieve plan voor vergunninghouder of voor de bewoners van de andere aangrenzende percelen een gelijkwaardig resultaat wordt bereikt. Het alternatieve plan maakt immers dat de woning anders op het perceel wordt geplaatst. De rechtbank is daarmee van oordeel dat er geen sprake is van een gelijkwaardig plan, althans dat dit door eiser onvoldoende aannemelijk is gemaakt om het door eiser beoogde doel te kunnen treffen: dat het college alsnog medewerking aan de vergunningsaanvraag moet weigeren. Wel is de rechtbank van oordeel dat het college reeds in zijn besluit had moeten motiveren dat het alternatieve plan van eiser niet als gelijkwaardig plan wordt beschouwd en om die reden niet betrokken is bij de besluitvorming. Nu het college het alternatieve plan in het bestreden besluit geheel onbesproken heeft gelaten, kleeft er een motiveringsgebrek aan het besluit.
Dit motiveringsgebrek is echter met de toelichting ter zitting volledig hersteld. Duidelijk is ook dat herstel van dit gebrek niet tot andere rechtsgevolgen zal leiden. De rechtbank ziet hierin aanleiding om het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren.
Daarmee kan eiser ook met deze beroepsgrond zijn doelen niet bereiken.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning, voor zover deze ziet op het afwijken van het bestemmingsplan, rechtmatig is verleend en in stand kan blijven. Omdat aan het bestreden besluit wel een motiveringsgebrek kleeft ten aanzien waarvan de rechtbank artikel 6:22 van de Awb heeft toepast, moet het college het door eiser betaalde griffierecht van € 184,00 en de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden.
De proceskosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde van eiser heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen (2 punten). De wegingsfactor is 1. Aan proceskosten in beroep is het college aan eiser dan ook een bedrag verschuldigd van € 1.814,00. Verder zijn er geen kosten gevorderd die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 184, - aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt het college tot betaling van € 1.814, - aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.E.J. Maas, rechter,
in aanwezigheid van K. Timmermans, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 12 december 2025
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 12 december 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit volgt uit artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Dit volgt uit artikel 2.1 lid 1 sub a Wabo.
Dit volgt uit de artikelen 3.1 lid 1 Wabo en 2.4 Wabo.
Dit volgt uit artikel 2.10 Wabo.
Dit volgt uit artikel 2.12 Wabo.
Dit volgt uit artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 Wabo.
Dit volgt uit artikel 5.20 Bor in samenhang gelezen met 3.1.2, 3.1.6 en 3.3.1 Bro.
Zie bij voorbeeld ECLI:NL:RVS:2022:1633. - - - ## Voetnoten