Terug naar bibliotheek
Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2024:8548 - Rechtbank Limburg - 25 november 2024
Uitspraak
ECLI:NL:RBLIM:2024:8548•25 november 2024
Uitspraak inhoud
Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer / rekestnummer: C/03/324050 / HA RK 23-188
Beschikking van de rechter-commissaris 25 november 2024
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verzoeker] B.V.,
gevestigd te Budel,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaten: mr. R.J.W. Analbers en mr. J.L. van Maanen te Amsterdam,
tegen
1 [verweerder sub 1] ,
wonende te [plaatsnaam] ,
hierna te noemen: [verweerder sub 1] ,2. [verweerder sub 2],
wonende te [plaatsnaam] ,
hierna te noemen: [verweerder sub 2] ,
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DOABUY INTERNATIONAL TRADING COMPANY B.V.,
gevestigd te Weert,
hierna te noemen: DoaBuy ITC, 4. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DOABUY TRADE MARK COMPANY B.V.,
gevestigd te Weert,
hierna te noemen: DoaBuy TMC,
verwerende partijen,
advocaten: mr. J.Ph. de Korte en mr. G.J. Wilts te Amsterdam.
De verwerende partijen 3 en 4 worden hierna gezamenlijk Doabuy genoemd en de verwerende partijen 1 tot en met 4 worden hierna gezamenlijk DoaBuy c.s. genoemd.
1 De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de beschikking van 15 februari 2024 en de daarin genoemde stukken - de brief van 24 april 2024 van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] - de e-mail van 26 april 2024 van [verzoeker] - de e-mail van 7 mei 2024 van de rechtbank namens de rechter-commissaris - de e-mail van 7 mei 2024 van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] - het proces-verbaal van het voorlopig getuigenverhoor op 13 mei 2024 - het proces-verbaal van het voorlopig getuigenverhoor op 13 mei 2024 - het e-mailbericht van 14 mei 2024 van de rechtbank - de brief van 17 mei 2024 van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] - de e-mail van 24 juni 2024 van de rechtbank namens de rechter-commissaris, waarin wordt medegedeeld dat onderhavige procedure wordt aangehouden in afwachting van het hoger beroep - het e-mailbericht van 13 september 2024 van [verzoeker] , waarbij was gevoegd het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 5 september 2024 - het e-mailbericht van 16 september 2024 van de griffier van deze rechtbank, waarin wordt verzocht verhinderdata door te geven voor het plannen van een nieuw verhoor en waarin aan mr. Analbers wordt verzocht om de vragen door te geven die hij aan de getuigen wil (laten) stellen - het e-mailbericht van 16 september 2024 van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] - het e-mailbericht van 26 september 2024 van [verzoeker] - het e-mailbericht van de rechtbank namens de rechter-commissaris van 30 september 2024 - het e-mailbericht van 9 oktober 2024 van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] - het e-mailbericht van 18 oktober 2024 van [verzoeker] - het e-mailbericht van de rechtbank namens de rechter-commissaris van 5 november 2024 - het e-mailbericht van 12 november 2024 [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2]
1.2. Ten slotte is de zaak op beschikking gezet.
2 De feiten
2.1. Bij beschikking van 15 februari 2024 heeft de rechtbank het verzoek van [verzoeker] om een voorlopig getuigenverhoor te gelasten toegewezen en bepaald dat onder meer [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] zullen worden gehoord. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat [verzoeker] belang heeft bij het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor, omdat zij opheldering wenst te verkrijgen over het delen van bedrijfsgevoelige informatie en het opzetten van een concurrerende onderneming door [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] met hulp van hun vader in verband met een mogelijke civiele procedure op grond van wanprestatie of onrechtmatige daad. De rechtbank heeft verder overwogen dat een beslissing ten aanzien van een mogelijk beroep op het verschoningsrecht van getuigen is voorbehouden aan de rechter-commissaris voor wie het getuigenverhoor zal worden gehouden.
2.2. De voorlopige getuigenverhoren werden bepaald op 13 en 14 mei 2024.
2.3. Vervolgens ontspon zich een discussie over het beroep van getuigen [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] op hun (familiaire) verschoningsrechten als bedoeld in artikel 165 lid 2 en lid 3 Rv en in het verlengde daarvan het verzoek om opschorting van het verhoor. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] willen niet als getuigen verschijnen. De rechter-commissaris heeft het verzoek om de voorlopig getuigenverhoren ten aanzien van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] op te schorten of te schorsen afgewezen bij e-mailbericht van 7 mei 2024 en heeft beslist dat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] als getuigen moeten verschijnen en dat op dat moment zal worden beslist op hun beroep op hun verschoningsrechten. Op 13 en 14 mei 2024 vonden de verhoren plaats, waarbij [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] niet zijn verschenen, omdat zij zich beriepen op hun (familiaire) verschoningsrechten. Een en ander is opgetekend in de processen-verbaal. Bij e-mailbericht van 14 mei 2024 heeft de rechter-commissaris partijen in de gelegenheid gesteld verhinderdata op te geven, zodat een nieuwe datum voor een getuigenverhoor kon worden ingepland.
2.4. Vervolgens zijn [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] in hoger beroep gegaan tegen de beslissingen van de rechter-commissaris. De rechter-commissaris zag aanleiding om onderhavige procedure aan te houden in afwachting van het hoger beroep (bericht van 24 juni 2024).
2.5. In hoger beroep verzochten [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] het gerechtshof (onder meer) om de beschikkingen van de rechter-commissaris van 7 en 14 mei 2024, waarbij het beroep van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] op hun verschoningsrechten ex artikel 165 lid 2 sub a en lid 3 Rv niet is toegewezen en niet is bepaald dat het verzoek van [verzoeker] om [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] als getuigen te laten verschijnen, te kwalificeren als misbruik van recht en te vernietigen, alsmede om het beroep van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] op hun verschoningsrechten ex artikel 165 lid 2 sub a en lid 3 Rv alsnog toe te wijzen.
2.6. In haar arrest van 5 september 2024 heeft het gerechtshof [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] ontvankelijk verklaard en de beslissing van de rechter-commissaris dat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] gehouden zijn om als getuigen te verschijnen bekrachtigd en geoordeeld dat de rechter-commissaris – anders dan [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] menen – niet gehouden is om voorafgaande aan het houden van het voorlopig getuigenverhoor al te beslissen op het beroep van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] op de verschoningsrechten en terecht heeft gepersisteerd in zijn beslissing om hen op te laten roepen om te worden gehoord als getuigen. Het hof heeft de beslissingen van de rechter-commissaris van 7 en 14 mei 2024 bekrachtigd en vervolgens de zaak terugverwezen naar de rechtbank.
2.7. Na dit arrest van het hof hebben [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] opnieuw verzocht het voorlopig getuigenverhoor op te schorten. Bij e-mailbericht van 30 september 2024 heeft de rechter-commissaris dit verzoek afgewezen. Daartoe werd aan hen het volgende medegedeeld:
In haar beschikking van 5 september 2024 (C/03/324050 HA RK 23-188) heeft het hof met de rechter-commissaris geoordeeld, dat - kort samengevat - afhankelijk van de hoedanigheid waarop de desbetreffende vraag ziet, al dan niet terecht een beroep kan worden gedaan op het familiaire verschoningsrecht (r.o. 7.8 pagina 6 onderaan, pagina 7 bovenaan en r.o 7.9). Het hof heeft ook geoordeeld dat [verweerder sub 1 en 2] gehouden zijn tot verschijning om te worden gehoord als getuige. Het hof heeft de beschikking van de rechter-commissaris bekrachtigd en heeft de zaak terugverwezen naar de rechtbank Limburg.
Uit vaste jurisprudentie (JOL 2003,702, ECLI:NL:HR:2003:AN7540) blijkt, dat in gevallen waarin de appelrechter de zaak terugverwijst naar de rechtbank en niet reeds uitdrukkelijk een einde maakt aan een deel van het gevorderde, tussentijds cassatieverzoek niet openstaat. Dat is ook hier het geval. Nu cassatie niet open staat, kan daarmee in het midden blijven of de uitvoerbaarheid bij voorraad ten aanzien van de terugverwijzing in het dictum expliciet opgenomen had moeten worden, waarvan mr. De Korte lijkt uit te gaan. De rechter-commissaris volgt ook niet het door mr. Maanen gestelde omdat ook hij van een mogelijkheid tot cassatie lijkt uit te gaan.
De rechter-commissaris verwerpt daarmee het namens mr. De Korte gestelde verzoek tot opschorting of schorsing van het voorlopig getuigenverhoor. Hij bepaalt, dat partijen binnen twee weken na dagtekening de verhinderdata van partijen en de getuigen dienen aan te leveren en dat mr. Analbers de vragen die hij aan de getuigen wenst te stellen, dient aan te leveren, zodat vooraf door de rechter-commissaris kan worden beoordeeld of die c.q. een vraag - indien de facto in het verhoor gesteld - wel of niet valt onder het verschoningsrecht. Het verdient de voorkeur dat mr. Analbers bij de selectie van zijn vragen al rekening houdt met het uitdrukkelijk beroep op het familiaire verschoningsrecht.
2.8. Na deze beslissing hebben [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] bij e-mailbericht van 9 oktober 2024 de rechter-commissaris opnieuw benaderd met het standpunt dat zij met een beroep op het (familiair) verschoningsrecht vooraf daarover een beslissing van de rechter-commissaris willen zien en met het verzoek om de procedure te schorsen in afwachting van cassatie. Hierop hebben [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] bij e-mailbericht van 18 oktober 2024 gereageerd. De rechter-commissaris heeft vervolgens bij e-mailbericht van 5 november 2024 verwezen naar zijn eerdere afwijzende beslissing van het schorsingsverzoek en [verzoeker] verzocht om op korte termijn de door hem te stellen vragen op voorhand te verstrekken zodat per vraag kan worden beoordeeld of een eventueel beroep op het verschoningsrecht moet worden gehonoreerd, indien deze vraag wordt gesteld.
2.9. Bij e-mailbericht van 12 november 2024 hebben [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] de rechter-commissaris bericht dat zij een positief cassatieadvies zouden hebben en dat zij in cassatie willen gaan en hebben wederom verzocht om schorsing van het voorlopig getuigenverhoor.
2.10. Vervolgens zag de rechter-commissaris aanleiding deze beschikking te wijzen.
3 Aanleiding van deze beschikking
3.1. In zijn beschikking, welke bij e-mail van 30 september 2024 (herhaald bij e-mailbericht van 5 november 2024) aan [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] schriftelijk is medegedeeld, heeft de rechter-commissaris beslist dat het verzoek om opschorting of schorsing van het voorlopig getuigenverhoor moet worden afgewezen. Uit zorgvuldigheidsoverwegingen ziet de rechter-commissaris aanleiding om het vervolg van de procedure vast te leggen in onderhavige beschikking.
4 De beoordeling
4.1. De rechter-commissaris persisteert in zijn (door het gerechtshof bekrachtigde)
beslissing dat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] als getuigen dienen te verschijnen. In Nederland geldt immers een verschijnplicht voor getuigen. De procedure zal daarom worden voortgezet op een door de rechtbank te bepalen tijdstip, rekening houdende met de verhinderdata van [verzoeker] . Met verhinderdata van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] zal geen rekening meer worden gehouden, omdat zij meerdere keren in de gelegenheid zijn gesteld die op te geven en van die gelegenheden geen gebruik is gemaakt.
4.2. Daarbij wordt herhaald dat voor [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] pro se het familiaire verschoningsrecht van artikel 165 lid 2 sub a Rv zal worden geëerbiedigd, maar dat hen geen beroep toekomt op dit verschoningsrecht voor zover zij als in hun hoedanigheid van (indirect) bestuurders van Doabuy worden gehoord. Het verzoek van [verzoeker] tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor is immers toegewezen op de grond dat [verzoeker] belang heeft bij het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor, omdat zij bewijs wenst te vergaren in verband met een mogelijke procedure op grond van onrechtmatige daad of wanprestatie tegen Doabur, waarvan [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] indirect bestuurders zijn. Om [verweerder sub 2] en [verweerder sub 1] tegemoet te komen dat de rechter-commissaris bepalen dat [verzoeker] binnen 14 dagen na deze beschikking de door haar aan [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] voor te leggen vragen moet overleggen ter beoordeling van de vraag of – indien gesteld – het verschoningsrecht van toepassing kan zijn indien daar een beroep op wordt gedaan en dat vragen die niet vooraf zijn beoordeeld mogelijk niet gesteld mogen worden.
4.3. Nu [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] eerder zijn opgeroepen om op 13 respectievelijk 14 mei 2024 als getuigen te verschijnen en niet zijn verschenen zal hierna worden bepaald dat zij op onderstaande data moeten verschijnen en dat bij niet-verschijning van de getuigen de rechter daaruit de gevolgtrekking zal maken die hem geraden acht.
4.4. De vraag of en zo ja [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] in cassatie gaan van het arrest van 5 september 2024 acht de rechter-commissaris niet relevant voor de voortgang van deze procedure. Bovendien volgt uit vaste jurisprudentie (JOL 2003,702, ECLI:N:HR:2003:AN7540) dat in gevallen waarin de appelrechter de zaak terugverwijst naar de rechtbank en niet reeds uitdrukkelijk een einde maakt aan een deel van het gevorderde, tussentijds cassatieverzoek niet openstaat (tenzij het hof anders heeft beslist, waarvan niet is gebleken). De rechtbank dient te waken voor een voortvarende procesgang en zal daarom in het kader van de goede procesorde thans nieuwe data voor de getuigenverhoren gelasten, en verder als volgt beslissen.
5 De beslissing
De rechter-commissaris
5.1. beveelt een voorlopig getuigenverhoor ten overstaan van mr. C.S. van den Pauwert, rechter-commissaris, omtrent de feiten en omstandigheden zoals nader omschreven in rechtsoverweging 2.1. en 2.2. in de beschikking van deze rechtbank van 15 februari 2024 op 12 en 13 februari 2025 te 10 uurin het gerechtsgebouw te 6041 HR Roermond, Willem II Singel 67,
5.2. bepaalt dat de volgende personen als getuige zullen worden gehoord:
5.3. bepaald dat voormelde personen op bovengenoemde data moeten verschijnen en dat bij niet-verschijning van de getuigen de rechter daaruit de gevolgtrekking zal maken die hem geraden acht,
5.4. bepaalt dat [verzoeker] binnen 14 dagen na deze beschikking de door haar aan [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] voor te leggen vragen moet indienen ter beoordeling van de vraag of – indien gesteld – het verschoningsrecht van toepassing kan zijn indien daar een beroep op wordt gedaan en dat vragen die niet vooraf zijn beoordeeld mogelijk niet gesteld mogen worden.
5.5. bepaalt dat de verzoekende partij uiterlijk 14 dagen na heden een afschrift van deze beschikking aan [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] doet betekenen bij deurwaardersexploot,
5.6. verklaart deze beschikking (voor zover nodig, gelet op het bepaalde in artikel 188, tweede lid, Rv) uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr C.S. van den Pauwert, rechter-commissaris en in het openbaar uitgesproken door mr. A.H.M.J.F. Piëtte op 25 november 2024